Nr. R 00/161 en 00/162 HR Mr. Mok (rechtsweigering) Conclusie inzake de verzoeken van Parket, 2 februari 2001 F. REISS Edelhoogachtbaar college,
- Korte beschrijving van de zaak 1.
- Reiss, verzoeker, heeft op 5 december 2000 een tweetal verzoekschriften ingediend, die verwijzen naar art. 844 e.v. Rv. Deze hebben betrekking op rechtsweigering door de Centrale Raad van Beroep (CRB), subsidiair de president van dat college en meer subsidiair een met name genoemd lid van dat college. De verzoekschriften zijn ondertekend door verzoeker en door een procureur (art. 847, lid 2, Rv). De desbetreffende procureur is advocaat bij de Hoge Raad. 1.
- Op 28 december 2000 heeft verzoeker opnieuw een tweetal verzoekschriften ingediend. Dit zijn verbeterde versies van de op 5 december 2000 ingediende verzoekschriften. Ik beschouw de op 5 december 2000 ingediende verzoekschriften als ingetrokken en zal verder uitgaan van de op 28 december 2000 ingediende verzoekschriften<
(1). De art. 844 e.v. Rv kennen geen termijn waarbinnen het verzoek moet zijn ingediend. >. 1.3. Verzoeker heeft de Hoge Raad bij brief van 22 december 2000<
(2). ingekomen op 28 december 2000. > gevraagd de voeging van de verzoekschriften te bevelen. De algemene regels voor verzoekschriftprocedures (dus ook die inzake voeging) zijn, tenzij daarvan - quod non - uitdrukkelijk is afgeweken, op een verzoek op grond van de art. 844 e.v. Rv. van toepassing<
(3). HR 21 oktober 1929, NJ 1929, p. 1681-
- >. Verzoeker heeft slechts één procesdossier in beide zaken overgelegd; de verzoekschriften zijn beide gericht tegen (dezelfde leden van) de CRB. Ik zal de zaken derhalve gevoegd behandelen (art. 429m, lid 2, Rv.). 1.
- Verzoeker heeft op 22 augustus 1991 aan b. & w. van de gemeente Rijnwaarden een uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) aangevraagd. B. & w. hebben die aanvraag op 8 oktober 1991 afgewezen. Het be zwaar dat verzoeker daartegen heeft gemaakt is ongegrond verklaard. Zijn beroep bij de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen (provincie Gelderland) is op 26 mei 1992 eveneens ongegrond verklaard. 1.
- Vervolgens is verzoeker in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die Afdeling heeft het besluit van de commissie op 22 juli 1994 vernietigd. 1.
- De genoemde Commissie heeft op 1 maart 1995 een nieuw besluit genomen. < -? - > Dat besluit had betrekking op de periode 22 augustus 1991 tot 13 april 1994 en bepaalde onder meer dat over de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 aan verzoeker een gekorte RWW-uitkering werd verleend. 1.
- Verzoeker is op 20 maart 1995 van dit besluit in beroep gekomen bij de CRB. De CRB heeft het besluit op 13 juni 1995 vernietigd, daartoe overwegende dat de Commissie "uitsluitend een oordeel diende te geven omtrent het recht op bijstand naar aanleiding van de aanvraag van 22 augustus 1991", zodat zij - behoudens wat betreft de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 - buiten de grondslag van het beroep was getreden. Voor de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 heeft de CRB het besluit vernietigd omdat dit onvoldoende was gemotiveerd. 1.
- De Commissie heeft op 21 september 1995 een nieuw besluit genomen. Zij bepaalde dat verzoeker over de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 tijdelijk van het recht op uitkering werd uitgesloten. De president van de CRB heeft dit besluit op 21 december 1995 vernietigd en bepaald dat aan "verzoeker een ongekorte uitkering ingevolge de RWW" moest worden verleend, onder verre kening van reeds betaalde voorschotten. 1.
- Uit (o.m.) de brief die verzoeker op 27 december 1995 aan het college van b & w van Rijnwaarden heeft gezonden, volgt dat hij uit de uitspraak van de president heeft begrepen dat hij recht had op een ongekorte RWW-uitkering over de periode 22 augustus 1991-13 april
- Op 1 maart 1996 heeft genoemd college van b & w naar aanleiding van de uitspraak van de president van 21 december 1995 een nieuw besluit genomen. Dat besluit hield in dat verzoeker vanaf 22 augustus 1991 tot 9 april 1992 alsnog een ongekorte uitkering werd toegekend, dat zijn uitkering vanaf 9 april 1992 tot en met 17 augustus 1992 werd gekort en dat de uitkering vanaf 18 augustus 1992 werd beëindigd. 1.
- Tegen dat laatste besluit heeft verzoeker op 11 maart 1996 bezwaar gemaakt. Hij heeft dit bezwaarschrift evenwel op 21 april 1996 ingetrokken<
(4). Dit blijkt uit de uitspraak van de president van de CRB van 12 februari
- Het besluit van 1 maart 1996 heeft daardoor formele rechtskracht gekregen. >.
- Verdere gang van zaken 2.
- Verzoeker heeft zich vervolgens meermalen schriftelijk gewend tot de CRB. Hij wenste dat aan het college van b & w van Rijnwaarden een dwangsom werd opgelegd en dat het college werd veroordeeld het bedrag te betalen waarop hij meende recht te hebben. 2.
- Naar aanleiding van een klacht van verzoeker, inhoudend dat de CRB niet adequaat gereageerd zou hebben, heeft de president van dat college verzoeker op 7 oktober 1996 bericht dat de CRB uitsluitend uitspraak heeft gedaan over de periode 22 augustus 1991 tot en met 29 november 1991 zodat "alleen reeds daarom dezerzijds niet enige maatregel als door u voorgestaan kan worden getroffen". 2.
- Verzoeker heeft zich daarop onder meer gewend tot de rechtbank te Arnhem en de president daarvan. Aldaar zijn de door verzoeker gewenste maatregelen aan de orde geweest. De president heeft op 1 juli 1997 een verzoek om toepassing van art. 8:81 Awb afgewezen. De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard<
(5). Uitspraak van 24 oktober
- >. 2.
- Verzoeker heeft tegen deze laatste uitspraak hoger beroep ingesteld bij de CRB. Bij brief van 25 november 1997 heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening op de voet van art. 8:81 Awb. 2.
- De president van de CRB heeft het verzoek om toepassing van art. 8:81 Awb op 12 februari 1998 afgewezen. De CRB heeft de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 1997 op 23 juni 1998 bevestigd.
- Beroep op Hoge Raad 3.
- Verzoeker heeft zich vervolgens tot de Hoge Raad gewend. 3.2.
- In de zaak onder nr. R OO/161 HR heeft hij gesteld dat de CRB de oplegging van een dwangsom weigert. De CRB zou aldus niet hebben voldaan aan de schriftelijke verzoeken van 29 januari 1996, 14 februari 1996, 21 februari 1996, 10 maart 1996, 15 juli 1996, 1 augustus 1996, 7 november 1997, 25 november 1997, 6 maart 1998 en het mondeling verzoek van 12 mei 1998, welke verzoeker tot de CRB heeft gericht. 3.2.
- In de zaak met nr. R 00/162 HR betoogt verzoeker dat de CRB heeft geweigerd tijdig en volledig te beslissen op zijn verzoekschriften van 20 maart 1995, 2 oktober 1995, 15 juli 1996, 1 augustus 1996, 7 november 1997 (aanvulling 6 maart 1998) en 25 november 1997 en aldus heeft geweigerd te bepalen dat verzoeker recht heeft op een ongekorte RWW-uitkering over de periode 22 augustus 1991 tot 13 april
- 3.
- Verzoeker gaat ervan uit dat, nu het bestuursrecht geen procedure ter zake van rechtsweigering kent, de art. 844 e.v. Rv. op de CRB analoog moeten worden toegepast. 3.
- De Hoge Raad heeft geoordeeld<
(6). 4 april 1997, NJ 1997, 403 . > dat de gevallen waarin de Hoge Raad bevoegd is kennis te nemen van een rechtsvordering uit hoofde van rechtsweigering, bij uitsluiting zijn geregeld in art. 846, lid 2, Rv. Laatstgenoemde wetsbepaling noemt de (leden van de) CRB niet. Dat betekent dat de Hoge Raad in principe niet bevoegd is van de verzoeken van verzoeker kennis te nemen. 3.5. De vraag rijst of er - zoals verzoeker wil - grond bestaat de art. 844 e.v. Rv. in dit geval analogisch toe te passen. 3.6. De artt. 844 e.v. Rv. zijn een nadere uitwerking van het bepaalde in art. 13 van de Wet AB<
(7). Wet van 15 mei 1829, Stb. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk.. Zie ook de artt. 112 en 113 Gw. en art. 6 EVRM. >. De Wet AB bevat algemene beginselen, maar schept, anders dan verzoeker kennelijk meent, geen bevoegdheid. Deze bevoegdheid kan evenmin worden afgeleid uit het gegeven dat de wet voor bepaalde gevallen regelt (verzoeker noemt onder meer art. 139a Abw) dat de regels die van toepassing zijn op een gerechtshof van overeenkomstige toepassing zijn op de CRB. Integendeel, de omstandigheid dat de wetgever een zodanige regeling niet heeft getroffen ter zake van rechtsweigering pleit er juist tegen aan te nemen dat de wetgever een zodanige overeenkomstige toepassing op de CRB heeft gewild. 3.7. Het voorgaande betekent niet dat een rechtzoekende ingeval van rechtsweigering van (leden van) de CRB in het geheel geen middelen ten dienste staan. Op grond van art. 9 van de Beroepswet zijn de art. 11 tot en met 14e Wet RO van toepassing. Daaruit vloeit voort dat de president van de CRB een lid van zijn college bij het uitblijven van een uitspraak "de nodige waarschuwing te doen" (art. 14, lid 1, Wet RO). Voorts zal een rechtzoekende onder omstandigheden de Staat kunnen aanspreken tot schadevergoeding<
(8). Vgl. m.v.t. bij het wetsvoorstel tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, kamerst. [II 1999-2000], 26 855 p.
- >. 3.
- Ik zie dan ook geen reden om de artt. 844 tot en met 852 Rv., die blijkens het in noot 8 genoemde wetsvoorstel binnen afzienbare tijd moeten komen te vervallen<
(9). Zie vorige noot, art. 1.3.8 en de toelichting daarop, m.v.t., p.
- >, in de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing te verklaren. 3.
- Gezien het voorgaande, ben ik van mening dat de Hoge Raad zich op de voet van art. 429e Rv. onbevoegd zal dienen te verklaren op de hier aan de orde zijnde verzoekschriften uitspraak te doen. 3.
- Ten overvloede merk ik nog op dat er, gezien de in § 2.
- beschreven gang van zaken, geen sprake is van rechtsweigering in de zin van de art. 844 e.v. Rv.
- Conclusie Ik concludeer dat de Hoge Raad zich onbevoegd zal verklaren van de verzoeken kennis te nemen. De procureur- generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.