< 1 > Rolnr. C 99.048 Zitting d.d. 11 augustus 2000 (bij vervroeging) Conclusie mr Spier inzake
- Leyland DAF Ltd.
- Leyland DAF International Ltd. (hierna: Leyland-vennootschappen) tegen
- Nederlandsche Trust-Maatschappij B.V. (hierna: NTM)
- Stichting Ofasec (hierna: Ofasec) Edelhoogachtbaar College,
- Feiten en procesverloop 1.1 Voor de relevante feiten zij verwezen naar par. 1 van mijn conclusie in de zaak met rolnr. C 99/054 (Ofasec/NTM). 1.2 Het procesverloop is in overwegende mate hetzelfde als in de onder 1.1 bedoelde zaak, hierna ook aangeduid als de parallel zaak. Voorzover in de onderhavige procedure specifieke kwesties aan de orde komen, wordt daaraan aandacht geschonken bij de bespreking van de desbetreffende klachten.
- Opmerkingen ter vereenvoudiging van de afdoening 2.1 De onderhavige zaak vertoont in zoverre een kenmerkend < 1 > verschil met de parallel zaak dat het hier gaat om Engelse dochterondernemingen en om een in de Engelse taal gestelde prospectus. De geëerde steller van het middel heeft er op gewezen dat 's Hofs arrest op zijn "Britse opdrachtgevers" "geheel onbegrijpelijk is overgekomen" (s.t. onder 1.1). 2.2 De Leyland-vennootschappen hebben er in cassatie aandacht voor gevraagd dat hun crediteuren het gelag betalen (s.t. onder 1.5). Die stelling is niet zonder meer duidelijk. In de procedure in feitelijke aanleg is niet uit de verf gekomen of de Leyland-vennootschappen in staat van faillissement zijn verklaard dan wel of het Engelse equivalent van de Nederlandse surséance van betaling is verleend. Daarmee is vooralsnog zeker niet ondenkbaar dat degenen die, om de terminologie van mr Van Staden ten Brink aan te houden, het gelag betalen veeleer de aandeelhouders van de Leyland-vennootschappen zijn. Waarom zou dat onrechtvaardig zijn? Het ging destijds immers om zekerheden ten behoeve van leningen die voor het gehele DAF-concern waren bestemd. 2.3 De Leyland-vennootschappen hameren er voorts, gepafraseerd weergegeven, op dat hun crediteuren er niet op bedacht waren dat de zekerheden waren uitgehold (s.t. onder 1.6). Ik wil dat best aannemen, maar is zulks beslissend? Naar Nederlands recht zeker niet. Het komt zo vaak voor dat debiteuren alle denkbare activa aan banken en andere financiers tot zekerheid hebben gegeven (of eenvoudigweg door mismanagement of anderszins hebben verkwist). Dat een specifieke groep crediteuren er met de zekerheden vandoor gaat, is voor anderen inderdaad niet erg aantrekkelijk, maar per saldo beschouwt zowel onze wetgeving als onze rechtspraak dat - schaarse uitzonderingen daargelaten - niet als onaanvaardbaar. Ook in andere landen is zo'n benadering, naar ik meen, allerminst onbekend. 2.4 Het voert te ver - en zou bovendien een onderzoek van feitelijke aard vergen - uit te zoeken of het Engelse recht op dit punt wezenlijk anders is, in dier voege dat de mogelijkheden om zekerheden te verschaffen beperkter zijn.<
(1)Vermoedelijk is de situatie in Engeland niet wezenlijk anders; zie bijv. Penningston's Company Law (7e dr. 1995) blz. 555 e.v.> Het had op de weg van Leyland-vennootschappen gelegen om daaromtrent concrete gegevens aan te dragen. Zij hebben dat nagelaten, naar mag worden aangenomen omdat de situatie in Engeland niet essentieel verschilt. 2.5 Tussen de (talloze) klachten in de zaken C 99/054 en de onderhavige zaak bestaan weinig verschillen<
(2)Zie de s.t. van mr Van Staden ten Brink onder 1.1.>, zij het dan ook dat de klachtenregen in deze zaak nog wat groter is.<
(3)Mr Snijders wijst daar in zijn s.t. in de zaak met rolnr. C 99/051 met juistheid op; onder 1.8.> Uit praktische overwegingen meen ik daarom goeddeels naar bedoelde parallel conclusie te kunnen verwijzen. 2.6.1 Voorzover nodig - dat is slechts op beperkte schaal het geval - wordt tevens aandacht geschonken aan betrekkelijk ondergeschikte punten van verschil. 2.6.2 In het bijzonder met betrekking tot het derde middel is in de zaak met rolnr. C 99/054 aandacht besteed aan de rol van Ofasec en de betekenis van de in dat middel aan de orde gestelde rechtsvragen voor financieringstransacties in meer algemene zin. Bij de bespreking van het derde middel in de onderhavige zaak moet onder ogen worden gezien of de uiteenzettingen in de zaak Ofasec/NTM zonder meer naar de onderhavige zaak kunnen worden getransponeerd. 2.7 Opmerking verdient nog dat de gevolgen van een andere uitkomst van deze zaak en de zaak met rolnr. C 99/054 moeilijk kunnen worden overzien. In een lawyer's paradise zou dat een aantrekkelijk vooruitzicht zijn; in het rauwe leven van alledag is het een weinig bekoorlijk perspectief. Er moeten daarom klemmende redenen zijn daartoe te geraken. Die zijn er m.i. niet. 2.8 In deze procedure is ervoor gekozen om één middel te formuleren dat uiteenvalt in een lange reeks onderdelen, subonderdelen en verdere onderverdelingen. Uit praktische overwegingen houd ik het ervoor dat sprake is van zes middelen (I-VI).
- Bespreking van middel I 3.1.1 De klachten van het eerste middel falen in essentie op de gronden vermeld in de parallel conclusie (C 99/054) onder
- Hieronder wordt slechts ingegaan op die klachten die inhoudelijk iets toevoegen of die in relevant opzicht afwijken. 3.1.2 Voorzover in de klachten slechts de formulering enigszins anders is zonder dat zij in materieel opzicht een nieuw gezichtspunt aan de orde stellen, ga ik er niet op in. 3.2 Onderdeel 1d strekt ten betoge dat 's Hofs interpretatiemethode in rov. 5.5-5.7 conflicteert met zijn oordeel in rov. 5.9 dat de inhoud van rechten en verplichtingen uit obligaties uit het toonderpapier kenbaar moeten zijn. 3.3 Het onderdeel faalt omdat het feitelijke grondslag ontbeert. In rov. 5.9 brengt het Hof tot uitdrukking dat uit het toonderpapier had moeten blijken van eventuele verschillen in behandeling van de Engelse en de Nederlandse obligatiehouders. Daarmee wil niet gezegd zijn dat, in 's Hofs visie, deze toonderstukken bij uitsluiting van andere stukken de rechten van de obligatiehouders bepalen. Een dergelijke stelling zou trouwens onjuist zijn, zoals in de parallel conclusie onder 4.4 aangegeven. 3.4 De onderdelen 2a-2e wijken af van de onderdelen 2a-2c van die in de zaak met rolnr. C99/
- Zij zijn evenwel geen beter lot beschoren. 3.5 Onderdeel 2a klaagt erover dat het Hof heeft miskend dat het slechts aankomt op de vraag hoe de contracterende partijen de voorwaarden hebben begrepen. Deze klacht faalt omdat in deze benadering kennelijk zonder belang wordt geacht hoe degenen die het geld daadwerkelijk ter beschikking stellen deze voorwaarden hebben begrepen (naar met name de debiteur/uitgevende instelling heeft moeten begrijpen). 3.6 Het lijkt mij duidelijk dat deze opvatting niet juist kán zijn. In extremis: de contractpartijen zijn het eens over iets wat onmiskenbaar (en voor de beleggers zeer nadelig) afwijkt van de voorwaarden in onder meer de prospectus. De door de Leyland-vennootschappen gepropageerde stelling zou er dan - doorgedacht - toe leiden dat de beleggers zijn gebonden aan de voor hen niet kenbare bedoeling van de contractpartijen. Dat is uiteraard niet het geval. 3.7 De onderdelen 2b en 2c voegen - voorzover zij al iets behelzen wat niet in onderdeel 2a besloten ligt - niets wezenlijks toe aan die besproken in de parallel zaak. 3.8.1 Onderdeel 2d beklemtoont het "abstracte karakter" van het toonderpapier. Wat het onderdeel daarmee nauwkeurig wil zeggen is niet ten volle duidelijk. Zie ik het goed, dan menen eiseressen tot cassatie dat onjuist is de opvatting dat de latere verkrijgers anders zouden worden behandeld dan hun voorgangers. Die opvatting onderschrijf ik in haar algemeenheid. Ik moge verwijzen naar hetgeen ik daaromtrent in de parallel conclusie onder 4.4 heb opgemerkt.<
(4)Ter ondersteuning van hun stellingen doen de Leyland vennootschappen beroep op een bijdrage van S.C.J.J. Kortmann in Converteerbare obligaties en aandelen (blz. 25). Ik vraag mij af of daaruit wel steun voor hun standpunt kan worden geput. > 3.8.2 Volgens mr Van Staden ten Brink zou een obligatie een "hazardeus papier" worden wanneer de koper van een ter beurze verhandelde obligatie "volledig in de schoenen van zijn voorganger treedt". Dan zou, nog steeds volgens de s.t., iedere afzonderlijke verkrijger "gehaviltext" moeten worden (s.t. onder 2.13). 3.8.3 Dat klinkt inderdaad verschrikkelijk. Maar enerzijds wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend en anderzijds kleven aan de door de Leyland-vennootschappen voorgestane benadering eveneens aanzienlijke nadelen. In hun visie is kennelijk zonder belang wat in de prospectus staat en doen eventuele verschillen tussen een trustakte en de prospectus niet ter zake. Ik kan geen goede reden bedenken waarom deze stukken, die met recht en reden worden vervaardigd en die de basis vormen voor de eerste beleggers om op de stukken in te tekenen zonder belang zouden zijn. De interpretatie die de eerste beleggers aan deze stukken geven bepaalt mitsdien ten minste mede het succes van de lening en daarmee ook de prijs van de obligaties. 3.8.4 De opvatting van de Leyland-vennootschappen ten einde doorgedacht, lijkt het er zelfs op dat een foutieve vermelding van de trustakte op de achterzijde van het "hazardeuze papier" beslissend zou worden. 3.8.5 De onder 3.8.2 verwoorde benadering ziet er voorts aan voorbij dat degene die een obligatie ter beurze koopt in het gunstigste geval de obligatie in fysieke zin eerst geruime tijd later krijgt. Zou hij van de op de achterzijde afgedrukte tekst al willen kennisnemen, dan kan hij dat eerst na de transactie. Reeds deze omstandigheid bestempelt de opvatting die de Leyland-vennootschappen ingang willen doen vinden tot onaantrekkelijk. Dat geldt a fortiori wanneer wordt bedacht dat, bij mijn weten, van obligaties en soortgelijke waardepapieren zelden evenzovele stukken worden gedrukt als er worden uitgegeven. In de huidige tijd ligt dat in de rede. Bewaring van de fysieke stukken is in onbruik geraakt, vergt teveel onnodige rompslomp (zoals het feitelijk knippen van coupons!) en is volstrekt overbodig geworden. Dat het, bij deze stand van zaken, aan zou komen op het "abstracte karakter van het toonderpapier" roept een papieren tijger in het leven. In fysieke zin is deze - om aan te sluiten bij de beeldspraak van mr Van Staden ten Brink - niet gevaarlijk; het is wel een fantoom dat ware te bestrijden. 3.9 Onderdeel 2e komt overeen met onderdeel 2c in de parallel zaak en faalt op gelijke grond. 3.10.1 Onderdeel 3b (in verband daarmee vernummeren de onderdelen 3b en 3c uit C99/054 in deze zaak tot 3c en 3d) heeft betrekking op een pretense tegenstrijdigheid in 's Hofs gedachtegang. Zie ik het goed, dan verwijt het onderdeel het Hof dat het naast elkaar heeft geplaatst dat: a) het onaanvaardbaar zou zijn wanneer de voorwaarden van de obligatielening ten opzichte van de onderscheiden betrokkenen verschillend zouden worden uitgelegd; b) op grond van de Engelse tekst (meer in het bijzonder het woord Company) een afwijkend resultaat kan worden bereikt. 3.10.2 Volgens de Leyland-vennootschappen is de onder a verwoorde opvatting in beginsel juist. 3.11 Tegen de achtergrond van het onder 3.10.2 gekozen uitgangspunt van de Leyland-vennootschappen ontvalt het belang aan de klacht. Het ligt in de rede - en de Engelse beleggers moeten dat ook hebben begrepen - dat als voor de uitleg een keuze moet worden gemaakt tussen de Nederlandse en de Engelse tekst de Nederlandse prevaleert; het gaat immers om een Nederlandse debiteur die op de Nederlandse en gedeeltelijk ook buitenlandse markt geld leent.<
(5)De s.t. van mr Van Staden ten Brink ziet dat m.i. over het hoofd (zie met name onder 3.3).> De Nederlandse tekst brengt mee - zoals in de parallel zaak onder 4 uiteengezet - dat moet worden uitgegaan van een ruim pari passu-recht in de optiek van beleggers. Dat ligt, ook in de redenering van de Leyland- vennootschappen, niet anders voor de Engelse tekst (en de Engelstalige beleggers). Dit blijkt uit verschillende passages in de tekst van de prospectus. 3.12.1 Naar ik begrijp voert het onderdeel voorts aan dat de term "company" in de Engelstalige prospectus het Hof ertoe had moeten aanzetten te onderzoeken of "de perceptie van het begrip Company niet tot de enge uitleg van [het pari passu- recht] moet leiden". 3.12.2 In de s.t. (sub 3.1) stelt mr. Van Staden ten Brink dat "vriend en vijand (...) het erover eens [zijn], dat alleen het Nederlandse woord "onderneming" mogelijk aanleiding tot dispuut kan geven (...). Bij het Engelse woord "Company" is die onzekerheid er niet. [Daarmee] kan nooit het hele concern bedoeld zijn." 3.13 De klacht miskent 's Hofs gedachtegang. Zijns inziens valt uit het geheel van de in rov. 5.7 opgesomde omstandigheden af te leiden dat sprake is van een ruim pari passu-recht, ook wanneer de enkele term Company in andere richting zou wijzen. Volgens het Hof is er immers geen reden om doorslaggevende betekenis aan deze term te hechten, wat er ook zij van de vraag of deze - geïsoleerd bezien - wijst op een eng of een ruim pari passu-recht. Deze gedachtegang is zeker niet onbegrijpelijk en geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting; waarom dat anders zou zijn wordt in het onderdeel niet (op een wijze die voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.) uit de doeken gedaan. 3.14.1 Te allen overvloede wijs ik nog op het volgende. Niet ten onrechte wijzen de Leyland-vennootschappen er op dat het bij de Engelstalige prospectus niet slechts gaat om - wat wordt aangeduid als - "Britse beleggers" (sub 3.3). Zij laten evenwel na om daaruit de voor de hand liggende consequentie te trekken. 3.14.2 Een eventueel onderzoek naar de vraag wat een lezer van de Engelse tekst onder "Company" verstaat, hangt allicht (mede) af van zijn eigen rechtsstelsel. Dat behoeft geen Engels recht te zijn; bovendien is aan twijfel onderhevig - het had op de weg van Leyland-vennootschappen gelegen om daarover concrete gegevens te verschaffen - of onder Company hetzelfde wordt verstaan in bijvoorbeeld het Engelse en het "Amerikaanse" recht, waarbij nog zij aangestipt dat het Engelse recht slechts in een deel van het Verenigd Koninkrijk geldt. 3.14.3 Volledigheidshalve: het is m.i. onduidelijk of werkelijk gezegd kan worden dat het begrip "company", Engels recht, eenduidig is.<
(6)Vgl. Charlesworth & Morse, Company Law (14e dr. 1991) blz. 5 e.v.; Palmer's Company Law, Volume 1
(1982)blz. 3 e.v.> Dat is intussen, naar het mij toeschijnt, een vraag naar de uitleg van buitenlands recht waartoe de Hoge Raad niet geroepen is (art. 99 lid 1 onder 2 Wet RO). 4. Bespreking van middel II 4.1 De klachten van het tweede middel kunnen - schoon ten dele gegrond - niet tot cassatie leiden. Ik moge daarvoor verwijzen naar de parallel conclusie onder 5.6 en 8.2. 4.2 De slotklacht van onderdeel 2.1 is nieuw. Deze klacht strekt ten betoge dat het Hof nader had moeten motiveren waarom voor de DAF-dochters niet zou gelden hetgeen voor NTM en DAF geldt, namelijk dat deze partijen tot kort voor de aanvang van deze procedure zijn uitgegaan van een eng pari passu-recht. 4.3 In het licht van hetgeen in de parallel conclusie onder 5.14 is opgemerkt behoeft deze klacht - die gegrond is - geen afzonderlijke bespreking. 4.4 Onderdeel 3.2 komt in essentie overeen met onderdeel 3.1 vanaf "Bovendien" in de parallel zaak (tweede alinea). klacht hield ik voor gegrond (zie de parallel conclusie onder 5.19 - 5.21). Hetzelfde geldt voor de in deze zaak geformuleerde klacht. Het kan de Leyland-vennootschappen evenwel niet baten omdat de tweede pijler van 's Hofs arrest vruchteloos wordt bestreden; zie onder 4.1. 5. Bespreking van middel III 5.1 Het middel faalt op de gronden in de parallel conclusie vermeld onder 6, voor partijen als de Leyland-vennootschappen nader uitgewerkt in mijn conclusie in de zaak met rolnr. C 99/051 onder 6.5. De aanvullende klachten treffen hetzelfde lot. 5.2 Onderdeel 1.6.a behelst een nieuwe klacht: het verwijt het Hof in rov. 5.40 te kort te zijn geschoten in zijn motivering indien het van oordeel zou zijn dat op bepaalde zekerheden buitenlands recht toepasselijk is. 5.3 Ook deze klacht ziet er aan voorbij dat rov. 5.40 betrekking heeft op een verweer van de curatoren. De Leyland- vennootschappen hebben hierbij geen belang. 5.4 Onderdeel 2.2 behelst eveneens een nieuwe klacht; in verband daarmee vernummert onderdeel 2.2 uit zaak C99/054 naar onderdeel 2.3. 5.5 Alvorens de klacht te kunnen bespreken, lijkt het goed terug te grijpen op de parallel conclusie (het daarin genoemde onderdeel 2.1 komt in essentie overeen met hetzelfde onderdeel in de onderhavige zaak). Onderdeel IIIB.2.1 in die zaak strekt ten betoge dat het Hof niet (in voldoende mate) duidelijk maakt wat het bedoelt met de "gekozen opzet" en met het van "administratieve en procedurele aard" en slechts "instrument" zijn van de Administration Conditions (rov. 5.34, 5.36, 5.38 en 5.40). Het onderdeel voert verder aan dat 's Hofs overwegingen in ieder geval tegenstrijdig zijn. 5.6 Zoals aangegeven in de parallel conclusie faalt deze klacht. Onder 6.2 - 6.8 werd daarin betoogd dat 's Hofs oordeel wel degelijk begrijpelijk is en voldoende inzicht biedt in zijn gedachtegang. 5.7 Hier komt bij dat, volgens het Hof, de oprichting van Ofasec en de totstandkoming van de Administration Conditions en de borgtochtovereenkomsten zijn te beschouwen als een middel om uitvoering te geven aan de in de DSA neergelegde verplichting tot zekerheidstelling. Het is dan ook alleszins begrijpelijk dat het Hof de Administration Conditions en de borgtochtovereenkomsten aanmerkt als een "instrument om tot verwezenlijking van de gekozen opzet te geraken"; zij roepen geen nieuwe (materiële) rechten voor de DAF-crediteuren in het leven. De enige taak van Ofasec was om aan iedere crediteur van DAF te geven waarop hij recht had. Het Hof benadrukt bij dit alles dat deze constructie is gekozen met het oog op het feit dat niet duidelijk was welke crediteur welke (zekerheids)rechten kon uitoefenen (rov. 5.38 en 5.40). 5.8 Het Hof heeft kennelijk bedoeld te zeggen dat de borgtochtovereenkomsten en de Administration Conditions noodzakelijke instrumenten waren om Ofasec tussen de DAF- crediteuren en de DAF-vennootschappen te kunnen schuiven. Dit verklaart tevens dat het Hof de borgtochtovereenkomsten en de Administration Conditions betitelt als instrumenten van administratieve en procedurele aard. Zij zijn slechts bedoeld om er voor te zorgen dat de DAF-vennootschappen zekerheden aan Ofasec zouden kunnen verschaffen, waarna de DAF-crediteuren zich tot Ofasec zouden kunnen wenden voor de nakoming van de verplichtingen van DAF. Dit is ook wat het Hof bedoelt met de "gekozen opzet". 5.9 Onderdeel 2.2 in de onderhavige zaak vergt van het Hof dat het "minstgenomen nadere uitleg (geeft) of, in hoeverre waarom, NTM/obligatiehouders volgens het Hof reeds op grond van een (volgens het Hof juiste [...]) interpretatie van de Administration Conditions en/of de borgtochtacte(
- n)in de opbrengst van de andere funds zouden mogen meedelen, dan wel of daartoe "herstel van een fout", wijziging van het overeengekomene resp. nadere wilsovereenstemming noodzakelijk zou zijn". Volgens het onderdeel is het onderscheid alleszins relevant, in welk verband worden genoemd: 1) het oogpunt van een genoegzame motivering, 2) de onderscheiden juridische criteria en 3) de gevolgen, zoals de toepasselijkheid voor de pauliana. 5.10 Voorzover het onderdeel erover bedoelt te klagen dat het Hof zijn oordeel baseert op zijn interpretatie is de klacht mij niet goed duidelijk. Rechters bouwen veelal voort op hun interpretatie; dat geldt voor overeenkomsten, wetten en zoveel anders. Vervolgens nemen zij (veelal) aan dat deze interpretatie juist is en dat partijen daar ook van uitgingen. Waarom deze gebruikelijke gang van zaken onjuist zou zijn wordt niet aangegeven. Het valt ook niet in te zien. Bezwaren dienen tegen de interpretatie als zodanig te worden ingebracht. 5.11 Voor het overige zien de Leyland-vennootschappen eraan voorbij dat 's Hofs gedachtegang, zoals weergegeven onder 5.7 en 5.8, allerminst onbegrijpelijk is. De klacht stuit daarop af. De onder 5.9 onder 2 en 3 genoemde gezichtspunten moeten blijven rusten; de klacht voldoet in zoverre niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. 5.12 Onderdeel 3.1 is opgesplitst in een
- a)en een
- b)onderdeel. Onderdeel 3.1a is nieuw. Onderdeel 3.1b komt overeen met onderdeel 3.1 uit zaak C99/054, onder toevoeging van een m.i. onbeduidend slotklachtje. 5.13 Onderdeel 3.1a neemt tot uitgangspunt dat sprake zou zijn van "een onverplicht honoreren van een betreffend verzoek", d.i. het verzoek om een fout te herstellen. Deze opvatting wordt door het Hof niet gehuldigd; daarop loopt het onderdeel stuk. Ik veroorloof mij te verwijzen naar de parallel conclusie onder 6.2 - 6.8. 5.14 Onderdeel 3.6a en 3.6b behelst twee nieuwe (en uitvoerige) klachten tegen rov. 5.51 en rov. 5.52. Onderdeel 3.6a verwijt het Hof te hebben miskend dat overeenkomsten partijen nu eenmaal tot wet strekken en dat dit dus ook geldt voor "de Ofasec-structuur". Deze zou een afstand van recht inhouden waarop niet kan worden teruggekomen. 5.15 Het onderdeel faalt. Het Hof heeft - samengevat - overwogen dat alle partijen (waaronder DAF en de banken) op de hoogte waren van het (ruime) pari passu-recht. Bij die stand van zaken is volstrekt begrijpelijk dat het college niet licht heeft willen weten van een afstand door NTM van rechten van de obligatiehouders. Nog geheel daargelaten dat niet valt in te zien (en door het onderdeel dan ook niet wordt betoogd) waarom NTM een zodanige bevoegdheid zou hebben en (
- of)de andere betrokkenen redelijkerwijs hebben kunnen denken dat zij deze had; zie nader de parallel conclusie onder 6.44, 6.57 en 6.72. 5.16 Onderdeel 3.6b verwijt het Hof te veel nadruk op het nadeelvereiste te hebben gelegd. Volgens de Leyland- vennootschappen hebben Ofasec c.s. er op vertrouwd althans kunnen vertrouwen dat NTM haar eventuele rechten op "het andere of meerdere met de acceptatie van de Ofasec-structuur opgaf". 5.17 Aldus raakt het onderdeel m.i. de kern van de kwestie. Zoals onder 5.15 reeds vermeld (en in de parallel conclusie t.a.p. nader uitgewerkt) vind ik het allerminst aannemelijk dat Ofasec en de haren zouden hebben gemeend dat NTM de rechten van de obligatiehouders prijsgaf; noch ook is plausibel dat zij zulks hebben kunnen (en zo voeg ik toe: mogen) denken. Het minste wat Ofasec c.s. in dit verband hadden moeten doen is uiteenzetten dat en waarom zij hebben gedacht dat NTM een dergelijke vergaande - en gezien haar taak a prima vista volstrekt onjuiste en ongerechtvaardigde - stap zou hebben gezet. Nu te dezer zake (zeker ook in het middel) een (overtuigend) exposé geheel ontbreekt<
(7)Al was het maar door een verwijzing naar de stukken in feitelijke aanleg.>, is het onderdeel gedoemd te stranden. 5.18 Onderdeel 3.7 aanhef en onder a wijkt af van onderdeel 3.6 in de parallel zaak. Het kan niet tot een voor de Leyland- vennootschappen gunstiger resultaat leiden. Het onderdeel onder a grijpt terug op de klacht III.3.2.b. Deze faalt op de gronden vermeld in de parallel conclusie onder 6.55 - 6.58. 5.19 Volledigheidshalve zij nog aangestipt dat de Leyland- vennootschappen (in laatst bedoeld onderdeel) als uitgangspunt kiezen dat de situatie niet duidelijk was voor alle betrokken partijen (zie met name onder (a)). Zij hielden er klaarblijkelijk rekening mee dat sprake was van een ruim pari passu-recht. Dat zo zijnde behoeft veel toelichting dat en waarom NTM - die slechts een der partijen was en op wier inzichten het niet alleen aankwam - een standpunt zou kunnen innemen dat
- a)nadelig was (kon zijn) voor de obligatiehouders, terwijl
- b)daar niets tegenover stond van de zijde van de andere partijen. Ofasec c.s. hebben zich te dezer zake in een veelzeggend stilzwijgen gehuld. Dat breekt hen thans op, als sterke argumenten al voorhanden waren. 6. Bespreking van middel IV 6.1 Het vierde middel is gericht tegen rov. 5.54. en 5.55. Deze overwegingen hebben betrekking op een verweer van de curatoren. 6.2 Het Hof heeft er, naar mag worden aangenomen uit praktische overwegingen, voor gekozen om een verzamelarrest te wijzen tussen alle betrokken partijen. Deze opzet kan er uiteraard niet toe leiden dat specifieke overwegingen met betrekking tot bepaalde partijen door andere partijen kunnen worden bestreden. Het middel stuit daarop af. Daarbij legt geen gewicht in de schaal of Ofasec bij het verweer al dan niet belang heeft. Cassatie is niet de geëigende plaats om zulks in stelling te brengen. 6.3 Ten overvloede: de pauliana-klachten heb ik besproken en ongegrond bevonden in de zaak met rolnr. 99/051 (curatoren/NTM) onder 7. 7. Bespreking van middel V 7.1 Het vijfde middel heeft betrekking op de rov. 5.47-5.50 waarin het Hof het beroep van de Leyland-vennootschappen op een "andere behandeling" verwerpt. 7.2 Onderdeel 1 bevat een inleiding; onderdeel 2 klaagt er, naar ik begrijp, allereerst over dat het Hof niet duidelijk heeft gemaakt of het Engels dan wel Nederlands recht (dan wel beide) heeft toegepast. 7.3 De klacht richt zich klaarblijkelijk tegen rov. 5.50. Voorzover deze overweging al niet is te beschouwen als een overweging ten overvloede, is zij geenszins onbegrijpelijk. Het Hof heeft in navolging van de door de Leyland- vennootschappen overgelegde Legal Opinion (rov. 5.47) - in cassatie begrijpelijkerwijs niet bestreden - geoordeeld dat op de Mortgage Debentures Engels recht toepasselijk is (rov. 5.50). Daarnaast heeft het Hof in rov. 5.50 vastgesteld dat in de Administration Conditions een rechtskeuze voor het Nederlandse recht is uitgebracht. Ook deze rechtskeuze is in cassatie niet als zodanig bestreden. Onduidelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn deze constateringen allerminst. 7.4 Mogelijk acht het onderdeel het ongerijmd dat op het complex van rechtsverhoudingen zowel Nederlands als Engels recht toepasselijk is. Niet valt in te zien waarom dat het geval is. Zelfs op één rechtsverhouding kunnen partijen door middel van een rechtskeuze meer dan één rechtsstelsel van toepassing verklaren. Dit blijkt bijvoorbeeld voor internationale overeenkomsten uit art. 3 lid 1 EVO, volgens welke bepaling het partijen vrijstaat een rechtskeuze uit te brengen die slechts betrekking heeft op een onderdeel van de overeenkomst; hetzelfde geldt voor de rechtskeuze ten aanzien van een trust (art. 9 Trustverdrag). Niet valt in te zien waarom zulks in het onderhavige geval - dat zich kenmerkt door diverse onderling samenhangende overeenkomsten en zekerheidverstrek-kingen - anders zou liggen. 7.5 Daar komt bij dat het onderdeel 's Hofs gedachtegang miskent. Het college oordeelt dat de verplichtingen uit de Administration Conditions vallen onder de Mortgage Debenture. De inhoud van de Administration Conditions wordt door Nederlands recht beheerst; datzelfde geldt daarmee voor de betekenis die zij onder de vigeur van de Mortgage Debenture hebben. Daarmee zegt het Hof - terecht - niet dat de Mortgage Debenture zelf mede door Nederlands recht wordt geregeerd. 7.6 Onderdeel 3 heeft betrekking op 's Hofs oordeel in rov. 5.48 dat NTM/de obligatiehouders "carry an entitlement", dan wel "are entitled" "to participate under the Administration Conditions" in de fondsen van de Leyland-vennootschappen. Het Hof zou hebben miskend dat het voor een dergelijk oordeel - naar Nederlands recht - aankomt op de bedoeling van partijen en op hetgeen zij redelijkerwijze aan het overeengekomene mochten toekennen. Daarom komt het niet aan op een "met de DSA conforme interpretatie van de Administration Conditions". Het is, volgens het onderdeel, onvoldoende duidelijk of het Hof deze maatstaf heeft aangelegd en of het een onderzoek naar de partijbedoelingen heeft ingesteld. 7.7 Geklaagd wordt, naar ik begrijp, over de uitleg van de Mortgage Debentures. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het aanneemt dat hierop de Nederlandse Haviltex-formule dient te worden losgelaten. Immers, het betreft hier een document betreffende zekerheidstelling waarop Engels recht toepasselijk is. Over de vraag of het Hof naar Engels recht een juiste maatstaf voor de uitleg heeft aangehouden, kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd. Voorzover het onderdeel klaagt over een onbegrijpelijke motivering en deze klachten betrekking hebben op vragen van feitelijke aard, wordt verzuimd aan te geven waarom 's Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd zou zijn. 7.8 Voorzover het onderdeel nog wil voortbouwen op de "generale klachten" moet het het lot daarvan delen. Dat behoeft geen afzonderlijke bespreking. 8. Bespreking van cassatiemiddel VI 8.1 Onderdeel VI.1 strekt ten betoge dat de rov. 8.2, 8.3, 8.4 en 10 geen stand kunnen houden op grond van de hiervoor aangevoerde klachten. Het onderdeel faalt ten aanzien van rov. 8.2 omdat de middelen I-V tevergeefs worden voorgedragen. 8.2 De goede zin van de klacht tegen rov. 8.3 (de vordering van NTM tegen ABN AMRO) en 8.4 (de vordering van Thunnissen) ontgaat mij. De klacht mist in zoverre belang. 8.3 Onderdeel VI.2 behelst geen klacht. 8.4 Onderdeel VI.3 bevat slechts een klacht ter bewaring van rechten. De klacht bouwt voort op de hiervoor in essentie ongegrond bevonden klachten. Het onderdeel faalt daarom eveneens. 8.5 Onderdeel VI.4 kant zich ten dele tegen de verwerping van een verweer van ABN AMRO (rov. 10.3) en is daarom zonder belang. Voor het overige is het onderdeel ongegrond op de onder 8.4 genoemde grond. 8.6 Onderdeel VI.5 borduurt voort op de klachten van onderdeel V en is hetzelfde lot beschoren. Conclusie Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal