ECLI:NL:PHR:2001:AD4709
Nr. C 99/358 Mr. Huydecoper Zitting 8 juni 2001 Conclusie inzake [Eiser], Principaal eiser, incidenteel verweerder tegen [Verweerster] Verweerster, incidenteel eiseres Edelhoogachtbaar college, Feiten1 en procesverloop
In principe huren wij uw duwboot voor een periode van vijf jaar. Telken jare zullen wij met u in overleg treden omtrent de huurprijs voor het komende jaar.
De huur gaat in op het moment, dat voor de tankbak Roma een nieuw certificaat is uitgereikt en deze als "[...]" in de vaart komt."3 De tankbak Roma heeft geen nieuw certificaat gekregen.
De Rechtbank te Alkmaar heeft bij vonnis van 10 maart 1994 in conventie onder rov. 6 - samengevat - overwogen dat uit de overeenkomst niet blijkt dat [verweerster] de duwboot ook zou huren als de duwbak "Roma" niet goedgekeurd zou worden. [Eisers] vordering tot schadevergoeding werd afgewezen. Met betrekking tot de beloning voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden besloot de Rechtbank een deskundigenbericht in te winnen. In reconventie hield de Rechtbank haar beslissing aan.
In rov. 5.1 is het Hof er vanuit gegaan dat [verweerster] op zichzelf gehouden was om de duwbak "Roma" (later "[...]") aan [eiser] ter beschikking te stellen. De in al. 1 hiervóór aangehaalde clausule in de overeenkomst heeft het Hof - in rov. 3 - voorshands gekwalificeerd als een opschortende tijdsbepaling. [verweerster] moest echter worden toegelaten te bewijzen dat het hier om een - door [eiser] aanvaarde - opschortende voorwaarde ging.
In beginsel is [verweerster] uit hoofde van wanprestatie aansprakelijk (rov. 5.4). Het Hof acht termen aanwezig de door [eiser] gestelde schade in deze procedure te begroten, en partijen daartoe niet naar een schadestaatprocedure te verwijzen (rov. 5.5). Het Hof geeft aanwijzingen, welke schade [eiser] gespecificeerd moet aangeven (rov. 5.7).
Indien het verweer van [verweerster] dat de "Freya" ongeschikt was om de "Roma" te duwen juist is, komt volgens het Hof de vordering van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking, omdat in dat geval de gestelde schade van [eiser] een gevolg is van eigen tekortschieten en het causaal verband tussen de schade en de wanprestatie verbroken is (rov. 5.9). [Eiser] krijgt de aanwijzing, bescheiden over te leggen waaruit volgt dat de "Freya" in de relevante periode geschikt was om de "Roma" te duwen.
In een gedeeltelijk eindarrest van 19 augustus 1999 wordt vervolgens in rov. 2.4 overwogen dat niet is gebleken dat de "Freya" in de periode van november 1991 tot eind januari 1993 geschikt was om de "Roma" te duwen. De vordering van [eiser] op grond van wanprestatie wordt door het Hof afgewezen. Het Hof benoemt een deskundige met het oog op de (in cassatie niet betrokken) vordering wegens de werkzaamheden van [eiser] in de periode september 1991 tot en met november 1991.
In het incidentele beroep vernietigt het Hof het vonnis van de Rechtbank met betrekking tot het (in cassatie dus niet aan de orde zijnde) onderzoek door een deskundige, en ontbindt het Hof de huurovereenkomst van 27 mei 1991.
Bespreking van onderdeel 1 van het incidentele cassatiemiddel
Door alsnog te verschijnen (en het verstek te zuiveren), maakt de partij tegen welke aanvankelijk verstek was verleend, alsnog gebruik van haar recht om in het geding gehoord te worden. Daarbij is een van de grondslagen van het burgerlijk procesrecht (en van het procesrecht in het algemeen) aan de orde. Niet voor niets wordt daar groot gewicht aan gehecht. Alleen om die reden al lijkt mij onaannemelijk dat de ruimte die de wet voor het zuiveren van verstek biedt, beperkt zou mogen worden uitgelegd. Door die ruimte wordt een van de meest wezenlijke beginselen van het procesrecht gewaarborgd. Daarbij maakt het m.i. geen verschil of de partij die het verstek zuivert, daarna alleen verweer voert tegen wat door de aanvankelijk verschenen partij(en) is aangevoerd, of ook van haar kant een vordering of beroep instelt. Het kan, afhankelijk van de omstandigheden, geboden of aangewezen zijn om in het kader van zijn verweer ook zelfstandige vorderingen in te stellen of zelfstandig beroep tegen een eerdere beslissing in te stellen9. Al daarom zou het een ontoelaatbare beperking van het recht op "hoor en wederhoor" opleveren wanneer een partij die aanvankelijk verstek heeft laten gaan, in dit opzicht mogelijkheden om wat zij in haar belang naar voren meent te moeten brengen, zou verspelen.
In de zojuist als voorbeeld genoemde gevallen is dat zo, omdat de betrokken partij vrij blijft om in een zelfstandige procedure haar standpunt geldend te maken. Dat maakt de afweging waartoe de wetgever is gekomen begrijpelijk en aanvaardbaar. In het geval waarop [eisers] onderhavige verweer ziet, zou [verweerster] daarentegen definitief het recht worden ontzegd om stellingen die zij eerder in dit geding heeft aangevoerd, in deze (laatste) instantie opnieuw ter discussie te stellen. Op die manier zou [verweerster] inderdaad op een aantal bepaald niet onwezenlijke punten, eens en vooral de mond worden gesnoerd. Dat lijkt mij onaanvaardbaar. De wet voorziet daar terecht niet in. Daar zou dan niet bij wege van rechtersrecht alsnog in moeten worden voorzien.
Ik merk nog op dat het zuiveren van verstek in eerste aanleg en in appel een iets andere plaats inneemt dan in cassatie. In eerste aanleg en in hoger beroep kan ook door het doen van verzet worden opgekomen tegen een bij verstek gegeven beslissing. In cassatie zijn de mogelijkheden daarvoor zéér beperkt (art. 425 Rv)10. Dat levert een nader argument op waarom aan de zuivering van verstek in cassatie voordat arrest is gewezen, geen beperkingen dienen te worden gesteld.
Het instellen van incidenteel cassatieberoep moet ingevolge art. 410 Rv (uiterlijk) bij conclusie van antwoord plaatsvinden. Dat is ook gebeurd. Dan staan er aan de ontvankelijkheid van het incidentele cassatieberoep geen steekhoudende beletselen in de weg.
4.2. De appeldagvaarding is tijdig (op 6 juni 1994) betekend, maar behelsde twee fouten. In de eerste plaats is het exploot niet betekend aan de procureur van [verweerster] in eerste aanleg maar aan diens advocaat, en in de tweede plaats is [verweerster] opgeroepen tegen een onjuiste zittingsdag, namelijk 7 september 1994.
Deze laatste fout is genoegzaam hersteld door een herstelexploot van 16 augustus 1994 (eveneens betekend aan de advocaat van [verweerster]), waarbij [verweerster] werd opgeroepen tegen de zittingsdag van 8 september 1994. Aan het slot van dit exploot werd verwezen naar de appeldagvaarding van 6 juni 1994; daarmee werd voldoende tot uitdrukking gebracht dat [eiser] tijdig in hoger beroep was gegaan en dat het exploot werd uitgebracht met instandhouding van de appeldagvaarding.
4.3. Op de rolzitting van 8 september 1994 is de dagvaarding ingeschreven en heeft de rolrechter ingevolge art. 93 Rv aan [eiser] bevolen om [verweerster] op te roepen tegen de zitting van 6 oktober 1994, kennelijk omdat hem niet aannemelijk was geworden dat [verweerster] niet was verschenen ten gevolge van het hierboven als eerste genoemde gebrek. [Eiser] heeft zulks nagelaten, waarna de rolrechter hem bij herhaling in de gelegenheid heeft gesteld om [verweerster] alsnog op de juiste wijze op te roepen.
Bij exploot van 13 december 1994, betekend aan de procureur van [verweerster] in eerste aanleg, heeft [eiser] [verweerster] gedagvaard om te verschijnen op 22 december 1994, onder aanzegging dat een eerder exploot abusievelijk was uitgebracht aan de advocaat van [verweerster].
Vervolgens is op de zitting van 22 december 1994, waar [verweerster] niet is verschenen, geen verstek verleend. De zaak is op de rol blijven staan voor overlegging van een akte van domiciliekeuze, waarna [eiser] bij exploot van 31 augustus 1995 (wederom betekend aan de procureur van [verweerster] in eerste aanleg) [verweerster] heeft gedagvaard om te verschijnen op de zitting van 30 november 1995. Op die zitting is verstek verleend tegen [verweerster], welk verstek nadien door [verweerster] is gezuiverd.
4.4. De hierboven vermelde gang van zaken leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn hoger beroep. De exploten van 13 december 1994 en 31 augustus 1995 zijn overeenkomstig art. 343 lid 1 Rv betekend aan de procureur van [verweerster] bij wie zij in eerste aanleg laatstelijk woonplaats had gekozen. De aanzegging in het exploot van 13 december 1994 dat [eiser] "in hoger beroep komt", moet - gelet op de verwijzing naar het eerder abusievelijk aan de advocaat van [verweerster] uitgebrachte exploot en op de daaraan toegevoegde wens dit verzuim te herstellen - verstaan worden als een verwijzing naar en instandhouding van de eerdere appeldagvaarding. Voorts berust de vermelding in het exploot van 31 augustus 1995 dat [eiser] bij exploot van 13 december 1994 heeft opgeroepen "tegen een foutieve rechtsdag" kennelijk op een vergissing; [verweerster] is daardoor echter niet in haar belangen geschaad.
Anders dan [verweerster] betoogt, geldt niet de eis dat een herstelexploot, dat naar aanleiding van het bevel van de rolrechter ingevolge art. 93 Rv wordt uitgebracht, binnen 14 dagen na de rolzitting (hier derhalve binnen 14 dagen na 8 september 1994) uitgebracht moet worden.
De omstandigheid dat - met goedvinden van de rolrechter - sedert 8 september 1994 geruime tijd verstreken is voordat de herstelexploten werden uitgebracht, is op zichzelf onvoldoende om tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van [eiser] te leiden. Daarbij is van belang dat de advocaat van [verweerster] - die ook in hoger beroep de belangen van [verweerster] is blijven behartigen - reeds uit hoofde van de appeldagvaarding op de hoogte was van het hoger beroep, en via het aan hem uitgebrachte herstelexploot van 16 augustus 1994 ook zekerheid had omtrent de rechtsdag waarop de zaak diende. [Verweerster] had dan ook eerder kunnen verschijnen om verweer te voeren, zoals thans gedaan is.
4.5. Ook overigens heeft [verweerster] onvoldoende aangevoerd ter ondersteuning van haar betoog. [eiser] is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep."
De Hoge Raad vernietigde die beslissing. Met verwijzing naar HR 29 april 1994, NJ 1995, 269 m.nt. HJS overwoog de Hoge Raad dat beoordeling of het gebrek in de appeldagvaarding op juiste wijze was hersteld, in een geval waarin de geïntimeerde tenslotte in hoger beroep alsnog was verschenen, moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaf of de betrokkene door het gebrek in de dagvaarding in zijn verdediging was benadeeld. Met die maatstaf was het oordeel van het Hof, en met name het daarin tot uitgangspunt genomen vereiste van een betekening "met bekwame spoed", niet verenigbaar.
Uit de hiervóór aangehaalde overwegingen van het Hof in de onderhavige zaak, en in het bijzonder uit rov. 4.4, blijkt dat dit Hof zich wél heeft laten leiden door de maatstaf, of K.B.S in haar verdediging was benadeeld (het Hof spreekt daarbij van "in haar belangen geschaad"). Ook de laatste alinea uit deze rov. is er kennelijk op toegesneden, dit gegeven te onderzoeken. Ik meen daarom dat het Hof de te beoordelen vraag aan de hand van de juiste maatstaf heeft onderzocht.
De eerste klacht uit het middel in incidenteel beroep lijkt mij daarom ongegrond. Dat betekent dat partijen in hun overige klachten in cassatie wél kunnen worden ontvangen.
De materiele klachten in cassatie
Na behandeling van deze onderwerpen blijven op enkele details nog argumenten uit de cassatiemiddelen te bespreken, maar daarmee zal niet veel plaatsruimte gemoeid zijn. ad. a). toepasselijke wetgeving
Boek 8
Bij nader onderzoek blijkt echter dat de regeling van boek 8 maar voor een zeer beperkt deel van toepassing is als het om (binnen)sleepvaart gaat; en uit de schaarse bronnen12 valt op te maken dat daarmee ook de (binnen)duwvaart bedoeld is.
Aanvankelijk had de wetgever het voornemen, een aparte afdeling van boek 8 aan binnensleepvaart te wijden. Uit de Parl. Gesch., Invoeringswet boeken 3,5 en 6, boek 8, p. 935 en 936 blijkt echter dat van dit voornemen is afgestapt.
Vervolgens blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de artt. 8:991 en 8:531, t.a.p. p. 944 (onderaan) en p. 564 (MvT ( 14049)) resp., dat het de bedoeling is dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op de sleepovereenkomst (al zou de tekst van de betreffende artikelen licht anders kunnen doen vermoeden). Op de sleepovereenkomst is volgens deze mededelingen uit de parlementaire geschiedenis, nadat het plan voor een aparte regeling in de wet was verlaten, alleen afd. 1 van titel 2 van toepassing; zie ook Koedood op de in voetnoot 12 genoemde plaats.
Dat betekent dat ook de regel van art. 8:893, die de regels voor huur en verhuur in het algemeen voor niet toepasselijk verklaart op de overeenkomsten die in titel 10 van boek 8 geregeld zijn, op sleepovereenkomsten weer niet toepasselijk is. Deze dubbele negatie leidt er dan weer toe dat die regels op dit geval dus wél toepasselijk zijn.
De boeken 3, 5 en 6 BW
In de onderhavige zaak zijn een aantal punten aan te wijzen waarop de partijen niet, of niet erg duidelijk, hebben gesteld hoe de relevante feiten zich hebben toegedragen. In dat geval mag de rechter niet zelfstandig de ontbrekende feiten aan de hand van "eigen" feitenonderzoek aanvullen. Wat hij wel mag doen - en waar hij in een dergelijk geval ook meer dan eens toe wordt genoodzaakt -, is: de feiten die de partijen wèl gesteld hebben interpreteren, of daaruit gevolgtrekkingen maken, en daarop vervolgens zijn rechtsoordeel baseren.
Daar kon het Hof ook daarom aanleiding voor vinden, omdat de partijen hun standpunten althans voor wat betreft de gevolgen van de over en weer gestelde tekortkomingen, aan de hand van het nieuwe recht lijken te hebben bepaald, en omdat zij zich niet of nauwelijks hebben uitgelaten over een aantal problemen die het "oude" recht in dat verband zou kunnen opleveren. ([verweerster] heeft er wel op gewezen dat ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst het "oude" BW van toepassing was, en daaraan stellingen verbonden met betrekking tot de inhoud en de uitleg van de overeenkomst - maar dat is een andere kwestie) Ook in cassatie lijken de partijen trouwens te zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van het nieuwe recht. Er is geen cassatieklacht aangevoerd die ertoe strekt dat het Hof ten onrechte dat recht heeft toegepast (zoals het Hof, ik zei dat al, daadwerkelijk lijkt te hebben gedaan). Ofschoon de basis daarvoor niet breed kan worden genoemd, zal ik dus ook van de toepasselijkheid van het huidige BW op de gehele rechtsverhouding van de partijen uitgaan.
Ik begrijp de beslissing van het Hof zo, dat het Hof [verweerster] - met het al herhaaldelijk genoemde voorbehoud - als wél aan de overeenkomst gebonden heeft aangemerkt; wat tot gevolg heeft dat [verweerster] in beginsel gehouden was om [eiser] in de gelegenheid te stellen de "Roma" met zijn duwboot te transporteren. Dat laat onverlet dat [verweerster] naar alle waarschijnlijkheid ook op andere wijze aan de betreffende verplichtingen kon voldoen - bijvoorbeeld door aan te bieden [eiser] de overeengekomen huur e.a. te betalen, zonder daadwerkelijk de overeengekomen reizen uit te voeren. Deze verfijningen stonden echter in het debat ten overstaan van het Hof niet ter discussie. Daarover had het Hof zich dan ook niet uit te laten.
Dat betekent niet dat miskend zou zijn dat [verweersters] verplichting vermoedelijk minder beperkt of eenzijdig was dan in deze cassatieklacht tot uitgangspunt wordt genomen.
Als deze gedachte juist is, zou het feit dat [eisers] klachten op het punt van de ontbinding van de overeenkomst ongegrond zijn, tevens meebrengen dat hij bij zijn thans te bespreken klachten over de tekortkoming van [verweerster] en over het causale verband tussen die tekortkoming en de gevorderde schade geen belang heeft, reeds omdat de verplichting die aan de betreffende gegevens ten grondslag wordt gelegd, er niet (meer) is.
Dat vooropgesteld zijnde, zal ik die klachten nu inderdaad bespreken.
Dit argument lijkt mij ongegrond: (ook) hier geldt dat [eiser] niet had gesteld dat er een verschil in tijdsorde tussen de wederzijdse verplichtingen bestond. In aansluiting daarop is het Hof er kennelijk van uit gegaan dat dat niet het geval was. Dat is het tegendeel van verbazend, want het is eerder de regel dan de uitzondering, dat de tegenover elkaar staande verplichtingen uit een wederkerige overeenkomst gelijktijdig opeisbaar worden17.
Uitgangspunt voor de beoordeling door het Hof was dus, dat vanaf het (door het Hof niet nauwkeurig vastgestelde) ogenblik waarop de opschortende tijdsbepaling was "uitgewerkt", partijen over en weer tot presteren verplicht waren - [verweerster] dus tot het beschikbaar stellen van de "Roma", althans tot het in staat stellen van [eiser] om de uitvoering van de huurovereenkomst ter hand te nemen, en [eiser] tot het beschikbaar stellen van de duwboot "Freya" in een zodanige toestand dat de "Roma" daarmee vervoerd kon worden. Dat het Hof daar (stilzwijgend) vanuit is gegaan is, als gezegd, allerminst verbazend, zoals het ook niet verbazend is dat het bij partijen blijkbaar niet is opgekomen om met betrekking tot de tijdsvolgorde iets anders te stellen: inderdaad ligt deze uitleg als het gaat om het ogenblik waarop de wederzijdse verplichtingen van partijen opeisbaar werden, bij een overeenkomst als deze bepaald voor de hand.
Aan de kant van [verweerster] heeft het Hof voorshands18 geoordeeld dat er sprake was van wanprestatie. In het incidentele cassatieberoep wordt dat, behalve met de hiervóór in al. 25 en 26 besproken argumenten, bestreden met het betoog dat niet (vast)gesteld zou zijn dat [verweerster] effectief in gebreke was gesteld (onderdeel 3 sub b)).
Wat dit argument betreft doet zich, zoals wel vaker in deze zaak, gelden dat in de feitelijke instanties geen beroep was gedaan op het feit dat aan [verweerster], bij gebreke van ingebrekestelling, geen wanprestatie zou mogen worden tegengeworpen. Ik meen dat het hier een feitelijk argument betreft, dat een verweerder daadwerkelijk moet inroepen als hij daarmee een op wanprestatie gebaseerde vordering wil afweren; en dat de rechter, als een dergelijk verweer niet gevoerd wordt, er vanuit mag gaan dat hier geen beletsel voor het aannemen van wanprestatie bestaat.
Bovendien had in deze zaak [verweerster] het primaire standpunt ingenomen dat zij helemaal niet gehouden was tot de prestatie waar [eiser] aanspraak op maakte ([verweerster] stelde immers dat haar desbetreffende verplichting door het onvervulbaar blijken van de daaraan verbonden voorwaarde, niet was ingetreden). Daarin ligt besloten dat hier het geval bedoeld in art. 6:83 sub c) dan wel art. 6:82 lid 2 BW aanwezig was, nl. van een debiteur uit wiens mededelingen kan worden afgeleid dat hij in de nakoming van de betreffende verplichting zal tekortschieten, of uit wiens houding blijkt dat aanmaning en het stellen van een termijn geen zin heeft. Dat er ruimschoots was voldaan aan het alternatieve vereiste van art. 6:82 lid 2 BW, namelijk schriftelijke mededeling dat [eiser] [verweerster] aansprakelijk hield voor de niet-nakoming van de huurovereenkomst, kon het Hof aan de hand van de gedingstukken zonder nader onderzoek of nadere motivering aannemen.
Ook wanneer [verweerster] zich er wél expliciet op zou hebben beroepen dat aanwezigheid van verzuim - behoudens het hierna in de al. 30 te besprekene - niet mocht worden aangenomen, zou dat betoog daarom in die mate onaannemelijk zijn geweest, dat het met een minimum aan redengeving had mogen worden verworpen, of zelfs stilzwijgend had kunnen worden gepasseerd. Maar nu [verweerster] dit argument -gezien het zojuist gezegde: begrijpelijkerwijs - niet heeft geopperd, kan nadere discussie op dit thema in cassatie achterwege blijven.
Die omstandigheid brengt mee dat [verweerster] het recht had om de nakoming van de verplichtingen die zij ten opzichte van [eiser] had, op te schorten (en om ontbinding te vorderen); en dat brengt op zijn beurt weer mee dat [verweerster] zich erop mocht beroepen dat zij ten opzichte van [eiser] niet in verzuim was. Voor de gelding van het opschortingsrecht is immers niet méér vereist dan dat de verplichting waarop de aanspraak op opschorting gebaseerd wordt opeisbaar is, en effectief niet wordt nagekomen. Het is niet nodig dat er van een toerekenbare tekortkoming sprake is, en (a fortiori) niet dat de betrokken debiteur - hier dus: [eiser] - in verzuim verkeert19.
Daarbij is van belang dat de vordering tot ontbinding op deze grond, door [verweerster] geldend is gemaakt in de conclusie van eis in reconventie van 15 oktober 1992 (al. 29 sub b) met aansluitend petitum). Vanaf dat moment kon [eiser] er rekening mee houden dat [verweerster] rechtsgevolgen wilde verbinden aan de stelling dat de "Freya" niet geschikt was. Noch destijds noch later heeft [eiser] gereageerd met het betoog dat de "Freya" geschikt gemaakt kon worden, zodra [verweerster] werkelijk gebruik van het schip wilde maken (in de al. 14 t/m 16 van [eisers] Conclusie na Tussenarrest van 25 juni 1998 staan slechts enkele terloopse en ontwijkende uitlatingen over de oorzaken van het niet-goedgekeurd worden van de "Freya").
In feite is pas ruim drie maanden na [verweersters] conclusie van eis in reconventie, in januari 1993, een certificaat verkregen dat kennelijk, naar het oordeel van het Hof, voldoende blijk gaf dat de "Freya" inmiddels voor het beoogde vervoer geschikt was. [Eiser] heeft in de procedure dus nooit (alsnog) aangevoerd dat de "Freya" desgewenst op korte termijn geschikt gemaakt had kunnen worden (en dus ook niet dat [verweerster] dat wist of daarvan kon weten - een gegeven waar in deze context ook betekenis aan toekomt). Daarom behoefde het Hof deze mogelijkheid niet in zijn oordeel te betrekken (en kan men zelfs op goede grond betwijfelen of het Hof, als het daar wèl rekening mee had gehouden, zich zou hebben bezondigd aan het ambtshalve bijbrengen van niet door de partijen gestelde feiten). Het argument uit deze onderdelen van het middel is dus ondeugdelijk.
Het is theoretisch interessant om zich af te vragen in welke opzichten de beoordeling van dit gegeven - dus de benadering via de causaliteit - inhoudelijk verschilt van de afweging waarop de in al. 30 hiervóór aangestipte regels terzake van opschorting en overmacht berusten Bij analyse zijn er inderdaad verschillen op te merken - die er bijvoorbeeld toe leiden dat de afweging onder de noemer van causaliteit eerder tot een verdeling van aansprakelijkheid tussen de partijen kan leiden, dan de afweging op de voet van de leerstukken van opschorting e.a. (zie ook al. 41, vierde "gedachtestreepje" hierna). Omdat dat in deze zaak geen materieel verschil oplevert zal ik, niet zonder spijt, dit interessante theoretische gegeven verder onbesproken laten.
Te dien aanzien geldt, zoals in al. 40 hierna nader te bespreken, dat de partijen over en weer teveel in de beslissingen van het Hof willen lezen. Het Hof stond voor de beoordeling van een zaak waarin (primair en in conventie) schadevergoeding, op te maken bij staat werd gevorderd. Het Hof heeft beslist dat de schade, voorzover aansprakelijkheid daarvoor zou blijken te bestaan, wel in het kader van het geding voor het Hof zelf kon worden beoordeeld, en heeft, kennelijk ten vervolge op deze beslissing, een aantal thema's aangegeven die voor de verdere beoordeling van de schade klaarblijkelijk van belang waren. Daarmee heeft het Hof niet bedoeld de partijen te beknotten in hun ruimte om verder over de schade te debatteren, en heeft het Hof dus ook, naar men geredelijk mag aannemen, geen oordelen gegeven waarmee bepaalde vraagpunten in verband met de schadevaststelling definitief werden beslist.
De klachten van partijen die erop berusten dat het Hof dat wel zou hebben gedaan missen dus feitelijke grondslag en/of zijn prematuur, omdat zij zich richten tegen voorlopige oordelen waarmee het Hof nog geen definitief einde aan de betreffende kwestie heeft gemaakt (art. 399 Rv.). Dat geldt ook voor het aspect dat onderdeel 4 van het middel in incidenteel beroep op het oog heeft. Het Hof heeft niet beslist dat [verweerster] - aangenomen dat de andere punten die voor [verweersters] aansprakelijkheid relevant waren in [verweersters] nadeel zouden blijken uit te vallen - voor de in dit middelonderdeel bedoelde schadepost aansprakelijk was, maar heeft een aantal vragen aangewezen die van belang waren voor de beoordeling óf [verweerster] voor deze schade geheel of ten dele aansprakelijk was.
Dat stond het Hof vrij - of beter gezegd: door dat te doen gaf het Hof er blijk van zijn taak als (appel)rechter uitstekend te verstaan. Daarom acht ik dit onderdeel van het incidentele cassatiemiddel ongegrond. ad d): het oordeel van het Hof over de ontbinding van de huurovereenkomst
Hiervóór werd besproken dat het Hof er klaarblijkelijk vanuit is gegaan dat op beide partijen na het einde van de periode waarvoor de tijdsbepaling gold, een opeisbare verbintenis rustte om hun relevante verplichtingen uit de overeenkomst na te komen; en dat [eiser] de verplichting om de "Freya" in voor het vervoer van de "Roma" geschikte toestand op te leveren niet kon nakomen (en daar ook niet op betrekkelijk korte termijn verandering kon brengen - een gegeven waar noch partijen noch het Hof zich over hebben uitgelaten, zie al. 32, eerste "gedachtestreepje" hiervóór). In elk geval heeft te gelden dat het, volgens het Hof, niet gebleken is dat de "Freya" vóór de afgifte van een certificaat in januari 1993 geschikt was voor het overeengekomen vervoer; terwijl [verweerster] al in oktober 1992 een vordering tot ontbinding wegens het desbetreffende tekortschieten van [eiser] aanhangig had gemaakt.
In de onderhavige zaak heeft het Hof klaarblijkelijk aangenomen dat [eiser] de aan zijn zijde relevante prestatie- het ter beschikking stellen van de "Freya" in een toestand waarin het schip voor het overeengekomen vervoer geschikt was - in elk geval in de periode die eindigde in januari 1993 (toen alsnog een certificaat voor het schip werd afgegeven) niet kon nakomen. Zoals in al. 37 hierna zal worden besproken, kon het Hof ook geredelijk tot dat oordeel komen. Dan is tevens aannemelijk dat op het ogenblik dat [verweerster] ontbinding van de overeenkomst vorderde - oktober 1992 - aan alle voorwaarden die aan zo'n vordering gesteld worden, voldaan was: [eiser] kon (daargelaten of dat hem toerekenbaar was) de relevante verplichting niet nakomen. In verband met het in al. 32 hiervóór besprokene kon het Hof tevens aannemen (en heeft het Hof ook kennelijk aangenomen) dat [eiser] in de (tijdelijke) onmogelijkheid verkeerde om aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarmee is gegeven dat [verweerster] aanspraak kon maken op ontbinding23. De klacht van middelonderdeel 4.6 gaat daarom niet op.
Ad e): de geschiktheid van de "Freya" en de bewijslast
De overweging in het tussenarrest van 22 januari 1998 (rov. 5.10) waarin aan [eiser] de aanwijzing wordt gegeven om nadere bescheiden ter onderbouwing van de geschiktheid van de "Freya" over te leggen, is een reactie op het feit dat [eiser] zijn betwisting van dit verweer van [verweerster] tot dan toe alleen had onderbouwd met een document waaruit viel op te maken dat de "Freya" in januari 1993 gecertificeerd was. Daarmee was, naar het kennelijke en begrijpelijke oordeel van het Hof, onvoldoende gesteld om te staven dat de "Freya" ook in de periode vóór de certificering geschikt was voor het met de overeenkomst beoogde doel. Dat oordeel is eens temeer begrijpelijk, omdat [verweerster] in enig detail had aangegeven wat er naar haar inzicht aan de "Freya" ontbrak, en uit het antwoord van [eiser] bepaald niet dadelijk duidelijk werd dat de betreffende bezwaren geen hout sneden.
In het verlengde daarvan is de aanwijzing van het Hof dat [eiser] zijn antwoord op dit verweer van [verweerster] nader diende te onderbouwen, alleszins passend. Een soortgelijke situatie is onder ogen gezien in de rechtspraak over aansprakelijkheid voor fouten aan de kant van beroepsbeoefenaars: de bewijslast met betrekking tot de fout waarop de aansprakelijkheid gebaseerd wordt rust weliswaar, als de fout betwist wordt, op de eiser; maar van de verwerende beroepsbeoefenaar mag verlangd worden dat die duidelijk stelt hoe de toedracht van de gebeurtenissen waar het om gaat dan wel geweest is (en daarmee aanknopingspunten geeft waarop de bewijslevering kan voortbouwen)24.
Aan het slot van onderdeel 3.3 van het principale middel wordt mede aangevoerd dat ook de stelplicht met betrekking tot de geschiktheid van de "Freya" door het Hof verkeerd zou zijn beoordeeld. Uit wat ik hiervóór zei vloeit al voort dat ik dat standpunt verwerp: het Hof kon zeer wel oordelen dat [verweerster] in dit opzicht voldoende had gesteld, en [eiser] te weinig.
Dat betoog is onjuist. Het ziet er aan voorbij dat het niet aan de eiser alléén is om te bepalen wat de inzet van de rechtsstrijd zal zijn. Als het gaat om schadevergoeding, komt daar bij dat art. 612 Rv. de rechter voorhoudt dat deze voorzover mogelijk de schade waarover een geschil aanhangig is, begroot25. Als de gedaagde, terwijl de eiser schadevergoeding op te maken bij staat vordert, gegevens aanvoert die de rechter aanknopingpunten voor begroting lijken te bieden, handelt de rechter geheel overeenkomstig deze aanwijzing uit de wet, door die gegevens te onderzoeken. Een en ander brengt noodzakelijkerwijs met zich mee dat de eiser als die ervoor kiest desbetreffende stellingen van de verweerder niet te weerspreken, zich blootstelt aan het risico dat die stellingen als onweersproken, en dus als vaststaand, worden aangemerkt.
Dat laatste is nog in versterkte mate het geval als de eiser ook nalaat duidelijk te maken dát hij de betreffende stellingen van zijn wederpartij alleen daarom niet weerspreekt, omdat hij meent dat dat in dit stadium van het geding prematuur is. De rechter is al helemaal niet gehouden om die bedoeling steeds bij wege van rechtsvermoeden uit de houding van de zwijgende eiser af te leiden.
De aanwijzingen die het Hof in eerste arrest heeft gegeven zijn inderdaad niet meer dan aanwijzingen: opgaven van vragen waarover het Hof in elk geval nadere informatie noodzakelijk achtte. Ik vind het bepaald onaannemelijk dat het Hof daarmee zou hebben beoogd, het debat over andere aspecten van de schade, of over nog niet eerder naar voren gebrachte schadeposten, af te snijden.
Varia
Het lijkt mij duidelijk dat het Hof voor een dergelijke verdeling geen aanleiding heeft gezien. Nu partijen zich over dit punt in het geheel niet hadden uitgelaten zie ik niet, dat het Hof kan worden verweten dat het daar geen motivering aan heeft gewijd.
Conclusie De conclusie sterkt zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Feiten ontleend aan Hof Amsterdam 22 januari 1998, rov. 3 en rov. 5.4; Rechtbank Alkmaar 10 maart 1994, rov 1.
2 Prod. 1 bij c.v.a. in eerste aanleg.
3 In het rechtbankvonnis wordt de tekst in enigszins andere bewoording weergegeven.
4 Zie het petitum sub a). De vordering is later iets verminderd.
5 De cassatiedagvaarding dateert van 17 november 1999, zodat het beroep binnen de termijn van art. 402 Rv is ingesteld.
6 Dit artikel is ook in cassatie van toepassing. Vgl. Veegens / Korthals Altes / Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 139; Ynzonides, Verstek en verzet (diss,), 1996, p.92.
7 Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Asser, art. 89a, aant. 2.
8 Ynzonides, a.w. p. 45; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Asser, art. 89a, aant. 4.
9 Zie voor een niet zeldzaam praktijkgeval HR 19 februari 1988 NJ 1989, 343 m.nt. CJHB 10 Vgl. Hugenholtz / Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, nr 167.
11 Uit rov. 3.2 van dit arrest maak ik op dat de appeldagvaarding in deze zaak hetzelfde gebrek vertoonde als de appeldagvaarding in de onderhavige zaak, na de eerste rectificatie daarvan, nl.: dat betekening had plaatsgevonden aan het adres van de advocaat van de eerdere aanleg die niet tevens als procureur was opgetreden, en zonder dat daadwerkelijke domiciliekeuze aan diens kantoor had plaatsgehad. Dat dat inderdaad niet als betekening aan een "geldig adres" kan worden aanvaard blijkt o.a. uit HR 9 juni 1989, NJ 1990, 107 m.nt. WHH.
12 Zie de uitleg bij Koedood, Tekst en Commentaar boeken 6, 7 en 8 (2001), art. 8:991, aant. 1.
13 Zie daarover nader De Vries Lentsch-Kostense, Mon. Nieuw BW A25, p. 80 e.v.; Tekst en Commentaar boeken 6, 7 en 8 (2001), Olthof , bijv. aant 5 bij art 6:74; Parl. Gesch., Inv. boeken 3, 5 en 6, Overgangsrecht, p.156 e.v..
14 Zie bijvoorbeeld Olthof, t.a.p..
15 Ik erken dat ook de vaststellingen van het Hof hier niet heel veel houvast bieden. Rov. 5.8 van het arrest van 22 januari 1998 geeft de indruk dat er in de laatste maanden van 1991 in elk geval nog ruimte was om op de door [verweerster] bedoelde voorwaarde of tijdsbepaling een beroep te doen (zodat nog niet van een tekortkoming sprake kon zijn). Daarmee is niet noodzakelijkerwijs in tegenspraak dat het Hof in rov. 5.10 en 5.11 van dit arrest de periode na november 1991 als relevant in aanmerking neemt. Dit begrijp ik zo dat, omdat [eiser] de "Freya" in november 1991 voor ander werk voor [verweerster] heeft gebruikt, de periode waarin de "Freya" voor het vervoer van de "Roma" had kunnen worden ingezet op zijn vroegst ná die maand kan zijn begonnen.
16 Bij huur en verhuur van roerende zaken in het algemeen, wordt veelal aangenomen dat de huurder niet verplicht is om werkelijk van het door hem gehuurde gebruik te maken, al kan dat onder omstandigheden - het rijpaard dat geregeld bereden moet worden is een van de "klassieke" voorbeelden - anders zijn; zie bijvoorbeeld Dozy-Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht (etc.), 1999, p. 99 e.v.. Vermoedelijk is het incidentele cassatiemiddel mede op die leer geïnspireerd. Het betreft hier echter, als gezegd, een "in het algemeen"-regel waarop uitzonderingen mogelijk zijn; en de hier besproken bepaling van binnenvaartrecht suggereert dat in dat verband een ander uitgangspunt gangbaar is.
17 Zie bijvoorbeeld Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 263; Brunner-de Jong, Verbintenissenrecht Algemeen (1999), nr. 144; Streefkerk, Mon. Nieuw BW B32b, p. 15.
18 Het Hof laat daarbij (ook) in het midden wat het gevolg zou zijn van het feit dat de "Freya" op het relevante tijdstip niet geschikt was om de "Roma" te vervoeren. Daarnaar wordt immers nog verder onderzoek gedaan. Het Hof loopt dus ook nog niet vooruit op de hierna te bespreken consequenties van het feit dat later inderdaad wordt vastgesteld dat de "Freya" niet geschikt was om de "Roma" te vervoeren. Dat wordt in onderdeel 3 sub a) van het incidentele middel verkeerd gezien. Bovendien wordt in dat onderdeel miskend dat de volgorde waarin geschilpunten behandeld worden, ter vrije beoordeling van de rechter staat.
19 Zie bijvoorbeeld Asser-Hartkamp 4-I (2000), nr. 264; maar zie ook Streefkerk, Mon. Nieuw BW B32b, p. 22-23 (en de voorbeelden aan het slot van nr. 12); Oosterveen, Tekst en Commentaar boeken 6, 7 en 8 (2001), art. 6:52, aant. 3. Zie voor de overeenkomstige regel wanneer de verhindering aan de kant van de debiteur tegen wie opschorting wordt ingeroepen berust op overmacht, Asser-Hartkamp 4-I, nr. 354. Ik merk op dat bij het eerder al genoemde arrest HR 6 juni 1997, NJ 1998, 128 m.nt. PAS, voor een geval van huur en verhuur van woonruimte is aangenomen, dat voor een beroep van de huurder op het opschortingsrecht (en ook voor een vordering tot ontbinding), gebaseerd op een gebrek van de gehuurde zaak dat het genot daarvan (grotendeels) verhindert, in het algemeen nodig is dat de huurder van het gebrek mededeling aan de verhuurder heeft gedaan. Ik meen echter dat die regel geen opgeld kan doen in een geval als het onderhavige, waarin de verhuurde zaak onder de verhuurder blijft berusten en de huurder daarover niet rechtstreeks kan beschikken. (Ook) daarom acht ik onderdeel 3 sub b) van het incidentele middel ongegrond.
20 Als ik die uitdrukking blijf gebruiken misken ik niet dat de in al. 30 besproken gegevens ertoe leiden, dat [verweerster] zich erop kon beroepen dat zij ten opzichte van [eiser] niet in verzuim was. Het is echter erg omslachtig om dat voorbehoud telkens weer tot uitdrukking te brengen.
21 Zie bijvoorbeeld Schadevergoeding (losbl.), Boonekamp, art. 98, aant. 44.2, met veel rechtspraak; Asser-Hartkamp 4-I, nrs. 439 en 448a.
22 Zie daarover bijvoorbeeld Asser-Hartkamp 4-II (2001), nrs. 514 en 515 ; Brunner-de Jong, Verbintenissenrecht Algemeen (1999). nr. 232 ; Verbintenissenrecht (losbl.), Hartlief, art 265, i.h.b. aant. 12 ; Hartlief, diss. 1994, nrs. 2.2.1 en 4.2.1 ; Bakels, diss. 1993, p. 216 e.v., en Mon. Nieuw BW B58, p. 36; Tekst en Commentaar boeken 6, 7 en 8 (2001) Olthof, art 6: 265, aant. 1-6.
23 Dat zou anders zijn als de uitzonderingen van art. 6: 265 lid 1(slot) of art 6: 266 zich zouden voordoen. Daarop is echter noch in de feitelijke instanties noch in cassatie een beroep gedaan. Op het argument dat de verplichtingen van [eiser] (dan wel van [verweerster]) eerder opeisbaar zouden zijn geworden dan die van de wederpartij, is eerder in deze conclusie al ingegaan. [eiser] heeft (ook) geen beroep gedaan op schuldeisersverzuim aan de kant van [verweerster]. Het ligt ook enigszins in de rede dat de onderwerpelijke prestatie van [eiser] geen medewerking van [verweerster] vereiste, zie Asser-Hartkamp 4-I, nr. 279 (slot).
24 Een voorbeeld van deze rechtspraak blijkt uit HR 10 januari 1997, NJ 1999, 286, m.nt. WMK, rov. 3.3 en 3.5.2.
25 Zie daarover Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Gerretsen, art. 612, aant. 2.