← Nederland

ECLI:NL:PHR:2001:AA9966

Nr. R 00/54 H Mr. Mok (terugvordering bijstand) Conclusie inzake Parket, 1 december 2000

  1. A. LOUALI
  2. S. EL BARAKA tegen gemeente DEN HAAG Edelhoogachtbaar college,
  3. Korte beschrijving van de zaak 1.
  4. De gemeente Den Haag, verweerster in cassatie, heeft verzoekers van cassatie, Louali c.s, in de periode van 16 december 1991 tot 17 juni 1993 en van 2 september 1993 tot 1 augustus 1996 een uitkering verstrekt ingevolge de - op de Algemene Bijstandswet (ABW) berustende - Rijks groepsregeling werkloze werknemers (RWW) ter hoogte van de norm voor een echtpaar. 1.
  5. Louali heeft van zijn voormalige werkgever (PTT Post) een nabetaling van salaris van | 22.934 ontvangen over de periode 22 november 1991 tot en met 14 september 1992, alsmede een vergoeding ter hoogte van |11.548,- bruto in het kader van een ontbindingsprocedure van zijn arbeidsovereenkomst<

(1). De ontbindingsbeschikking van de ktr. van 14 september 1994 is gehecht aan de brief van 19 februari 1997 namens Louali c.s. aan de ktr. , alsmede als prod. 1 aan het verweerschrift in appèl van de gemeente. >. Die vergoeding was gelijk aan vier bruto maandsalarissen. In de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft de kantonrechter overwogen: "De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per heden onder toekenning van een vergoeding van |11.548,- bruto uit te keren ineens als aanvulling op de door gerekestreerde ingevolge de sociale verzekeringswetten te genieten uitkeringen c.q. het door hem elders te verdienen lagere salaris (¼)." 1.3. Louali c.s. hebben verzuimd mededeling te doen van de ontvangen bedragen<
(2). Beschikking ktr. van 27 augustus 1997, onder 2; beschikking rb. van 20 maart 2000, onder 3.2 >. Door een melding van de belastingdienst is de gemeente hiervan op de hoogte gekomen<
(3). Vgl. verzoekschrift van de gemeente van 21 augustus 1996, p.
  1. >. Op 14 maart 1996 hebben Louali c.s. een schuldbekentenis getekend ter hoogte van | 22.934,
  2. Louali c.s. hebben toestemming gegeven om met ingang van 1 april 1996 maandelijks |150,- op de uitkering in te houden ter aflossing<
(4). Bijlage 12 en 13 bij de reactie van de gemeente van 11 februari 1997; p-v van de mondelinge behandeling van 19 februari 1997; vgl. beschikking van de ktr. van 27 augustus 1997, onder
  1. > . 1.
  2. De gemeente heeft zich bij een op 12 september 1996 ingekomen verzoekschrift tot de kantonrechter in Den Haag gewend en verzocht - kort weergegeven - dat de kantonrechter zou bepalen dat Louali c.s. een bedrag van |30.912,22 (netto) schuldig waren, zijnde de verstrekte bijstand over de periode van 22 november 1991 tot 14 januari
  3. Bij beschikking van 27 augustus 1997 heeft de kantonrechter beslist dat Louali c.s. het genoemde bedrag terzake van kosten van bijstand aan de gemeente verschuldigd waren. < -? - > 1.
  4. Tegen de beschikking van de kantonrechter heeft Louali c.s. op 30 september 1997 appèl ingesteld bij de rechtbank in Den Haag. In hoger beroep zijn zij uitsluitend opgekomen tegen de terugvordering van |11.548,- bruto over de periode 14 september 1992 tot 14 januari
  5. Bij beschikking van 20 maart 2000 heeft de rechtbank de uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd. 1.
  6. Louali c.s. zijn (tijdig<
(5). Ongeacht het toepasselijke recht, nl. binnen een termijn van acht weken, de kortste die gegolden heeft. >) in cassatie gekomen onder aanvoering van één middel.
  1. Bespreking van het cassatiemiddel 2.
  2. Het middel is gericht tegen de laatste alinea van ro. 3.
  3. van de beschikking van de rechtbank, waar deze laatste de (in de ontbindingsbeschikking vastgestelde) vergoeding die Louali van zijn voormalige werkgever heeft ontvangen, heeft aangemerkt als inkomsten. De rechtbank heeft zich in de aangevallen overweging gebaseerd op de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter<
(6). Zie hiervóór, § 1.
  1. > , waarin deze de bestemming van het bedrag heeft omschreven. 2.
  2. Het middel werpt op dat de vergoeding strekt ter aanvulling op een uitkering of een lager salaris en niet ter vervanging van een uitkering of salaris. Deze stelling is, wat hiervan zij, niet relevant omdat bijstand op grond van of krachtens de ABW rekening houdt met de aanwezige bestaansmiddelen<
(7). Vgl. de thans geldende versie van de Abw, artt. 7 en
  1. Op deze zaak is de vóór 1 januari 1996 geldende versie van de ABW van toepassing. Daarin was het niet anders (art. 1 ABW) >. 2.3.
  2. Voorts wijst het middel erop dat een "afkoopsom" (waarmee het doelt op een vergoeding in de zin van - thans - art. 7:685, lid 8, BW) voor de toepassing van de Werkloosheidswet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers niet als inkomsten wordt beschouwd. Ter adstructie wijst het middel op een uitvoeringsbesluit van laatstgenoemde wet<
(8). Besluit van de staatssecretaris van SZW van 24 december 1986, Stb. 1986, 568 (sedertdien gewijzigd). > , inhoudend dat "een eenmalige uitkering welke beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald" niet als inkomen in verband met de arbeid wordt beschouwd. 2.3.
  1. Deze klacht verliest uit het oog dat het er voor de toepassing van de ABW niet om gaat of er sprake is van inkomsten uit arbeid, maar om inkomsten die kunnen dienen als bestaansmiddelen. 2.
  2. Dat het, zoals het middel nog aanvoert, in de praktijk niet ongebruikelijk is dat een ontbindingsvergoeding wordt gebruikt voor de aankoop van een lijfrente of stamrecht, is reeds daarom zonder belang omdat niet is vastgesteld of anderszins gebleken dat zulks in dit geval is gebeurd. De vergoeding is ook niet tot dit doel toegekend, maar - in de woorden van de bestreden beschikking - "om het ná de beëindiging van het dienstverband elders te ontvangen geringere inkomen - uit dienstverband of uitkering - aan te vullen." 2.
  3. De opvatting van de rechtbank stemt overeen met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die heeft beslist dat een door een werknemer ontvangen vergoeding wegens ontbinding van diens arbeidsovereenkomst "als inkomsten dient te worden beschouwd bestemd om te voorzien noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft."<
(9). CRvB 17 januari 1995, JABW 1995, 192, ook door de gemeente in haar verweerschrift cassatie (nr. 8, p. 5) genoemd. > 2.
  1. Het middel is vergeefs voorgesteld, zodat ik zal concluderen tot verwerping van het beroep.
  2. Conclusie Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met compensatie van kosten. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.