Mr Jörg Nr. 02129/00/E Zitting 28 november 2000 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [Verzoekster=verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(1)luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt: "
- Het is verboden cadmiumhoudende produkten te vervaardigen, in Nederland in te voeren, aan een ander ter beschikking te stellen of voorhanden te hebben in handelsvoorraden. ()
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: a. () b. indien het cadmiumhoudende produkten betreft, bestemd voor uitvoer naar een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132), en wordt voldaan aan de in die staat geldende eisen met betrekking tot het cadmiumgehalte van die produkten, of c. indien het cadmiumhoudende produkten betreft, bestemd voor uitvoer naar een staat die geen partij is bij de in onderdeel b genoemde overeenkomst."
- Overtreding van het in art. 2, eerste lid, Cadmiumbesluit Wms geformuleerde verbod is derhalve niet strafbaar onder de omstandigheden als omschreven in onder meer art. 2, derde lid aanhef en onder b en c, van dat besluit. Laatstgenoemde bepaling raakt dus slechts de vraag of het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert en is niet van belang in het kader van de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden en welke straf terzake daarvan dient te worden opgelegd. De in het middel vervatte klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het in het kader van de bewezenverklaring en de strafmaat gedane beroep op art. 2, derde lid aanhef en onder b en c Cadmiumbesluit Wms, faalt derhalve bij gebrek aan belang.
- Nu in de laatste regel van het hiervoor onder 23 weergegeven verweer is betoogd dat er "op basis van art. 2 lid 3 sub b/c van het Cadmiumbesluit () geen strafbaar feit heeft plaatsgevonden", versta ik het middel aldus dat het er ook over bedoelt te klagen dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verweer dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert.
- De door het hof als bewijsmiddel 1 tot het bewijs gebezigde verklaring van de vertegenwoordiger van verzoekster houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, in: "Door de douane zijn monsters genomen van op respectievelijk 15 juli 1996, 28 augustus 1996, 8 oktober 1996 en 11 oktober 1996 in Rotterdam ingevoerde goederen, waaronder pijpenbuigers, kabelschoentangen, gereedschapsets, electriciteitstangen, kniptangen, doppenhouders, bitjeshouders en ratels, welke goederen tot onze handelsvoorraad behoorden. Uit verricht onderzoek is gebleken dat in die goederen een te hoog cadmiumgehalte is aangetroffen. Een deel van de ingevoerde goederen is op de Nederlandse markt verkocht."
- Aldus heeft het hof vastgesteld dat een deel van de produkten waarvan een monster is genomen en dat een cadmiumgehalte van hoger dan 50 mg/kg had, bestemd was voor de Nederlandse markt. Op dat deel van de cadmiumhoudende produkten moeten de tenlastelegging en bewezenverklaring geacht worden betrekking te hebben. Met deze vaststelling heeft het hof het beroep op het bepaalde in art. 2, derde lid aanhef en onder b en c, Cadmiumbesluit Wms genoegzaam weerlegd. Voorzover het middel erover bedoelt te klagen dat het hof niet op het hiervoor onder 26 bedoelde onderdeel van het verweer heeft beslist, faalt het derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
- Het middel kan niet tot cassatie leiden.
- Het vierde middel klaagt erover dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verweer dat verzoekster geen opzet had.
- Het middel faalt bij gebrek aan belang, aangezien het hof ten laste van verzoekster niet heeft bewezen dat zij opzettelijk heeft gehandeld.
- Voor de stelling in de toelichting op het middel dat het ontbreken van opzet in casu tot vrijspraak dan wel tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden, heb ik geen steun in het recht kunnen vinden.
- Het middel is tevergeefs voorgesteld.
- Het vijfde middel klaagt erover dat het hof het beroep op avas door verontschuldigbare onmacht ten onrechte heeft verworpen.
- Het beroep op afwezigheid van alle schuld is in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt toegelicht: "() Bij fax d.d. 28.5.1996 gaf [verzoekster] () aan haar tussenpersoon in Taiwan aan dat rekening gehouden diende te worden met de in Nederland gelden[de] cadmiumgrenzen. Desondanks echter werden produkten aangeleverd waarin cadmium zou hebben gezeten dat de normen van de in Nederland geldende regelgeving te boven gaat.
(2)Zoals in het onderdeel "feiten" aangegeven is het voor [verdachte] echter fysiek onmogelijk om reeds in de haven van Rotterdam de goederen te controleren; bedrijven worden niet toegelaten in de terminals. Bovendien lijkt er op dat moment reeds sprake te zijn van import, zodat op dat moment reeds strafbaar gehandeld zou worden. Dat zou derhalve zelfs vereisen dat in het exporterende land de controle moet plaatsvinden. [Verdachte] zou dan de verkoper moeten verplichten een verklaring van een laboratorium bij de zending te voegen waaruit blijkt dat de goederen beneden de cadmiumgrens blijven. Probleem is echter dat de exporterende landen zoals China, India en Taiwan, daartoe niet in staat zijn, althans dat het daar mogelijk is om dergelijke verklaringen te regelen zonder dat zeker is of die verklaring ook daadwerkelijk van een laboratorium afkomstig is. () Het blijkt dus bijzonder moeilijk (zo niet onmogelijk) te zijn om een 100% sluitend systeem te ontwikkelen. Indien vervolgens de goederen aankomen in Vorden/'s-Heerenberg kunnen ze derhalve pas voor het eerst gecontroleerd worden. Op dat moment echter vindt controle reeds plaats door de douane, nadat de douane het zegel heeft verbroken. Vastgesteld lijkt dan ook te kunnen worden dat [verdachte] heeft gedwaald ten aanzien van de feiten, namelijk niet wist en niet had behoren te weten dat de betreffende goederen cadmium bevatten, althans dat er sprake is van AVAS door verontschuldigbare onmacht (vgl. HR 2.2.1993, NJ 1993, 476 en HR 11.1.1994, M&R 1994, 85). Voor zover u dit beroep op AVAS niet vindt slagen, lijkt het gestelde in ieder geval wel een verzachtende omstandigheid te moeten zijn in het kader van de strafmaat."
- Het hof heeft ten aanzien van dit verweer als volgt overwogen: "Het hof verwerpt dit verweer. Gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten kan van verdachte redelijkerwijs gevergd worden dat [z]ij alles in het werk stelt om zich te vergewissen van de samenstelling van de produkten die [z]ij invoert en voorhanden heeft. Het enkele feit dat verdachte aan de producenten en leveranciers meedeelt dat geen cadmiumhoudende produkten mogen worden geleverd acht() het hof onvoldoende. Verdachte is naar het oordeel van het hof in [haar] zorgplicht tekort geschoten. Daarbij heeft het hof ook het land van herkomst van de produkten betrokken. Het is naar het oordeel van het hof een feit van algemene bekendheid dat aan de invoer van produkten uit het Verre Oosten een zeker risico is verbonden. Van verdachte kan gevergd worden dat [z]ij extra controle verricht of doet verrichten."
- Voorzover het beroep op afwezigheid van alle schuld is gebaseerd op dwaling omtrent de feiten, heeft het hof dit verweer zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting verworpen door te overwegen dat de enkele - 21/2 tot 41/2 maand vóór de bewezenverklaarde tijdstippen gedane - mededeling van verzoekster aan de producenten en leveranciers dat rekening dient te worden gehouden met de in Nederland geldende cadmiumgrens ontoereikend is om er vanuit te mogen gaan dat die grenzen ook in acht zullen worden genomen, zodat niet gezegd kan worden dat verzoekster alles in het werk heeft gesteld om zich te vergewissen van de samenstelling van de produkten die zij invoerde en verhandelde.
- Voorzover een beroep is gedaan op verontschuldigbare onmacht heeft het hof dit eveneens terecht verworpen, aangezien het betoog dat het bijzonder moeilijk zo niet onmogelijk is een sluitend systeem te ontwikkelen teneinde te verzekeren dat het cadmiumgehalte in de vanuit China, India en Taiwan ingevoerde produkten beneden de grens van 50 mg/kg blijft ontoereikend is om een beroep op afwezigheid op alle schuld te rechtvaardigen (vgl. HR 11 januari 1994, DD 94.191, MenR 1994, 85). De vergelijking met HR 2 februari 1993, NJ 1993, 476 gaat niet op, aangezien de rechter die over de feiten oordeelt in die zaak had vastgesteld dat de verdachte wel de maximaal van haar te vergen zorgvuldigheid had betracht, terwijl dit in de onderhavige zaak juist niet gezegd kan worden nu is gesteld noch aannemelijk geworden dat verzoekster - behoudens het waarschuwen van haar tussenpersoon - ook maar enige maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat het toelaatbare cadmiumgehalte werd overschreden.
- Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
- Ambtshalve wil ik er op wijzen dat het overtreden van het verbod van art. 2, eerste lid, Cadmiumbesluit Wms een overtreding van een krachtens art. 24 Wet milieugevaarlijke stoffen oplevert. Ingevolge art. 1a, aanhef en sub 1°, jo. art. 2, eerste lid, WED is dit een overtreding voorzover het feit - zoals in casu - niet opzettelijk is begaan. Nu ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat zij op vier verschillende data het verbod van art. 2, eerste lid, Cadmiumbesluit heeft overtreden, had het hof het bewezenverklaarde mijns inziens dienen te kwalificeren als "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, viermaal gepleegd". Daarnaast had het hof - dat ten onrechte art. 57 Sr in plaats van art. 62 Sr aanhaalt - ter zake van elke overtreding afzonderlijk straf dienen op leggen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Het Cadmiumbesluit Wms is per 1 juni 1999 vervangen door het Cadmiumbesluit Wms 1999 (besluit van 22 maart 1999, Stb. 149). Het in art. 2, eerste lid, Cadmiumbesluit Wms geformuleerde verbod en de uitzonderingen die daarop in art. 2, derde lid onder b en c zijn gemaakt, zijn gehandhaafd in het Cadmiumbesluit Wms 1999 en wel in art. 3.1, tweede lid aanhef en onder a en b. 2 Bedoeld zal zijn dat produkten werden aangeleverd waarvan het cadmiumgehalte de in Nederland geldende norm overschreed.