← Nederland

ECLI:NL:PHR:2001:AB0201

Nr. R 00/069 mr. Wesseling-van Gent Parket, 22 december 2000 Conclusie inzake: Touil tegen M. Fizazi Edelhoogachtbaar College, 1 Feiten en procesverloop 1.1 Verzoekster tot cassatie, de moeder, en verweerder in cassatie, de vader, zijn in 1981 te Marokko met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren. 1.2 Bij beschikking van 4 augustus 1999 heeft de rechtbank te Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft zij beslist dat de moeder huurster zal zijn van de echtelijke woning. De moeder is in eerste aanleg niet verschenen. 1.3 Van voornoemde beschikking is de moeder in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft het hof verzocht haar te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen van partijen, de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen van partijen te bepalen op ƒ 250,- per kind per maand, alsmede de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen. De vader heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel appel ingesteld. De moeder heeft een verweerschrift ingediend in het incidenteel appel. 1.4 Het hof heeft bij beschikking van 17 april 2000 zowel de moeder als de vader niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Tegen deze beschikking heeft de moeder tijdig cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemidel bevat één klacht. De vader heeft geen verweerschrift ingediend. 2 Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1.2 als volgt overwogen: "Het thans in appèl door de moeder gedane verzoek strekt er niet toe een uitspraak van de appèlrechter te verkrijgen omtrent een punt dat aan de rechter in eerste aanleg voorgelegd was en waarover deze zich heeft uitgesproken. Het in appèl gedane verzoek van de moeder dient dan ook te worden aangemerkt als een zelfstandig verzoek in de zin van artikel 429h, vierde lid, Rv, welke mogelijkheid niet voor het eerst in hoger beroep openstaat. Ten aanzien van dit voor het eerst in appèl gedane verzoek van de moeder geldt dat artikel 429h, vierde lid, Rv, dat de mogelijkheid biedt om in een rekestprocedure bij verweerschrift in eerste aanleg een zelfstandig tegenverzoek te doen, niet van overeenkomstige toepassing is op het geding in hoger beroep (artikel 429q, zesde lid, Rv). Hoewel artikel 827 Rv in 1995 bij wet is gewijzigd teneinde de mogelijkheden in hoger beroep te < ? > vergroten, moet in een geval als dit, waarin in wezen over geen enkele beslissing van de eerste rechter tussen partijen meningsverschil bestaat leidraad zijn de hoofdlijn zoals neergelegd in de artikelen 429h jo. 429q Rv (vgl. HR 4 april 1997, NJ 1997, 402). (?..). De moeder kan derhalve niet in haar verzoek ? worden ontvangen." Volgens het middel heeft het hof aldus miskend dat verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen in de zin van art. 827 Rv. ook eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan. Door te oordelen dat de moeder niet- ontvankelijk moet worden verklaard, geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 2.3 Het middel treft doel. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1.1 vastgesteld dat het in deze zaak gaat om verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen in de zin van art. 827 lid 1 Rv. Uw Raad heeft beslist (7 april 2000, NJ 2000, 377) dat dergelijke verzoeken ook in de loop van de procedure en zelfs voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan. Vóór 1 april 1995 kon een verzoek tot het treffen van nevenvoorzieningen ingevolge het tweede lid van art. 827 (oud) Rv. slechts in eerste aanleg worden gedaan. Bij Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 570 is deze bepaling geschrapt "om tegemoet te komen aan de behoeften die bestaan in de praktijk<

(1)Zie ook het beleid van de hoven om - uit praktisch oogpunt - het tweede lid van art. 827 (oud) Rv. te omzeilen en verzoeken in hoger beroep tot het treffen van nevenvoorzieningen toe te staan, Signalement, Trema 1993, blz. 329. >. Het wordt als belemmerend ervaren dat de nevenvoorzieningen, genoemd in artikel 827 tegelijk met de indiening van het verzoekschrift of verweerschrift inzake scheiding moeten worden gevraagd"<
(2)Nota van toelichting bij de tweede nota van wijziging, TK, vergaderjaar 1993-1994, 22 487, nr. 10, blz. 4. >. Daarbij werd verwezen naar een artikel van W. Dijkers in NJB 1993 (blz. 927 e.v.) die kritiek had geuit op de oude regeling. Hij signaleerde dat de beperkingen van art. 827 lid 2 (oud) Rv. niet te rijmen waren met de doelstelling van het scheidingsprocesrecht. De consequentie van deze bepaling, namelijk het voeren van een tweede procedure, leverde volgens Dijkers allerminst de beoogde geconcentreerde behandeling op. Het hof heeft voor zijn oordeel met name relevant geacht dat de moeder in hoger beroep niet tegen de inhoudelijke beslissing van de rechtbank is opgekomen en als het ware een zelfstandig tegenverzoek heeft gedaan. Nog afgezien van het feit dat de vrouw in haar beroepschrift heeft vermeld dat zij in beroep<
(3)Zie over het onderscheid tussen vol en beperkt appel: P.A.J.Th. van Teeffelen, EchtscheidingBulletin 1993, nr. 2, blz. 1-4 en nr. 3, blz. 1-4. > komt tegen de echtscheiding "om reden van formele aard", valt uit de wetsgeschiedenis niet af te leiden dat een verzoek tot het treffen van nevenvoorzieningen in hoger beroep uitsluitend kan worden gedaan indien tevens inhoudelijk wordt opgekomen tegen de beslissing in eerste aanleg. Een dergelijk vereiste werkt m.i. belemmerend, hetgeen in ieder geval niet de bedoeling van de wetgever was. Het belang bij hoger beroep in een geval als dit is gelegen in het feit dat daar (alsnog) verzoeken tot nevenvoorzieningen kunnen worden gedaan. Overigens handelde het in het door het hof genoemde geval berecht in HR 4 april 1997, NJ 1997, 402 over een - niet in het kader van een echtscheidingsprocedure gedaan - verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling in een procedure waarbij de moeder had verzocht haar te ontheffen van de informatieplicht ex art. 1:377b lid 2 BW. 3 Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 april 2000 en tot verwijzing ter verdere behandeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, A-G

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.