Nr. 02830/00 Mr. Jörg Zitting 17 april 2001 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(1989), die Uw argumentatie uit het Vuurwapenwet-arrest op de Opiumwet toepasselijk acht, en - hoewel hij de onderhavige regeling qua duidelijkheid een grensgeval vindt - de kritiek van Melai op dat arrest niet deelt (p. 213-214). Ook Denie in Vademecum strafzaken (63.5.2.3) en Blom in T&C Sr 3e, De Opiumwet, verzetten zich niet tegen het tot een verdachte mogen richten van de bevoegdheid tot uitlevering.
- Op grond van de Funke v. Frankrijk (EHRM 25 februari 1993, NJ 1993, 485, m.nt. Kn; AA 1993, p. 672 m.nt. Swart) kan men nog een kleine oneffenheid tegenkomen, namelijk voor zover een vordering tot uitlevering ook `testimonial aspects’ heeft. Immers, in Funke was niet zeker of de gevorderde documenten wel bestonden, en door aan de vordering gevolg te geven zou Funke juist het bewijs daarvan zelf leveren. Het minste is dus wel dat er een concrete aanwijzing van schuld moet zijn, een redelijke verdenking dat verdovende middelen aanwezig zijn. Voor Blom volgt dit uit de omstandigheid dat de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van de Opiumwet een opsporingsbevoegdheid is, zodat er een redelijk vermoeden van het gepleegd zijn van een strafbaar feit uit de Opiumwet moet zijn (Drugs in het recht, recht onder druk, diss. Rotterdam, 1998, deel 2, Opsporingsmethoden en -technieken, p. 27). Dat een willekeurige burger door een opsporingsfunctionaris op een willekeurige straat zou kunnen worden aangesproken en rauwelijks de vordering zou kunnen krijgen drugs uit te leveren is onbestaanbaar. Dan komt het nemo tenetur-beginsel werkelijk tussen beide.
- Wat betreft de cruciale rol van het redelijk vermoeden van schuld voor de inperking van de toepassingsmogelijkheden van opsporingsbevoegdheden wijs ik nog op de bijzondere omstandigheden die de voorgenomen wijziging van de Wet wapens en munitie (TK 2000-2001, 27 605, nr 2) op het punt van het zonder geïndividualiseerde verdenking fouilleren van een ieder (ontwerp-art. 52, vijfde lid), het onderzoeken van elk voertuig (ontwerp-art. 51, derde lid) en het openen van elke verpakking (ontwerp-art. 50, derde lid) vergezellen, nl. dat de personen zich in een door de burgemeester aangewezen gebied bevinden of dat genoemde voorwerpen daar aanwezig zijn, welke bevoegdheid, naar wordt voorgesteld, door opsporingsambtenaren slechts op bevel van de officier van Justitie na bekomen machtiging van de rechter-commissaris mag worden uitgeoefend, welk bevel slechts gedurende ten hoogste 6 uur van kracht is, en feiten en omstandigheden moet bevatten op grond waarvan het onderzoek op wapenbezit noodzakelijk wordt geacht. Men ziet hier hoeveel beperkende voorwaarden de plaats moeten innemen van een redelijk vermoeden van schuld, die anders - eventueel in combinatie met ernstige bezwaren - de uitoefening van dergelijke dwangmiddelen rechtvaardigt.
- Zowel bovengenoemde Vuurwapenwet-zaak van 1984 (gegrond vermoeden dat in de woning het vuurwapen en de munitie aanwezig waren), als de AWR-zaak van 1996 (zekerheid dat de administratie van de BV, bankafschriften, arbeidscontracten e.d. aanwezig waren; het houden van administratie is verplicht) leveren op het Funke-punt van de mogelijkheid dat de vordering `testimonial aspects’ in zich draagt geen probleem op (waarbij uiteraard de Vuurwapenwet-zaak niet door Funke werd bestreken).
- De stukken in het onderhavige geval leren dat dit probleem hier evenmin speelt - hoewel het proces-verbaal op het eerste gezicht anders zou doen vermoeden, waar dit vermeldt dat van verzoeker de uitlevering werd gevorderd van `eventueel’ aanwezige verdovende middelen. Daar staat echter tegenover dat de verbalisanten direct in het zicht op de tafel in de woonkamer drugs aantroffen en de uitlevering vorderden van wat er nog meer was. Dat verzoeker verbalisanten verder de weg wees voegt daaraan niets essentieels toe.
- Verbalisanten waren derhalve gerechtigd de vordering te richten tot verzoeker, en de na de aanwijzing van verzoeker gedane vondst van drugs mocht daarom tot bewijs dienen. Tot het daaraan voorafgaand geven van de cautie waren verbalisanten rechtens niet gehouden aangezien zij verzoeker niet vroegen naar zijn betrokkenheid bij verkoop of aanwezig hebben van verdovende middelen, maar enkel vroegen naar de aanwezigheid van die middelen (cf. HR 23 juni 1998, nr 107.632).
- Het hof heeft het verweer dus terecht verworpen, wat er zij van de gegeven motivering.
- Het middel kan niet tot cassatie leiden.
- Gronden waarop Uw Raad de bestreden beslissing ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG