Mr Jörg Nr. 2719/00 Zitting 16 januari 2000 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(1)toen aldaar, nadat hij die moeder (nl. [het slachtoffer], NJ) meerdere stroomstoten met een stroomstootwapen had toegediend en verdachtes mededader de enkels van die moeder met tape had vastgebonden, opzettelijk die minderjarige, () meegenomen." Onder 2 is bewezenverklaard dat hij "opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [het slachtoffer]) met een stroomstootwapen stroomstoten heeft toegediend en die persoon aan de haren de gang van haar woning heeft ingetrokken/ingesleept en bij die persoon de keel heeft dichtgedrukt/dichtgehouden en de ogen en de neus en de mond van die persoon met tape heeft afgeplakt, waardoor deze persoon pijn heeft ondervonden."
- Uit de omstandigheid dat in het eerste feit medeplegen is bewezen is verklaard, en in het tweede feit slechts het plegen, gevoegd bij het feit dat enigszins andere geweldsaspecten zijn omschreven zou men kunnen opmaken dat het hof tussen beide feiten een zodanig verschil ziet dat niet van één feit in de zin van art. 55 Sr sprake is, en dat het onder 2 bewezenverklaarde geweld niet instrumenteel is voor de onttrekking van feit 1, en een zelfstandig verwijt vormt.
- Echter, in het licht van de bewijsmiddelen meen ik dat een andere conclusie meer voor de hand ligt. Het slachtoffer verklaart namelijk dat zij na het binnenlaten van verzoeker op een gegeven moment prikkels in haar rug voelde en een knetterend geluid hoorde; dat zij met kracht op de bank werd geduwd en dat verzoeker doorging met het haar bewerken met de stroomstok; dat verzoeker haar vervolgens bij de keel greep en deze met kracht dichtdrukte, waardoor zij bijna geen adem meer kon krijgen; dat zij vervolgens met de haren in de richting van de gang werd getrokken; dat vervolgens haar hoofd door verzoeker werd ingetapet; dat zij vervolgens een tweede man in de woning zag staan, en dat deze haar enkels aan elkaar tapete. Ze voelde vervolgens tape voor haar ogen, haar neus en haar mond, waardoor ze het erg benauwd kreeg. Daarna vertrokken beide mannen met haar zoontje.
- In het licht van deze verklaring meen ik dat het uitgeoefende geweld in zijn totaliteit bezien als instrumenteel voor het onttrekken kan worden beschouwd. Het hof heeft, om minder naspeurbare redenen, gemeend de rol van de mededader te moeten beperken tot het tapen, dit terwijl verzoeker, volgens zijn tot bewijs gebezigde verklaring, zelf verklaarde samen met twee anderen bij de woning van de moeder te zijn aangekomen en het hof het onttrekken met geweld ook in de vorm van medeplegen heeft bewezenverklaard.
- Naar mijn mening heeft het hof door in zijn weerlegging van het niet-ontvankelijkheidsverweer te spreken over het gronddelict zijn werkelijke bedoeling kenbaar gemaakt. De aanhaling van art. 57 in plaats van 55 Sr berust op een misslag. Voor de straftoemeting maakt dit geen verschil, aangezien het hof ruimschoots onder het in beide gevallen toepasselijke maximum is gebleven. Door de verbetering van de misslag door de Hoge Raad komt aan mijn bezwaar de grondslag te ontvallen.
- Aangezien beide middelen falen en ik ambtshalve geen gronden heb aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden moeten leiden, kom ik tot de conclusie dat het beroep moet worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Uit de tot bewijs gebezigde verklaring van verzoeker blijkt dat ze met z'n drieën waren.