Nr. 2076/00 Mr Machielse Zitting: 5 december 2000 Conclusie inzake: [Verzoekster=verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(2)De Toelichting op de PMV houdt onder Hoofdstuk 4, Algemeen provinciaal milieubeleid, - voor zover hier van belang - het volgende in: "Het afvalstoffenbeleid is er op gericht zoveel mogelijk de afvalproduktie en de gevolgen daarvan voor het milieu te voorkomen(...). Ter ondersteuning van het doelgroepenbeleid, de interne milieuzorg, regels in het kader van de vergunningverlening, convenanten en dergelijke, zijn om hergebruik en nuttige toepassing te maximaliseren in de verordening regels opgenomen tot het scheiden aan de bron en gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen die een nuttige toepassing kunnen krijgen dan wel om verschillende bewerkingsmethoden of eindverwerking vragen. Deze regels moeten worden beschouwd als een minimum ter ondersteuning van het beleid voor preventie en hergebruik van afvalstoffen. (...) Meer toegesneden op de feitelijke situatie kunnen in het kader van vergunningverlening of bedrijfsinterne milieuzorg overigens voorschriften tot het scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen worden opgenomen die verder gaan dan de bepalingen van deze verordening. (...) Allereerst is er een plicht (voor degene bij wie die afvalstoffen ontstaan) tot scheiding van de afvalstoffen, die ook bij huishoudens moeten worden gescheiden; dat wil zeggen dat de componenten glas, oud papier/karton, textiel en composteerbare organische afvalstoffen gescheiden en van elkaar gescheiden gehouden moeten worden. De in de verordening opgenomen plicht tot het scheiden van afvalstoffen aan de bron is gericht tot de primaire ontdoener. (...)" 4.
- De redactie van voorschrift 3.1.1.1 laat er geen misverstand over bestaan dat het asfaltpuin waarvan het verzoekster vergund is om dit te accepteren altijd gescheiden moet zijn alvorens het geaccepteerd mag worden. Voorts blijkt uit de algemene begripsomschrijving in de vergunningsvoorschriften dat scheiding aan de bron dient plaats te vinden op bouw- of sloopobjekt. De gedachtegang die achter deze omschrijving en achter voorschrift 3.1.1.1 schuil gaat is weergegeven in de toelichting op de PMV; afvalstromen dienen (zo snel mogelijk) te worden gescheiden en dienen gescheiden te worden gehouden. Vandaar dat voorschrift 3.1.1.1 spreekt van "homogene afvalstromen". 4.
- Het hof is tot de vaststelling gekomen dat aan vergunningsvoorwaarde 3.1.1.1 niet was voldaan omdat wat verdachte heeft geaccepteerd geen "homogene afvalstroom" was. Reeds door die vaststelling openbaart zich een schending van voorwaarde 3.1.1.
- Of het materiaal bestond uit afval dat gescheiden was maar op één hoop is gegooid, of dat het om materiaal ging dat vanaf het begin van het ontstaan nooit gescheiden is geweest doet niet ter zake. Er behoeft niet te worden bewezen dat de afvalstroom niet homogeen was omdat de stroom niet bij de bron was gescheiden; bewezen moet worden dat in strijd met een vergunningsvoorwaarde is gehandeld. En dat staat vast zodra is aangetoond dat een heterogene afvalstroom van ongesorteerd afval is geaccepteerd. Het zou anders zijn als er wel van een homogene afvalstroom sprake was, maar dan een die pas ná de bron, bijvoorbeeld door een sorteerder, was samengesteld. Dan zou een discussie over de uitleg van "afkomstig van scheiding aan de bron" zin hebben. 4.
- De stelling in de toelichting van het middel onder 2.
- dat de "puinberg" moet worden aangemerkt als een "bron" in de zin van voorschrift 3.1.1.1, als hiervoor onder 4.3.
- is weergegeven, welke stelling voortbouwt op de hiervoor genoemde stelling, behoeft daarom thans geen bespreking. 4.
- Het tweede middel faalt derhalve.
- Ambtshalve wijs ik op het volgende. Het hof heeft voor het bewijs de volgende bewijsmiddelen gebezigd;
- Een geschrift zijnde een brief van de Provincie Utrecht, Dienst water en milieu, van 2 december 1997, als bijlage gevoegd bij het onder 2 genoemde proces-verbaal. Dit geschrift houdt onder meer, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in: De brief is gericht aan de directie van [verdachte] te [vestigingsplaats]. Bevindingen (...)
- Voorts is vastgesteld dat het om 30.000 ton afvalstof gaat.
- Op 31 oktober 1997 heeft bemonstering van dit afval plaats gevonden. a. De analyse resultaten van het aangetroffen materiaal treft u aan in de bijlagen 1,2, en
- Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: het 'asfalt' bevat meer dan 5 % andere materiaal. d. De afvalstof is niet afkomstig van scheiding aan de bron.
- Een geschrift, zijnde een als bijlage 3 bij de in bewijsmiddel 6 genoemde brief. Deze bijlage houdt, onder meer, zakelijk weergegeven, in: Een faxbericht van Vissers' Infra en Milieu B.V., Kwaliteit en Advies, [betrokkene F] van 28 november 1997 aan M.T.I. Milieutechnologie, te Nijmegen ter attentie van [betrokkene B], inhoudende: In week 48 is door uw dienst een monster 'freesasfalt' afgeleverd op ons kantoor in Venray, met het verzoek om op dit monster R.A.W. proef 109 [ het hof begrijpt: de proef 'bestanddelen van verontreinigingen van asfaltgranulaat' als bedoeld in de fax van MTI Milieutechnologisch Instituut C.V. aan de Provincie Utrecht ter attentie van [betrokkene C]) uit te voeren. Echter, het door u geleverde monster is geen freesasfalt maar een mengsel dat voor meer dan 90 % bestaat uit grond c.q. zand, waardoor uitvoering van de proef nauwelijks mogelijk is. Ik maak uit het onderlinge verband en uit de verwijzing in bewijsmiddel 6 naar bijlage 3 op dat bewijsmiddel 7 de analyse weergeeft van een monster van het afval in kwestie. Bewijsmiddel 7 is naar mijn mening niet redengevend voor de bewezenverklaring. De bewezenverklaring spreekt immers van "materiaal, bevattende asfaltpuin". De telastelegging en in haar spoor de bewezenverklaring gaat er klaarblijkelijk van uit dat het afval bestond uit asfaltpuin, omdat aan verdachte wordt verweten in strijd te hebben gehandeld met de acceptatievoorwaarden voor asfaltpuin. Maar bewijsmiddel 7 geeft weer dat het monster voor meer dan 90% uit grond c.q. zand bestond. Er lijkt mij geen sprake te zijn van asfaltpuin, maar van een grondstof die verdachte volgens de vergunning voor verbulking mocht accepteren, te weten "zand". Voorts is bij mij de vraag gerezen of zo een analyse nog wel kan bijdragen aan het bewijs dat het geen homogene afvalstroom betrof.
- Beide middelen falen. Het eerste cassatiemiddel kan worden verworpen op de voet van art. 101a RO. Op de ambtshalve aangewezen grond zal het arrest naar mijn oordeel vernietigd dienen te worden.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam ter berechting en afdoening. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 HR 3 oktober 2000, NJB 2000,
- 2 Daarmee geeft de provincie gestalte aan het bepaalde in art. 1.
- Wet milieubeheer.