Nr. 00107/00 Mr Wortel Zitting: 31 oktober 2000 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(1998), p. 214). Als het gaat om zittingsformaliteiten en gevoerde verweren wordt, indien uitspraak en proces-verbaal tegenstrijdige gegevens bevatten, daarentegen uitgegaan van het proces-verbaal. Dat is daarvoor bij uitstek de kenbron. Dat neemt evenwel niet weg dat, indien in de uitspraak wordt verwezen naar iets dat terechtzitting is voorgevallen, of naar een mededeling die aldaar is gedaan, terwijl het proces-verbaal van die terechtzitting daaromtrent niets bevat, er in beginsel geen bezwaar tegen bestaat dat ervan wordt uitgegaan dat de vermelding in de uitspraak juist is (vgl. Corstens, a.w., p. 537 en HR NJ 1990, 421).
- Verzoekers ter terechtzitting gedane opgave betreffende diens bereidheid om, in plaats van gevangenisstraf te ondergaan, onbetaalde arbeid ten algemene nutte te verrichten, laat zich aanmerken als een ter terechtzitting afgelegde verklaring. In het licht van de zo-even samengevatte rechtspraak is het daarom aangewezen uit te gaan van hetgeen omtrent die opgave in de bestreden uitspraak is vermeld.
- Met betrekking tot het dwingende karakter van een verkort proces-verbaal der terechtzitting ten opzichte van het uitgewerkte proces-verbaal, indien zich daartussen een verschil voordoet, verdient opmerking dat in het algemeen gesproken niet (langer) wordt aangenomen dat mededelingen in een proces-verbaal der terechtzitting onder alle omstandigheden onweerlegbaar juist zijn. Indien in voldoende mate komt vast te staan dat daarin een omissie of een misslag voorkomt (bijvoorbeeld door mededelingen van degenen die het proces-verbaal opstelden) kan van de tekst van het proces-verbaal worden afgeweken. Die situatie deed zich voor in het in het middel genoemde HR NJ 1998,
- De daartoe genomen conclusie heeft niet de strekking, zoals in het middel wordt gesuggereerd, dat zo een proces-verbaal onder alle omstandigheden voor juist moet worden gehouden (“wil het proces-verbaal niet (ver)worden tot een geschrift dat naar believen kan worden gewijzigd”). Daarin is betoogd dat van de inhoud van een proces-verbaal alleen zal kunnen worden afgeweken indien ter correctie aangedragen gegevens in voldoende mate kunnen worden bevestigd.
- Zowel het verkort proces-verbaal als het uitgewerkte proces-verbaal zijn (hetgeen nogal vanzelf spreekt) door dezelfde personen vastgesteld en ondertekend: de voorzitter en de griffier. Juist ook in verband met het in HR NJ 1998, 629 bereikte oordeel zie ik niet in wat zich er tegen zou verzetten dat aan het uitgewerkte proces-verbaal deze betekenis wordt toegekend dat de voorzitter en de griffier daarin tot uitdrukking hebben gebracht dat verzoeker ten aanzien van zijn bereidheid tot het verrichten van onbetaalde arbeid méér heeft meegedeeld dan is weergegeven in het verkort proces-verbaal, en dat in het meerdere een clausulering van die bereidheid besloten ligt. Het komt mij voor dat dit ook strookt met de betekenis van het uitgewerkte proces-verbaal. Dat leent zich voor (en is bestemd voor) een uitgebreider weergave van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen en medegedeeld dan in het verkort proces-verbaal wordt opgenomen. Zolang er geen aanwijzingen zijn dat het uitgewerkt proces-verbaal der terechtzitting in dit opzicht wordt misbruikt is er geen overwegend bezwaar tegen te maken dat de uitgebreidere weergave van ter zitting gedane mededelingen, verzoeken of aldaar vastgestelde omstandigheden nuanceringen of zelfs correcties bevat ten opzichte van het verkort proces-verbaal. In dit verband merk ik op dat in het middel niet wordt betwist dat verzoeker zich omtrent zijn bereidheid tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte heeft uitgelaten zoals weergegeven in het uitgewerkte proces-verbaal van de terechtzitting en vermeld in de bestreden uitspraak.
- Ten aanzien van de verklaring van verzoeker aangaande diens bereidheid tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte kan de bestreden uitspraak als bron worden aangemerkt, terwijl uit geen rechtsregel dwingend voortvloeit dat de daarmee overeenstemmende weergave van die verklaring in het uitgewerkt proces-verbaal der terechtzitting moet wijken voor die in het verkort proces-verbaal. Nu de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte alleen zal mogen worden opgelegd indien de verdachte zich daartoe nadrukkelijk bereid verklaart is de strafoplegging naar behoren gemotiveerd. Ook dit middel faalt.
- De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen vond ik niet. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,