ECLI:NL:PHR:2001:AB0028
Mr. Hartkamp nr. C99/181HR zitting 1 december 2000 Conclusie inzake [Eiseres] tegen ABN AMROBANK N.V.
Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop
De feiten zijn vastgesteld door de rechtbank (vonnis van 18 juni 1997, r.o. 1.1 t/m 1.10) en het hof (arrest van 18 februari 1999, r.o. 2.1 t/m 2.3). Zij luiden samengevat als volgt. [Eiseres] (eiseres tot cassatie) en [betrokkene A] zijn op 30 december 1964 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 31 januari 1979 is tussen hen scheiding van tafel en bed uitgesproken, welk vonnis op 4 april 1979 is ingeschreven. [Eiseres] en [betrokkene A] hebben de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding van tafel en bed geregeld bij scheidingsconvenant van 28 mei 1978.
Bij notariële akte van 5 juli 1990 hebben [eiseres] en [betrokkene A] verklaard van ABN Hypotheken B.V. en Algemene Bank Nederland N.V. ter leen te hebben ontvangen ¦ 150.000,- en dit bedrag hoofdelijk aan hen schuldig te zijn. Verweerster in cassatie is rechtsopvolgster van ABN Hypotheken B.V. en Algemene Bank Nederland N.V. (hierna: de bank). Voorts heeft [eiseres] bij die akte tot onder meer meerdere zekerheid voor betaling van hetgeen de bank uit hoofde van die lening te vorderen mocht hebben aan de bank recht van hypotheek verleend op - kort gezegd - de woning; de woning was eigendom van [eiseres]. [Eiseres], [betrokkene A] en de bank hebben bij die akte voorts verklaard, dat op alle verplichtingen waarvoor de hypotheekstelling is geschied de Algemene Voorwaarden van de bank van toepassing zijn. In voormelde notariële akte is vermeld dat zowel [eiseres] als [betrokkene A] woonden in de woning. Blijkens polisbladen van 4 september 1990 hebben [eiseres] en [betrokkene A] ieder voor zich een overlijdensrisicoverzekering afgesloten, met de ander als verzekerde. Bij brief van 20 augustus 1991 heeft de toenmalige raadsman van [eiseres] en [betrokkene A] namens hen aan de rechtvoorgangster van de bank als zijn mening laten weten: “Uit het feit dat [betrokkene A] en [eiseres] op dit moment samenwonen kan geen verzoening worden afgeleid.” [Betrokkene A] was bestuurder van de vennootschap Farzoo Inc. [betrokkene A] en Farzoo Inc. zijn bij vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 2 januari 1991 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Verschuren tot curator.
De bank heeft de woning op grond van het hypotheekrecht geveild. De woning is per 26 november 1991 verkocht.
Het huwelijk van [eiseres] en [betrokkene A] is ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch d.d. 7 februari 1992.
Van dit vonnis zijn [eiseres] en [betrokkene A] in hoger beroep gegaan bij het hof te ’s-Gravenhage. [Eiseres] heeft twee grieven (grief II en III) opgeworpen tegen de afwijzing van haar vordering op de bank. Bij arrest van 18 februari 1999 heeft het hof deze grieven ongegrond verklaard (r.o. 5.1 t/m 5.9). Het overwoog daartoe dat [eiseres] en [betrokkene A] in 1990, elf jaar na de inschrijving van het vonnis van scheiding van tafel en bed, tezamen een lening zijn aangegaan ter financiering van het huis dat zij gingen bewonen; dat zij in dat jaar op elkaars leven over en weer overeenkomsten van overlijdensrisicoverzekering hebben gesloten en dat hun toenmalige raadsman bij brief van 20 augustus 1991 namens hen aan de rechtsvoorgangster van de bank een standpunt heeft ingenomen betreffende “het feit dat [betrokkene A] en [eiseres] op dit moment samenwonen”. Op grond van deze feiten en omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat [eiseres] en [betrokkene A] zich voordat [betrokkene A] in staat van faillissement werd verklaard, hadden verzoend. Daarmee was de scheiding van tafel en bed geëindigd en herleefden de rechtsgevolgen van het huwelijk, waaronder de gemeenschap van goederen. Het faillissement omvatte alle goederen die in de gemeenschap vielen, waaronder de woning. De bank was daarom naar het oordeel van het hof gerechtigd tot executie over te gaan.
Bespreking van het cassatiemiddel.
Verder lees ik in het middel de rechtsklacht dat - zo er al sprake zou zijn van verzoening - het hof heeft miskend dat een openbaar gemaakte (in het huwelijksgoederenregister ingeschreven) scheiding van tafel en bed tegenover derden blijft gelden totdat de verzoening op dezelfde wijze openbaar is gemaakt. Net zo min als de echtelieden rechten kunnen ontlenen tegenover derden aan een niet gepubliceerde verzoening na publicatie van de scheiding van tafel en bed kunnen derden dat tegenover de echtelieden, aldus het middel.
Dit systeem heeft als consequentie dat het voor van tafel en bed gescheiden echtgenoten onduidelijk kan zijn wat het tussen hen geldende huwelijksgoederenregime is. Zie Asser-De Boer, 1998, nr. 680, met kritiek op deze situatie. Asser-De Boer bepleit een regeling, waarbij inschrijving en/of publicatie als constitutief vereiste geldt voor zowel de scheiding van tafel en bed als de verzoening. Inmiddels is een voorstel van wet aanhangig gemaakt tot wijziging van de wet overeenkomstig dat pleidooi (TK 1999-2000, 26 862).
Dat de verzoening nimmer openbaar is gemaakt, doet er niet aan af dat van verzoening sprake kan zijn. Deze is immers vormvrij. Openbaarmaking is daarvoor geen constitutief vereiste. Weliswaar wordt dit anders indien het thans aanhangige wetsvoorstel 26 862 tot wet zou worden verheven, doch ik meen dat het niet mogelijk is bij wege van anticiperende interpretatie van de thans geldende regel af te wijken, zeker niet waar het de geldigheid van een handeling betreft die reeds heeft plaatsgevonden.
De stelling dat bij de echtgenoten in 1991 niet de wil tot verzoening bestond, miskent uiteraard dat de verzoening vóór 1991 tot stand kan zijn gekomen. Dit heeft het hof afgeleid uit de omstandigheden dat de echtgenoten in 1990 tezamen een lening zijn aangegaan ter financiering van het huis dat zij samen gingen bewonen; dat zij in dat jaar op elkaars leven over en weer overeenkomsten van overlijdensrisicoverzekering hebben gesloten en dat de raadsman bij brief aan de bank heeft geschreven over “het feit dat [betrokkene A] en [eiseres] op dit moment samenwonen”. Het stond het hof als rechter die over de feiten oordeelt vrij uit deze feiten verzoening af te leiden. Dat oordeel is niet onvoldoende gemotiveerd en geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Indien het middel zo moet worden uitgelegd dat het klaagt dat het hof heeft miskend dat uit samenwonen slechts een vermoeden van verzoening kan worden afgeleid, faalt het - wat daar overigens van zij - reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel dat sprake was van verzoening immers niet alleen erop gebaseerd dat partijen samenwoonden, doch ook op de omstandigheden dat zij op elkaars leven een overlijdensrisicoverzekering hadden afgesloten en dat ze de gezamenlijke woning samen hypothecair hadden gefinancierd.
Tenslotte bevat het middel de klacht dat het hof heeft miskend dat “in het kader van een procedure tot beëindiging van het huwelijk partijen geacht moeten worden zich niet te hebben verzoend, tenzij inschrijving/openlijke bekendmaking heeft plaatsgevonden” (Rb Assen 27 maart 1991, NJ 1991, 757). Deze klacht faalt. Art. 1:179 BW, waarnaar de geciteerde overweging verwijst, is in deze zaak niet van toepassing, omdat het immers niet gaat om een procedure tot beëindiging van het huwelijk.
Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (Advocaat-Generaal)