Nr. 01704/00 Mr Jörg Zitting 26 juni 2001 Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(1)Het hof heeft aldus in de tenlastelegging één verwijt gelezen, welke lezing het hof vrij stond, aangezien de officier van Justitie hier een keuzemogelijkheid in de tenlastelegging heeft neergelegd, terwijl de eenheid van handelen werd uitgedrukt zowel door de vermelding van tijd en plaats geheel aan de feitsomschrijvingen vooraf te laten gaan als ook door in het tweede gedeelte te vermelden dat het zakje met kattenstront was gevoegd bij de door het slachtoffer ontvangen brief.
- De in het middel betrokken stelling dat de bewezenverklaring niet binnen de oorspronkelijke grenzen van de tenlastelegging is gebleven doordat een tweevoudige belediging door het hof is omgevormd tot een nieuw feitelijk verwijt mist derhalve feitelijke grondslag.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt erover dat de bewezenverklaring ten onrechte als strafbaar feit is gekwalificeerd. Onduidelijk zou blijven of het hof alleen de combinatie van de brief met het zakje kattenstront beledigend acht. Dit omdat het hof nevenschikkend bewezenverklaart de belediging door middel van een geschrift en door middel van een bijgevoegd zakje kattenstront.
- Het middel berust op een verkeerde lezing van 's hofs arrest. Immers de bewezenverklaarde belediging heeft bestaan uit het toezenden van een zakje kattenstront gevoegd bij een brief (met een op zichzelf niet beledigende tekst, maar wel met een racistische ondertoon). Dat zijn geen nevenschikkende gedragingen, maar is een eenheid van gedraging, waarin verschillende aspecten zijn te onderscheiden.
- Het middel faalt.
- Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging.
- Ambtshalve wil ik nog opmerken dat het het hof vrij stond om de gedraging te bezien als een belediging door middel van geschrift, waarvan het zakje kattenstront integraal deel uitmaakte, en niet noodzakelijkerwijs als een belediging door een feitelijkheid - waarvoor de (niet tenlastegelegde en overigens ook niet te bewijzen) tegenwoordigheid van de beledigde vereist is.
- Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Dat het hof tevens in het tweede gedeelte heeft doorgehaald de impliciet subsidiair omschreven "feitelijkheid van gelijke beledigende aard of strekking" stond het hof zonder meer vrij aangezien deze feitelijkheid impliciet subsidiair tenlaste is gelegd.