Mr Fokkens Nr. 01922/00 Zitting 7 november 2000 Conclusie inzake [Verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(3)Dat laatste is nog meer voor de hand liggend dan het eerste, omdat een veroordeling vanwege het nieuwe feit noodzakelijk is om de tenuitvoerlegging te kunnen gelasten. Daarmee is onverenigbaar dat de last tot tenuitvoerlegging onherroepelijk kan worden, zolang in de hoofdzaak geen onherroepelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. 11. Betekent dit nu ook dat de mogelijkheid die art. 407, lid 2, Sv biedt om bij gevoegde feiten in eerste aanleg het hoger beroep tot een of meer van die feiten te beperken, niet van toepassing is, indien in eerste aanleg tevens een vordering tot tenuitvoerlegging is gedaan? De redenen om art. 407, lid 1, Sv hier van toepassing te achten dwingen niet tot deze slotsom. Aan het verbod afzonderlijk tegen de last tot tenuitvoerlegging of de aan die last ten grondslag liggende veroordeling ter zake van een nieuw strafbaar feit hoger beroep in te stellen, liggen twee overwegingen ten grondslag. De MvT heeft, gezien de hierboven weergegeven verwijzing naar de ratio van de koppeling van de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging wegens een nieuw feit aan de berechting van het nieuwe feit, het oog op de rationalisering van de straftoemeting. Die overweging verzet zich in het geval van veroordeling in eerste aanleg ter zake van bijvoorbeeld 2 feiten met een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, niet tegen de mogelijkheid om tegen de veroordeling wegens één van die feiten, al dan niet samen met de last tot tenuitvoerlegging, hoger beroep in te stellen. Via het voorschrift van art. 423, lid 4 Sv is immers de eenheid in de straftoemeting in die gevallen gewaarborgd. 12. Een tweede reden voor het verbod van een partieel appèl is dat een appèl dat zich beperkt tot de veroordeling ter zake van het nieuwe feit, bijvoorbeeld omdat de verdachte de straf te hoog vindt, het risico meebrengt dat in hoger beroep voor dat feit geen veroordeling volgt, waarna de grondslag voor de last tot tenuitvoerlegging weggevallen zou zijn. Indien in eerste aanleg ter zake van meer feiten een veroordeling heeft plaatsgevonden zal een beroep dat zich tot een van die feiten beperkt, dat gevaar niet inhouden, omdat de veroordeling ter zake van het andere feit dan in ieder geval als grond voor de last tot tenuitvoerlegging blijft bestaan. Ook op dit punt is er dus geen grond om artikel 407, lid 2 niet van toepassing te achten. 13. Daar staat tegenover dat de ratio om bij berechting ter zake van meer feiten in eerste aanleg beperkt appèl mogelijk te maken, hier onverkort aanwezig is: de gevoegde zaken hadden afzonderlijk kunnen worden berecht. Ook in de MvT wordt niet gesteld dat art. 407, lid 2, Sv hier niet van toepassing zou zijn, waarbij het overigens de vraag is of de wetgever zich het probleem dat hier speelt, heeft gerealiseerd, nu ook nergens in de MvT wordt betoogd dat art. 407, lid 2 wel toepasselijk is. 14. Dit brengt mij tot de slotsom dat de verdachte die ter zake van de feiten
- a)en
- b)is veroordeeld, met een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf wegens een nieuw strafbaar feit, uitsluitend ten aanzien van zijn veroordeling voor feit
- a)hoger beroep kan instellen, waarna de uitspraak ter zake van feit
- b)met de last tot tenuitvoerlegging, onherroepelijk is. Ook is het mogelijk voor de verdachte om te appelleren tegen de veroordeling ter zake van feit
- a)en de last tot tenuitvoerlegging. In die situatie zal, indien in hoger beroep wordt vrijgesproken van feit a), de veroordeling ter zake van feit
- b)de grondslag voor een last tot tenuitvoerlegging moeten vormen. Vindt voor feit
- a)in hoger beroep wel een veroordeling plaats, dan is de veroordeling ter zake van feit
- b)mede een grond voor een last tot tenuitvoerlegging. Hoewel die veroordeling in eerste aanleg in die gavallen geen deel uitmaakt van de uitspraak waarin de last tot tenuitvoerlegging wordt gegeven, lijkt mij dat niet in strijd met het wettelijk systeem. Dit niet alleen omdat deze mogelijkheid de logische consequentie is van de toepasselijkheid van art. 407, lid 2 in deze situatie, maar ook omdat de uitspraak in eerste aanleg op grond van het bepaalde in art. 423, lid 4, Sv reeds in zoverre deel uitmaakt van de uitspraak in hoger beroep dat daarin bij partieel appèl de straf voor feit
- b)wordt bepaald. Daarbij sluit aan dat (mede) op grond van de veroordeling voor feit
- b)in eerste aanleg de tenuitvoerlegging in hoger beroep wordt gelast. 15. Daarmee kom ik bij de vraag in hoeverre het openbaar ministerie ter terechtzitting de grondslag van de vordering kan uitbreiden en de rechter aan die vordering gebonden is. 16. Een bevel tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, wijziging van de voorwaarden etc. kan op grond van art. 14g Sr worden gegeven 'na de ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie'. Deze zinsnede beoogt tot uitdrukking te brengen dat de rechter bij de beoordeling van de vordering een grote vrijheid toekomt. In de Memorie van Antwoord wordt gesteld dat de bedoeling van art. 14g, eerste lid, Sr is de rechter de vrijheid te geven om, ongeacht waartoe het openbaar ministerie precies vordert, zelf te bepalen óf hij tenuitvoerlegging zal gelasten en zo ja, in welke mate en vorm.
(4)Verder geeft art. 14i, zesde lid, Sr het openbaar ministerie de bevoegdheid gedurende het onderzoek zijn vordering te wijzigen.
- In dit systeem past dat het openbaar ministerie de bevoegdheid heeft om de grondslag voor zijn vordering tot tenuitvoerlegging ter terechtzitting uit te breiden met feiten uit een andere strafzaak die aldaar alsnog met de strafzaak, waarin de vordering tot tenuitvoerlegging was gedaan, wordt gevoegd. Grondslag van de vordering is dat de algemene voorwaarde is overtreden en dat dit blijkt uit de tenlastegelegde feiten. In deze zaak blijkt niet dat de OvJ expliciet heeft aangegeven dat de grondslag van de vordering mede wordt gevonden in de feiten uit de gevoegde zaak B. Uit de uitspraak van de rechtbank, die de vordering heeft toegewezen met de overweging: " Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis". kan echter worden opgemaakt dat de rechtbank de vordering aldus heeft verstaan, dat deze berustte op alle in de zaken A en B tenlastegelegde zaken. Ook het Hof heeft blijkens zijn hierboven onder 5 weergegeven overweging de vordering tot tenuitvoerlegging aldus opgevat. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk, waardoor het middel dat berust op de stelling dat de rechter de grondslag van de vordering ambtshalve heeft uitgebreid, feitelijke grondslag mist.
- Indien Uw Raad dit anders beoordeelt, rijst de vraag of het openbaar ministerie in hoger beroep alsnog de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging kan uitbreiden. Ik meen dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord. Indien in eerste aanleg het openbaar ministerie verzuimd heeft de grondslag uit te breiden tot de in de gevoegde zaak tenlastegelegde feiten, bestaat die mogelijkheid in hoger beroep. Ik zie hier geen wezenlijk verschil met de bevoegdheid tot wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, tot het vorderen van een hogere straf dan in eerste aanleg is geëist e.d. Als de verdachte zijn beroep in zaak B niet had ingetrokken, had de advocaat-generaal in hoger beroep aan zijn vordering tot tenuitvoerlegging dus mede ten grondslag kunnen leggen de in zaak B tenlastegelegde feiten. Dat is niet anders nu het hoger beroep beperkt was tot de feiten uit zaak A en de last tot tenuitvoerlegging. Nu de advocaat-generaal in hoger beroep de tenuitvoerlegging mede op grond van de in zaak B bewezenverklaarde feiten heeft gevorderd, faalt het middel ook om die reden Ambtshalve zie ik ook geen grond voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1HR 24 oktober 1995 ,NJ 1996, 201 2TK 1984-1985, 18764, nrs. 1-3, p. 16, Stb. 1986, 593 3HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 201 en HR 5 maart 1996, DD 96.239 zouden kunnen opleveren. 4TK 1984-1985, 18764, nr. 5, p.11