Nr. 1307 mr Wattel Derde Kamer B Onteigening Zitting 31 januari 2001 Conclusie inzake: [Eiser] tegen De Staat der Nederlanden en De Gemeente Zoetermeer Edelhoogachtbaar College, 1 Feiten en procesverloop 1.
(1)"Volgens art. 285 (Rv; PJW) kan ieder, die een 'belang' heeft in een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, vorderen zich daarin te mogen voegen of tussenkomen. In beide gevallen mengt een derde zich vrijwillig in de rechtsstrijd. In geval van voeging steunt hij een der partijen, terwijl hij zich bij tussenkomst zowel tegen de eiser als tegen de gedaagde stelt, die tegenover hem als eiser de positie van gedaagden innemen. Voorbeelden: de borg, (die; PJW) de schuldenaar steunt (voeging) en de derde, die in een een eigendomsprocedure beweert eigenaar te zijn (tussenkomst)." 3.2. In cassatie heeft [eiser] de Staat en Zoetermeer gezamenlijk gedaagd. In uw arrest van 30 september 1998 (Kloens c.s./Dordrecht en Groot q.q.), NJ 1999, 412, NJO 1999, 8, met conclusie Ilsink, overwoog u het volgende. "3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep Nu mr. V.J. Groot in de procedure voor de Rechtbank als tegenpartij van de Gemeente optrad, kan hij niet samen met de Gemeente als verweerder in deze cassatieprocedure worden betrokken, zodat eisers in hun cassatieberoep tegen het bestreden vonnis, voorzover dat is gewezen tussen de Gemeente enerzijds en mr. V.J. Groot anderzijds, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard." 3.3. In casu was Zoetermeer interveniënt in de Rechtbankprocedure en dus formeel zelfstandig eiser jegens zowel de Staat als [eiser]. Zoetermeer stond in feitelijke instantie dus formeel tegenover de Staat. Gezien de geciteerde beschikking in de zaak Kloens, lijkt hieruit te volgen dat [eiser] in cassatie niet de Staat en de gemeente tegelijk kon dagvaarden als verweerders in dezelfde procedure. Ik zou echter toch niet willen concluderen tot niet-ontvankelijkheid. Ten eerste niet omdat Zoetermeer interveniënt was en zich niet bij [eiser] heeft gevoegd. In feitelijke instantie stond Zoetermeer eerder tegenover [eiser] dan tegenover de Staat: het kon de Staat immers niet bovenmatig schelen aan wie hij de schadeloosstelling moest betalen. Ten tweede niet omdat [eiser] in cassatie, net als in feitelijke instantie, het ene geschil met de ene overheid (de Staat) heeft (de hoogte van de schadeloosstelling), waarmee de andere overheid zich niet bemoeid heeft en niet bemoeit, en een ander geschil heeft (welk deel van de schadeloosstelling gaat er naar wie) met de andere overheid (de gemeente), waarmee de Staat zich weer niet bemoeid heeft noch bemoeit (de Staat refereert zich op dit punt juist aan het oordeel van Rechtbank en Hoge Raad). Het hypotheekrecht van de gemeente heeft geen enkele invloed op de hoogte en samenstelling van de schadeloosstelling wegens onteigening. De Staat kan dus de positie van Zoetermeer niet schaden; andersom evenmin. De Staat heeft geen belang bij de vraag aan welke partij(
- en)de schadeloosstelling betaald moet worden en in welke verhouding. Er is dus geen risico van onoverzichtelijke toestanden. Ten derde niet omdat in de gegeven constellatie geenszins duidelijk is welke van de gedaagden in cassatie (de Staat of de gemeente Zoetermeer) dan wel van het strijdtoneel zou moeten worden afgevoerd, dus in zijn vordering jegens wie [eiser] dan niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Ik concludeer tot ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. 4 Het tweede middel (overeenstemming over de (hoogte van
- de)schadeloosstelling?) 4.1. In zijn nota voor de deskundigen concludeert [eiser] dat hem een schadeloosstelling toekomt van f 372.750 (waarvan f 315.000 aan de gemeente Zoetermeer als hypotheekhouder toe zou komen), vermeerderd met drie pro memorie-posten: belastingschade, kosten van deskundigen en kosten van juridische bijstand. [Eiser] beroept zich op berekeningen van de door hem ingeschakelde deskundigen, De Koning & Witzier, makelaars in landelijk onroerend goed. 4.2. In het proces-verbaal van opneming door deskundigen is het volgende opgenomen: "Hij (mr De Hoog, advocaat van [eiser]; PJW) deelt mede dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt omtrent het bedrag van de aan [eiser] in het kader van de onderhavige onteigening toe te kennen schadeloosstelling, waarvan f 315.000,= aan hypotheekhouder de gemeente Zoetermeer toekomt, maar dat - gelet op (de; PJW) onderlinge verhouding tussen de grondeigenaar en de gemeente Zoetermeer - tussen hen nog moet worden onderhandeld over de termijn waarop moet worden afgerekend." De Staat heeft blijkens hetzelfde proces-verbaal aangekondigd ter rolle een verhoogd aanbod te zullen doen. Aldus is geschied: f 372.750 als schadeloosstelling, f 7.815 voor kosten van deskundigen en een bereidverklaring eventuele belastingschade te vergoeden. 4.3. [Eiser] laat vervolgens in een akte het volgende weten: "Gedaagde kan het aanbod - met name ten aanzien van de deskundigenkosten - in zijn huidige vorm niet aanvaarden. Gedaagde gaat overigens van uit dat eiseres bereid is de kosten van rechtsbijstand boven het aangeboden bedrag te vergoeden." 4.4. De rechtbank oordeelt in haar vonnis van 6 juli 2000 (r.o. 2.1) dat [eiser] met deze mededeling het verhoogde aanbod heeft aanvaard. Blijkbaar heeft de rechtbank de akte zo gelezen dat slechts op het gebied van de pro memorie-posten, althans op het punt van de kosten van deskundigen, nog een geschil bestond. De tekst van de akte laat echter geen andere gevolgtrekking toe dan dat [eiser] het aanbod "in zijn huidige vorm" niet aanvaardt. Al zou het - zoals de Staat in zijn schriftelijke toelichting opmerkt - niet onbegrijpelijk zijn indien de rechtbank de akte in het licht van de gedingstukken zo interpreteert dat slechts de pro memorie-posten nog in geschil zijn, enige motivering van die interpretatie zou dan zodanig wenselijk zijn dat het vonnis mijns inziens aan motiveringsgebrek lijdt. 4.5. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Uit de aangehaalde processtukken blijkt dat reeds (eerder) overeenstemming was bereikt over de hoogte van de schadeloosstelling. Deze overeenstemming kan niet ongedaan gemaakt worden met een akte ter rolle waarin de eerder bereikte overeenstemming ongemotiveerd geproblematiseerd wordt. De rechtbank heeft daarom naar mijn mening terecht het gevolg getrokken dat buiten de pro memorie-posten over de schadeloosstelling overeenstemming bestond, al heeft zij wat ongelukkig verwezen naar de akte ter rolle. 4.6. Overigens, ook indien overeenstemming over de schadeloosstelling niet zou hebben bestaan, had het middel mijns inziens niet tot cassatie geleid. [Eiser] heeft immers nimmer gemotiveerd aangegeven dat de schadeloosstelling buiten de pro memorie-posten hoger zou moeten zijn dan het bedrag dat de rechtbank heeft toegewezen. Hij heeft exact gekregen hetgeen hij eiste. Het middel geeft niet aan op welke wijze [eiser] benadeeld zou zijn door 's Rechtbanks overweging dat overeenstemming bestond buiten de P.M.-posten. De Rechtbank heeft de P.M.-posten (terecht) als nog in geschil beschouwd en deze posten zelfstandig beoordeeld en vastgesteld. Nu [eisers] in cassatie kenbare pijn zich kennelijk beperkt tot de kosten van de deskundigen, zie ik geen basis voor het tweede middel. 4.7. Ik acht het tweede middel ongegrond. 5 Het eerste middel (de verdeling over de eigenaar en de hypotheekhouder) 5.1. Aan wie de Staat de schadeloosstelling moet betalen (eigenaar [eiser] of hypotheekhouder Zoetermeer) is de Staat om het even. Het hypotheekrecht "beïnvloedt op geen enkele wijze de waarde van het met die hypotheek belaste te onteigenen onroerend goed."
(2)De Staat refereert zich dan ook. Verweer van Zoetermeerse zijde - van de interveniërende partij die wél belang heeft bij deze kwestie - is, gezien mede het jegens haar verleende verstek, niet gevoerd. 5.
- Tussen de partijen bestond overeenstemming over de schadeloosstelling, behoudens de P.M.-posten. Ook bestond overeenstemming over de opbouw van die schadeloosstelling: f 314.762,50 zag op de werkelijke waarde van het onteigende en f 57.987,50 op omrijschade, inkomensschade, schade door minder rendabele exploitatie en schade in verband met drainage. Waardevermindering van het overblijvende heeft zich volgens de partijen niet voorgedaan. Een en ander is door Zoetermeer niet weersproken. 5.
- In zijn nota voor de deskundigen geeft [eiser] gemotiveerd aan welk gedeelte van de schadeloosstelling zijns inziens niet aan Zoetermeer toekomt. De overweging van de rechtbank dat [eiser] de vordering van Zoetermeer niet heeft weersproken is in dat licht niet begrijpelijk. 5.
- Per 1 januari 1992 is een herzien art. 43 Ow in werking getreden. De tekst luidt, voor zoveel hier van belang, als volgt: "Artikel 43
- De hypotheekhouder en de ingeschreven beslaglegger hebben geen recht op afzonderlijke schadevergoeding. Slechts indien zij zijn tussengekomen, kunnen zij zich jegens de onteigenaar beroepen op hun rechten uit artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 507a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij oefenen die rechten uit op het bedrag van de werkelijke waarde en de waardevermindering van het overblijvende, zoals dat bedrag toekomt aan de hypotheekgever, de beslagene en de beperkt gerechtigde, wiens recht niet tegen hen kan worden ingeroepen.
- Indien alle in het vorige lid vermelde belanghebbenden tot overeenstemming omtrent de verdeling zijn gekomen, bepaalt de rechter wat aan ieder van hen moet worden betaald. Is geen overeenstemming bereikt, dan worden de bedragen in hun geheel toegewezen aan de tussengekomen hypotheekhouder, hoogste in rang, dan wel, zo geen hypotheekhouder is tussengekomen, aan de daartoe door de eerst ingeschreven beslaglegger aangewezen notaris of deurwaarder, en vindt verdeling plaats met toepassing van de regels betreffende de verdeling van een zodanige opbrengst in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
- (...) (...)" 5.
- De memorie van toelichting vermeldt het volgende: