← Nederland

ECLI:NL:PHR:2001:AB1067

Rekest R00/073 mr. De Vries Lentsch - Kostense (Antilliaanse zaak) Zitting 12 januari 2001 Conclusie inzake [Verzoeker] tegen de Stichting Curatorenschap Onbeheerde Nalatenschappen in welke zaak tevens belanghebbenden zijn: - [Belanghebbende 1] - [Belanghebbende 2] - [Belanghebbende 3] - [Belanghebbende 4] - [Belanghebbende 5] - [Belanghebbende 6] - [Belanghebbende 7] Edelhoogachtbaar College,

  1. In deze Antilliaanse zaak hebben de hierboven opgesomde "belanghebbenden" [belanghebbende] c.s., bewoners van de plantage "[..]" op de voet van art. 1153 BW NA (= art. 1173 BW) het Gerecht in Eerste Aanleg verzocht de Stichting Curatorenschap Onbeheerde Nalatenschappen (thans verweerster in cassatie) tot curator te benoemen over de onbeheerde nalatenschap van [erflaatster], daartoe stellende dat de nalatenschap van deze [erflaatster], waartoe de door hen bewoonde plantage behoort, onbeheerd en nimmer afgewikkeld is alsmede dat zij als bewoners van genoemd perceel belang erbij hebben dat in het beheer van de nalatenschap wordt voorzien en dat de nalatenschap wordt afgewikkeld. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft dit verzoek bij beschikking van 28 januari 1999 toegewezen met de overweging dat uit de door de verzoekers verstrekte gegevens moet worden geconcludeerd dat niemand aanspraak maakt op de nalatenschap van [erflaatster].
  2. [Verzoeker] (thans verzoeker tot cassatie) is van deze beschikking in verzet gekomen, stellende dat hij - tezamen met zijn broers en zussen - erfgenaam is van [erflaatster], dat hij de nalatenschap wil beheren en dat derhalve geen sprake is van een onbeheerde nalatenschap. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft het verzet bij beschikking van 7/9 september 1999 ongegrond verklaard met de overweging dat [verzoeker] op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken dat hij een afstammeling is van [erflaatster].
  3. [Verzoeker] heeft van laatstgenoemde beschikking hoger beroep ingesteld. Bij eindbeschikking van 29 februari 2000 heeft het Gemeenschappelijk Hof het beroep van [verzoeker] gegrond verklaard; het heeft de beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van 28 januari 1999 vernietigd en opnieuw rechtdoende het verzoek van de oorspronkelijk verzoekers afgewezen. Het Hof overwoog daartoe dat is gebleken dat [verzoeker] dient te worden aangemerkt als erfgenaam van [erflaatster], alsmede dat de nalatenschap van deze [erflaatster] niet als onbeheerd kan worden aangemerkt nu [verzoeker] aanspraak maakt op deze nalatenschap en hij ter zitting heeft aangegeven deze nalatenschap te willen beheren. Ter voorkoming van misverstanden overwoog het Hof ten overvloede nog dat zijn beslissing niet impliceert dat [verzoeker] en zijn broers en zussen door het Hof worden aangemerkt als de enige rechthebbenden tot de nalatenschap van [erflaatster] dan wel tot de plantage [..].
  4. Hoewel aldus in het gelijk gesteld, heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld, daarbij met name opkomend tegen voormelde overweging ten overvloede en een daarmee samenhangende overweging. Dit beroep moet reeds daarom stranden omdat het niet tijdig is ingesteld. De onderhavige Antilliaanse verzoekschriftprocedure betreft immers een "buiten eigenlijk rechtsgeding"; ingevolge art. 286a Rv NA geldt hier een appèltermijn van 3 weken en ingevolge het bepaalde in art. 4 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen juncto art. 286a Rv NA moet cassatieberoep binnen negen weken na dagtekening van de bestreden beschikking worden ingesteld. De eindbeschikking van het Gemeenschappelijk Hof dateert van 29 februari
  5. Het cassatierekest is eerst op 29 mei 2000 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen; het cassatieberoep is dan ook niet tijdig ingesteld, zodat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep. Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.