Nr. 02802/00 Mr Machielse Zitting:18 september 2001 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(3)Code 35 duidt op "Aangepaste bedieningsorganen". De Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid dateert van 14 mei 1996 en is dus vastgesteld, vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de geharmoniseerde codes. De toelichting op de Regeling vermeldt daaromtrent het volgende: "De geharmoniseerde (met name cijfer-codes die ingevolge richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 op rijbewijzen moeten worden aangebracht zijn op dit moment nog niet formeel door de Raad van de Europese Unie vastgesteld. Ten einde te voorkomen dat codes zouden worden vastgesteld die later mogelijk een andere betekenis zouden krijgen, hetgeen tot grote verwarring zou leiden, heeft Nederland zich aanvankelijk willen beperken tot vaststelling van die codes waarvan de vaststellingsprocedure in Brussel al ver gevorderd is. Dit voornemen bleek echter op grote bezwaren van de rijbewijs afgevende instanties te stuiten. Naar aanleiding van die bezwaren heeft spoedoverleg met de Europese Commissie plaatsgevonden. Dit overleg heelt geleid tot de toezegging van de zijde van de Commissie dat naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen wijziging meer zal worden aangebracht in de betekenis van de zogenaamde subcodes waarover nog overleg met de Europese Commissie gaande is. Op grond van deze toezegging heb ik alsnog besloten ook de bij de zgn. hoofdcodes behorende subcodes vast te stellen. De subcodes zijn essentieel, onder meer om nauwkeurig aan te duiden op welke wijze voertuigen van min of meer gehandicapte personen zo dienen te worden aangepast dat betrokkenen toch nog op verantwoorde wijze aan het wegverkeer kunnen deelnemen." 4.
- De gehanteerde codering kent een zekere systematiek, hierin bestaande dat twee hoofdcategorieën met eisen zijn vastgesteld. Enerzijds is er een groep codes waarin is neergelegd aan welke eisen de bestuurder moet voldoen. Dat betreft de codes 01 tot en met
- Ook in Richtlijn 2000/56/EG, de laatste versie van de lijst met geharmoniseerde codes bevattend reserveert de codes 01 tot en met 05 voor de "bestuurder". Onder de codes in de Regeling is bijvoorbeeld begrepen de eis dat een bestuurder alleen mag rijden op vertoon van een geldig medisch attest (code 04, AM) of dat alleen een voertuig mag worden bestuurd met een begeleider (Code 05.05, AM). Die groep voorschriften kenmerkt zich dus hierdoor dat aan het te besturen voertuig geen eisen worden gesteld en dat de bestuurder in beginsel ieder voertuig van de betreffende rijbewijscategorie mag besturen, mits die bestuurder zich aan de aan hem/haar gestelde beperkingen houdt. De tweede groep voorschriften betreft "aanpassingen/ eisen aan het voertuig", codes 10 en verder. Ook in Richtlijn 2000/56/EG gaat de aanduiding "Aanpassingen voertuig" aan deze codes vooraf. Het gaat derhalve hier om de specificaties van het voertuig waarvan gebruik gemaakt mag worden. De rijbewijshouder is dus gebonden aan dat aangepaste voertuig. De titel van categorie 35 luidt "Aangepaste bediening van de verplichte inrichtingscomponenten (d.i. verlichting, ruitenwisser/ ruitensproeier, hoorn, richtingaanwijzers, mistlamp e.d.)". Subcategorie 35.01 is omschreven als "Schakelaars bedienbaar zonder dat besturing en bediening van het voertuig nadelig kan worden beinvloed." 4.
- Gelet op de systematiek van de geharmoniseerde codes en de plaats van de code 35.01 daarin, is de onvermijdelijke gevolgtrekking dat die code betekent dat het voertuig zodanig moet zijn aangepast dat de schakelaars bedienbaar moeten zijn zonder dat besturing en bediening van het voertuig nadelig kan worden beinvloed. Om die toestand te bereiken is een aanpassing van het voertuig noodzakelijk. 4.
- Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft de rechtbank - kort gezegd - het volgende vastgesteld.
- Verzoeker heeft vier maal gereden in een motorrijtuig van categorie B.
- Aan verzoeker is een rijbewijs afgegeven voor categorie B met de beperking als weergegeven in code 35.
- De controlerende ambtenaren hebben telkens vastgesteld dat dat motorrijtuig niet was aangepast aan de eisen waaraan het - blijkens de in het rijbewijs opgegeven codering - moest voldoen.
- Verdachte heeft verklaard telkens te hebben gereden met een auto die geen speciale voorzieningen kende. In aanmerking genomen het hiervoor onder 4.
- weergegevene heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de in het rijbewijs gehanteerde code uit de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Weliswaar heeft de rechtbank niet uitdrukkelijk gereageerd op het gevoerde verweer dat verdachte wel beschikte over een rijbewijs voor de categorie auto's waarin hij telkens reed, maar gelet op het hiervoor overwogene had dat verweer toch verworpen moeten worden. Het tweede en derde middel falen mitsdien. 4.
- Ten overvloede wijs ik nog op het volgende. De in het rijbewijs van verzoeker aangetekende codering is daar in terecht gekomen nadat door het CBR te Rijswijk aandacht is besteed aan de aard en ernst van diens handicap en de beperkingen die daaruit voortvloeien met betrekking tot de rijvaardigheid van verzoeker. Navraag bij de afdeling medische administratie heeft mij geleerd dat - wanneer een rijbewijs met een dergelijke codering wordt afgegeven wordt medegedeeld wat daarvan de consequenties zijn. Tevens werd mij verteld dat het aanpassen van het motorrijtuig kan worden uitgevoerd door één van de daarin gespecialiseerde garages. Daar kan in overleg met betrokkene worden beslist welke specifieke aanpassingen aan zijn auto moeten worden aangebracht. Naar gelang de beperkingen die uit de handicap van de rijbewijshouder voortvloeien, worden de aanpassingen aan het voertuig aangebracht. Van die aanpassing(en) wordt kennis gegeven aan de Dienst Wegverkeer te Veendam en tevens wordt in het voertuig aangegeven dat het is aangepast. Het is echter niet aan verzoeker zelf om te beslissen of zijn auto aangepast moet worden of niet. Het zou in mijn ogen zeer onwenselijk zijn wanneer controlerende ambtenaren telkens feitelijk zouden moeten nagaan of het voertuig van een in enigerlei mate gehandicapte zodanig is ingericht dat het kan worden bestuurd "zonder dat besturing en bediening van het voertuig nadelig kan worden beinvloed". Dat vergt een onderzoek waartoe politiefunctionarissen niet zijn gekwalificeerd, omdat zo een onderzoek kennis van en ervaring in de belemmeringen voor de rijvaardigheid die voortvloeien uit een lichamelijke handicap vooronderstelt. Evenmin bestaat de mogelijkheid om op een rijbewijs te laten aantekenen dat de houder daarvan alleen auto's van een bepaald merk en type mag besturen.
- Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 De bewezenverklaring van het vijfde feit houdt in dat verdachte met een snelheid van ongeveer 152 km/u zou hebben gereden waar volgens het verkeersbord een maximumsnelheid van 1000 km/u was aangegeven. Onder dié maximumsnelheid is verdachte ruimschoots gebleven. Ik ga er van uit dat de vermelding van 1000 km/u een vergissing is die verbeterd gelezen dient te worden als 100 km/u. 2 Gepubliceerd in Staatscourant 1996,
- 3 Richtlijn 2000/56/EG, van 14 september 2000 houdt nog enkele wijzigingen van die codes