← Nederland

ECLI:NL:PHR:2001:AB2558

Nr. C 00/40 HR Mr. M.R. Mok Zitting 4 mei 2001 Conclusie inzake

  1. [Eiser 1]
  2. [Eiseres 2] tegen POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V. (niet verschenen) Edelhoogachtbaar college,
  3. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK 1.
  4. Eisers van cassatie, [eiser] c.s, hebben van verweerster, Postbank (Schade), uit hoofde van een reisverzekering vergoeding van door hen als gevolg van diefstal geleden schade verlangd. Postbank Schade heeft geweigerd deze schade te vergoeden. 1.
  5. Vervolgens hebben [eiser] c.s. Postbank Schade gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en vergoeding van de schade gevorderd. Het totale bedrag bedroeg, inclusief rente en kosten, rond f 9.
  6. Postbank Schade heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, omdat zij statutair gevestigd is te Den Haag. De door eisers geleden schade heeft zij bestreden. 1.
  7. Bij vonnis van 15 oktober 1999 heeft de kantonrechter overwogen dat, gelet op art. 1:10, lid 2, BW, de woonplaats van een vennootschap de plaats is waar haar zetel is gevestigd, en dat is i.c. onbestreden in Den Haag. Het filiaal te Amsterdam zou niet als woonplaats van de Postbank kunnen gelden. De kantonrechter heeft zich daarom onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kantonrechter in Den Haag. 1.
  8. Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. bij dagvaarding van 17 januari 2000

(1)(tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een enkelvoudig cassatiemiddel.
  1. ONTVANKELIJKHEID VAN HET CASSATIEBEROEP 2.
  2. Op grond van art. 157b, lid 4, Rv., is tegen een vonnis tot onbevoegdverklaring, waarbij wordt verwezen naar een rechter van gelijke rang, geen hogere voorziening toegelaten. 2.
  3. Het middel wijst op een arrest van de Hoge Raad
(2), waaruit zou blijken, dat op grond van art.100, lid 1,aanhef en onder 3º, van de Wet RO, wel degelijk beroep in cassatie zou openstaan. 2.
  1. Art. 100, lid 1, aanhef en onder 3º, Wet RO houdt in dat tegen vonnissen van kantonrechters in burgerlijke zaken, beroep in cassatie in burgerlijke zaken is toegelaten wegens onbevoegdheid. Het gaat hier om een algemene regel, waaraan m.i. de specifieke bepaling van art. 157b, lid 4, Rv. voor het specifieke geval van onbevoegdverklaring met verwijzing naar een andere kantonrechter derogeert. 2.4.
  2. Het in noot 2 genoemde arrest leidt niet tot een andere slotsom. In dat geval ging het om onbevoegdverklaring omdat de wet voor de procedure die daar aan de orde was (geschil over salaris advocaat) een bijzondere rechter heeft aangewezen. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen (ro. 3.4.): "Beroep in cassatie tegen vonnissen van kantonrechters in burgerlijke zaken is blijkens art. 100 lid 1 aanhef en onder 3º en 4º Wet RO onder meer toegelaten wegens onbevoegdheid en wegens overschrijding van rechtsmacht. De strekking van deze bepalingen is partijen de mogelijkheid te geven de vragen van bevoegdheid en rechtsmacht van de kantonrechter in cassatie aan de Hoge Raad voor te leggen in geval voor partijen geen ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. Op grond van deze bepalingen kan derhalve in cassatie niet alleen worden geklaagd over een bevoegdverklaring, maar ook over een onbevoegdverklaring door een kantonrechter." 2.4.
  3. M.i. zegt dit arrest niet meer dan dat men op grond van art. 100, lid 1, aanhef en onder 3º, van de Wet RO niet alleen tegen een bevoegdverklaring, maar ook tegen een onbevoegdverklaring van een kantonrechter beroep in cassatie kan instellen. Het behandelt niet de verhouding van genoemde wetsbepaling tot art. 157b, lid 4, Rv. 2.4.
  4. In het geval van het arrest van 1993 ging het om absolute onbevoegdheid van de kantonrechter. De desbetreffende kantonrechter had zich onbevoegd verklaard omdat het geschil z.i. op grond van art. 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken aan de bevoegde raad van toezicht moest worden voorgelegd. Indien een onbevoegdheidsverklaring door de kantonrechter inhoudt dat een eiser niet bij de gewone rechter terecht kan, omdat een bijzondere rechter bevoegd zou zijn, is het een eis van rechtsbescherming dat de vraag of dit juist is door de Hoge Raad getoetst kan worden. 2.4.
  5. Bij relatieve onbevoegdverklaring met verwijzing naar een andere kantonrechter is de rechtsbescherming niet in het geding. Het is moeilijk in te zien waarom eisers in hun belangen geschaad zouden worden doordat hun vordering behandeld wordt door de kantonrechter in Den Haag, de statutaire vestigingsplaats van de gedaagde, in plaats van die in Amsterdam, waar een filiaal van gedaagde is. 2.
  6. Ik kom tot de slotsom dat er geen grond is art. 157b, lid 4, Rv. in deze zaak niet onverkort toe te passen. Er staat m.i. derhalve geen beroep in cassatie open, zodat eisers in het door hen ingestelde cassatieberoep niet ontvangen kunnen worden.
  7. CONCLUSIE De conclusie luidt tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.
(1). Een maandag.
(2). HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4, m.nt. H.E. Ras.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.