Nr. 02587/00 Mr Machielse Zitting: 6 februari 2001 Conclusie inzake: J.R.M. Tjong-Kim- Sang Edelhoogachtbaar College,
(1)Vgl HR NJ 2000, 547, waarin het voertuig was gestolen, maar toch de verzekeringsplicht bleef bestaan, totdat door de kentekenhouder aangifte van de diefstal was gedaan, waardoor de tenaamstelling ongeldig werd verklaard. Vergelijk bovendien de zogenoemde "katvangers": personen die tegen betaling talloze auto's op hun naam laten zetten, zonder die voertuigen in hun bezit te hebben. >. Wanneer het motorvoertuig waarop het kenteken betrekking heeft in beslag is genomen, kan de kentekenhouder een schorsing van de registratie van het kenteken aanvragen (art. 67, eerste lid WVW 1994.). Daarmee wordt volgens art. 2 lid 3 WAM de verzekeringsplicht van de WAM ook geschorstopgeheven. Mocht het beslag worden opgeheven dan kan de registratie weer herleven. Op grond van artikel 50, eerste lid van het Kentekenreglement, dient de aanvrager van een schorsing het deel II van het kentekenbewijs, het overschrijvingsbewijs, alsmede een legitimatiebewijs over te leggen aan de Dienst Wegverkeer. Voor het geval het beslagen motorvoertuig nooit meer door de kentekenhouder in het verkeer gebruikt kan worden - omdat daarvan afstand is gedaan door de beslagenkentekenhoudere of omdat het voertuig verbeurd is verklaard of is onttrokken aan het verkeer -, resteert de mogelijkheid om aan de Dienst Wegverkeer op grond van artikel 40, tweede lid van het Kentekenreglement te verzoeken om de tenaamstelling te laten vervallen. Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen is op te maken dat op 14 februari 1998 de geldigheid van het kentekenbewijs niet was geschorst en dat het kenteken op die datum op naam van verdachte stond. Daarmee was verdachte nog < ? > steeds verzekeringsplichtig. 3.
- Het middel faalt dus. 4.
- Het tweede middel bevat de klacht dat verzoeker heeft vertrouwd op een aan hem gedane mededeling door de verbalisanten die zijn auto in beslag namen. Die mededeling zou hebben ingehouden dat die verbalisanten zouden zorgdragen voor de "verdere afhandeling van de zaak en alles wat daarmede in verband stond (oa. verzekering en de motortrijtuigen belasting)". Tengevolge van deze mededeling heeft verzoeker er op vertrouwd dat hij niet hoefde zorg te dragen voor beëindiging van de kentekenregistratie. 4.
- Het middel doet daarbij weer een beroep op een omstandigheid die op geen enkel moment in feitelijke aanleg als verweer naar voren is gebracht en in cassatie dan ook niet vaststaat. Daarom kan er in cassatie niet met vrucht over worden geklaagd. Verzoeker is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen en de rechters die over de feiten hebben geoordeeld hebben met deze omstandigheid dan ook geen rekening kunnen en moeten houdenwaren dan ook niet bekend met hetgeen thans in cassatie wordt aangevoerd. Het gaat om beweringen die in cassatie niet kunnen worden onderzocht. De Hoge Raad stelt immers zelf geen feiten vast, maar gaat uit van de feiten die door de lagere rechter zijn vastgesteld. Als verdachte zou zijn verschenen bij de rechtbank en daar het verweer had gevoerd dat hij heeft mogen vertrouwen op de mededeling van verbalisanten had de rechtbank op dat verweer moeten ingaan en zou de Hoge Raad zich wél over het verweer hebben kunnen buigen. 4.
- De kopie van de brief van de Belastingdienst met betrekking tot de terugbetaling van motorrijtuigenbelasting - die aan de appèlakte is gehecht - houdt niets in over wdat de rechter noopte tot een antwoordthans in cassatie wordt aangevoerd over een mededeling van verbalisanten. De uit deze brief blijkende omstandigheid dat de auto waarvoor de WAM-verzekering moest zijn afgesloten in beslag was genomen, doet immers, zoals ik hiervoor heb uiteengezet, niet ter zake. De klacht van verzoeker dat de rechters met die brief "niets gedaan hebben" faalt 4.
- Het tweede middel faalt eveneens.
- De middelen lenen zich overigens naar mijn smaak voor de zogenoemde 101a RO- afdoening.
- Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,