zake NEDERLANDSE VAKBOND VAN VARKENSHOUDERS en 14 anderen tegen DE STAAT (ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) Edelhoogachtbaar college, 1. HET VARKENSMESTPROBLEEM 1.1.
de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft de Nederlandse overheid een restrictieve regeling voor de productie van varkens- en kippenmest
gevoerd. Daarin heeft zij het maximaal te houden varkens per bedrijf afhankelijk gesteld van een toegekende referentiehoeveelheid mest. 1.2. Per 1 januari 1994 is de Wet verplaatsing mestproductie
werking getreden
gevoerd. De wet kent het begrip "niet gebonden mestproductierecht". Hieronder wordt verstaan het deel van het mestproductierecht dat het aan de grond gekoppelde recht van 125 kilogram fosfaat per jaar per hectare van de
het desbetreffende jaar tot het bedrijf behorende landbouwgrond te boven gaat. 1.
gevoerd. Met deze korting werd beoogd het landelijk evenwicht tussen de mestproductie en afzet daarvan te bewaren.
tegrale Notitie mest- en ammoniakbeleid aangeboden, waarin het nieuwe nationale beleidskader voor de jaren 1998-2010 is neergelegd.
de notitie wordt uitgegaan van een geleidelijke aanscherping van de bemestingsnormen, waarbij de hoeveelheid fosfaat moet worden verminderd met 14 miljoen kg, hetgeen zou overeenkomen met 25% van de forfaitair berekende totale mestproductie van 60 miljoen kg. 1.6. Dit heeft geleid tot de Wet tot wijziging van de Meststoffenwet, welke op 1 januari 1998
werking is getreden.
gevoerd. Dit is een stelsel van regulerende mineralenheffingen dat voorziet
een geleidelijke aanscherping van de normen
zake toelaatbare verliezen van fosfaat en stikstof als gevolg van het gebruik van meststoffen. 1.7. Bij brief van 10 juli 1997
de totstandkoming van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv)
de omzetting van mestproductierechten
varkensrechten en
de vaststelling van die varkensrechten. 1.8.
de memorie van toelichting bij het voorstel van laatstgenoemde wet heeft de bewindsman over het doel van de regeling het volgende opgemerkt: "Het
het onderhavige wetsvoorstel neergelegde stelsel van varkensrechten, houdende een maximering van de aantallen varkens die op de bedrijven worden gehouden, dient primair om de noodzakelijke condities te scheppen voor effectuering en handhaving van de aanscherping van de normen
zake de toelaatbare fosfaat- en stikstofverliezen naar het milieu
het kader van het stelsel van regulerende mineralenheffingen. De maximering strekt ertoe een landelijk niet-plaatsbaar overschot aan varkensmest te voorkomen, wat een absolute voorwaarde is voor het effectief terugdringen van de fosfaat- en stikstofbelasting van het milieu door de varkenshouderij. De maximering van het aantal varkens is een noodzakelijke, aanvullende maatregel, als bedoeld
artikel 5, vijfde lid, van de EG-Nitraatrichtlijn."
werkingtreding uit van het gemiddelde aantal varkens dat
het kader van de mestwetgeving
1996 (of 1995) werkelijk op het bedrijf werd gehouden. De niet benutte ruimte binnen de bestaande mestproductierechten (de latente ruimte) neemt men bij de vaststelling dus niet aanmerking. Het gemiddelde van de werkelijk benutte mestproductierechten wordt vervolgens verminderd met een generieke korting van 10%.
een verdere generieke korting van het aantal varkensrechten per 1 januari 2000 met nog maximaal 15%. Het uiteindelijk per 1 januari 2000 te hanteren percentage hangt af van de
middels reeds opgetreden vermindering van het aantal varkensrechten door opkoop of afroming, tot een minimum van 5%
gevolge de Whv zijn de varkensrechten verhandelbaar. Overgang is echter niet toegestaan tussen bedrijven die gelegen zijn
een van de door de Whv aangewezen concentratiegebieden en bedrijven daarbuiten, alsmede tussen bedrijven die niet
hetzelfde concentratiegebied zijn gelegen. Bij overgang van varkensrechten of bij overdracht van een bedrijf vindt afroming plaats. Het aantal varkensrechten wordt verminderd met 40%
dien de kennisgeving van de overgang
1998 wordt gedaan, met 60%
dien de kennisgeving
1999 wordt gedaan en met 25%
dien de kennisgeving na 1999 wordt gedaan. Bij overgang van varkensrechten
1998 en 1999 komt aan de vervreemder voor het te korten deel een financiële vergoeding toe
aanmerking genomen. Bij brieven van 28 september 1998 en 21 oktober 1998 heeft de minister aan de Tweede Kamer aangekondigd dat het Besluit zal worden uitgebreid met nog een aantal categorieën varkenshouders. Zulk een uitbreiding is opgenomen
een besluit van 25 mei 2000, Stb.
werkingtreding van de wet geëvalueerd
gebreke is gebleven met betrekking tot de naleving van de Nitraatrichtlijn (RL 91/676/EEG). De Europese Commissie was van mening dat het totale actieplan van Nederland onvoldoende was, onder meer omdat er op veel onderdelen niets geregeld was, en omdat de regels onvoldoende waren. Ten aanzien van de Whv oordeelde de Commissie dat het onwaarschijnlijk is dat een reductie van 25%
aantallen varkens kan worden vertaald
een volle reductie van 25%
van varkens afkomstige stikstofproductie. Er zou slechts een reductie zijn van 29,6 miljoen kg. stikstof als gevolg van de voorgenomen vermindering van varkensaantallen, hetgeen zou overeenkomen met 4,6% van de totale mestproductie. 1.15. Op 23 december 1998 is onder verantwoordelijkheid van de bewindslieden van LNV en VROM een wetsvoorstel
zake de reconstructie van de zogenaamde concentratiegebieden (Reconstructiewet concentratiegebieden)
gediend.
deze gebieden is een groot deel van de Nederlandse
tensieve veehouderij gelokaliseerd. 1.16. Op 10 september 1999 hebben de ministers van LNV en VROM nieuwe mestplannen bekend gemaakt. Hierin is sprake van de
troductie van een systeem van zogenaamde mestafzetcontracten.
deze overeenkomsten zijn niet langer de
het verleden opgebouwde productierechten bepalend voor de omvang van de veestapel per bedrijf, maar de mate waarin het bedrijf de mestafzet heeft verzekerd
gediend
gang van 1 januari 2005 vervallen worden verklaard
hoger beroep niet zijn opgekomen, met uitzondering van een door de Staat tegen ro. 1.11 van het vonnis gemaakt bezwaar
de varkenshouderij en de daarmee samenhangende mestproblemen alsmede op de ten dien aanzien genomen overheidsmaatregelen. Een en ander is verwerkt
afd. 1 van deze conclusie. 2.2. De vereniging Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV), eiseres van cassatie, is
1994 opgericht en heeft tot doel het scheppen van gunstige voorwaarden voor varkenshouderijen en het behartigen van belangen van varkenshouders. De overige eisers van cassatie zijn varkenshouders waarvan de meesten hun bedrijf uitoefenen
Nederland. Eén van de eisers is een Duitse GmbH die een
Duitsland gevestigde varkenshouderij exploiteert. 2.3. NVV c.s. verzetten zich tegen het, door het
de Whv geïntroduceerde stelsel van varkensrechten, verloren gaan van de latente ruimte en de opgelegde gefaseerde kortingen van 10% en (maximaal) 15%. 2.4. Tussen partijen zijn enkele korte gedingen gevoerd
noot genoemde zaak hierna, § 3.5.
leidende dagvaarding van 26 juni 1998 hebben NVV c.s. de Staat op verkorte termijn gedagvaard voor de rechtbank te Den Haag en gevorderd: I) - primair: onverbindendverklaring van de Whv, althans buiten werkingstelling daarvan wegens strijd met een hogere regeling; - subsidiair: te bepalen dat de Whv geheel dan wel wat betreft de hoofdstukken II t/m V buiten toepassing dient worden gelaten, althans de Staat te bevelen de (genoemde hoofdstukken van de) Whv niet uit te voeren, totdat zal zijn voorzien
een volledige, althans adequate, schadevergoedingsregeling voor
dividuele gevallen en - meer subsidiair: te bepalen dat de (genoemde hoofdstukken van
volledige althans adequate schadevergoeding voor
dividuele gevallen; II) te verklaren voor recht dat de Staat zich jegens hen schuldig maakt aan onrechtmatige daad en dientengevolge jegens de andere eisers van cassatie dan NVV aansprakelijk is voor alle door hen geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III) de Staat te veroordelen
de proceskosten. 3.2.1. NVV c.s. zijn van mening dat het stelsel van generieke kortingen en van het vervallen van de latente ruimte neerkomt op ontneming van vermogensrechten. Door de totstandbrenging,
standhouding en
werkingtreding van de Whv zonder enige overgangsregeling en de uitvoering daarvan zonder volledige of adequate schadeloosstelling van de gedupeerde varkenshouders, heeft de Staat jegens hen onrechtmatig gehandeld. Deze onrechtmatigheid zou
de eerste plaats voortvloeien uit strijdigheid met art. 14, leden 1 en 3, Gw., welke bepaling het eigendomsrecht beoogt te beschermen, en met de algemene rechtsbeginselen (waaronder het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en de redelijkheid en billijkheid). 3.2.2. Daarnaast zou de wet
strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM en met het Europees (landbouw)recht,
het bijzonder de artt. 33 en 34 (ex artt. 39 en 40) van het EG-Verdrag en de regels betreffende gemeenschappelijk marktordening
de sector varkensvlees, alsmede met art. 43 (ex 52) EG-Verdrag en met de fundamentele rechtsbeginselen van de communautaire rechtsorde. De andere eisers van cassatie dan NVV hebben gesteld dat zij door de korting en ontneming van hun eigendomsrechten schade hebben geleden. 3.3.1.
het onderhavige bodemgeschil heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 23 december 1998 geoordeeld dat art. 120 van de Grondwet zich tegen een toetsing van de Whv aan de Grondwet en fundamentele rechtsbeginselen verzet. Voorts heeft zij weliswaar overwogen dat het stelsel van varkensrechten een
breuk maakt op de gemeenschappelijke marktordening, maar daaraan heeft zij toegevoegd dat de Whv een ander doel heeft dan de verordening, namelijk de bescherming van het milieu,
het bijzonder tegen milieuschade door mestoverschotten. EG-harmonisatie ontbreekt op dit terrein. 3.3.2. Voor beantwoording van de vraag of de maatregelen ter verwezenlijking van dit doel noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn, heeft de rechtbank de Staat
de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de cijfers, die NVV c.s.
het geding hebben gebracht, uit welke gegevens kan worden afgeleid dat het doel dat de Staat met de maatregelen beoogt te bereiken, te weten te voorkomen dat
2002 een landelijk niet-plaatsbaar mestoverschot van 14 miljoen kg fosfaat bestaat, ook zonder die vergaande, althans met minder vergaande maatregelen wordt of kan worden gerealiseerd. 3.3.3. De rechtbank merkte echter voorshands op dat
dien niet komt vast te staan dat het systeem van de Whv proportioneel is om de overschotten tegen te gaan, de Whv
strijd is met de Europese marktordening en derhalve, wat betreft het daarin opgenomen stelsel van varkensrechten, onverbindend moet worden verklaard. Voorts stelde zij vast dat de mestproductie- en varkensrechten behoren tot de eigendom van de varkenshouderijen en dat door het vervallen van de latente ruimte en de generieke kortingen die eigendom deels aan de varkenshouders wordt ontnomen. Die ontneming zonder vorm van compensatie is volgens de rechtbank, behoudens uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn,
strijd met art. 1 van het Eerste Protocol. 3.3.4. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de rol, na zonder voorbehoud te hebben overwogen dat
dien het primair gevorderde zou worden afgewezen, de subsidiaire vordering zou worden toegewezen, met dien verstande dat de hoofdstukken II t/m IV buiten toepassing moest worden gelaten totdat is voorzien
een adequate schadevergoedingsregeling voor de eigenaren van de mestproductierechten. 3.4. De Staat is van deze beslissing
hoger beroep gegaan bij het gerechtshof
Den Haag. NVV c.s. hebben
cidenteel appel
gesteld. 3.5.1. Op vordering van NVV c.s. heeft de president van de Haagse rechtbank
een vonnis
kort geding van 23 februari 1999 de Staat gelast de hoofdstukken II t/m IV van de Whv buiten toepassing te laten totdat hetzij
de bodemprocedure zou zijn beslist dat de desbetreffende onderdelen niet
strijd zijn met art. 1 van het eerste Protocol bij het EVRM, hetzij voorzien is
een adequate schadevergoedingsregeling.
gestelde cassatieberoep bij arrest van 19 mei 2000 verworpen.
gevaar te laten komen heeft de minister van LNV op 10 november 1999 bij de Tweede Kamer een voorstel
gediend voor een noodwet ter beperking van de omvang van de varkenshouderijen (Tijdelijke wet beperking omvang varkenshouderij
een nieuw productieplafond, waarvan ook de latente ruimte deel uitmaakt. 3.6.
de onderhavige bodemprocedure heeft het hof bij arrest van 20 januari 2000 het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende bepaald dat art. 31 van de Whv,
zake de generieke korting van 15% met
gang van 1 januari 2000, ten aanzien van eisers van cassatie sub 2 t/m 8 buiten toepassing moet blijven en het overige of anders gevorderde afgewezen. 3.7.1. NVV c.s. zijn van dit arrest (tijdig)
cassatie gekomen. Dit beroep steunt op een middel dat uit vier onderdelen bestaat, die uit subonderdelen
totaal 26 zijn opgebouwd. 3.7.2. De Staat heeft
cidenteel cassatieberoep
gesteld. Dit beroep is gebaseerd op twee middelen. Middel I telt vier onderdelen (waarvan het vierde uit twee subonderdelen bestaat). Het middel is voorgesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 2 van het principale beroep slaagt. Het onvoorwaardelijk voorgestelde middel II heeft acht onderdelen, waarvan de laatste drie uit
totaal negen subonderdelen bestaan.
clusief de generieke korting van 10% weer onverkort geldt voor alle varkenshouders. De minister laat verder weten de tweede generieke korting van maximaal 15% bij alle varkenshouders buiten toepassing te zullen laten. Wel houdt de bewindspersoon vast aan het streven, voorafgaand aan de
troductie van het stelsel van mestafzetovereenkomsten, zoveel mogelijk evenwicht op de mestmarkt te realiseren. 4.2.Bij brief van 4 april 2000 heeft de minister het voorstel voor de Tijdelijke Wet beperking omvang varkenshouderij
getrokken.
ro. 9.1. heeft het hof het oordeel uitgesproken dat art. 120 Gw. de rechter geen vrijheid laat de
houd van de wet
formele zin (i.f.z.) aan algemene rechtsbeginselen te toetsen. Daartegen keert zich onderdeel 1 van het principaal voorgestelde middel. 5.
enige een ieder verbindende verdragsbepaling. 5.3. Het middel beoogt zodoende de afwijzing door de Hoge Raad van de toetsing van de wet i.f.z. aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen
het Harmonisatiewetarrest
de voor het tot stand brengen van wetten voorgeschreven parlementaire procedure [is] geen afdoende waarborg meer (...) gelegen voor het rechtsgehalte van die wetten."
monistische richting en (...) thans een tegenwicht van de onafhankelijke rechter noodzakelijk maakt." 5.4.1. De steller van het middel poneert
brede kring overeenstemming ontstaan. Tot wetgeving is het evenwel niet gekomen, hetgeen moet worden geweten aan onvermogen van "de politiek" om het eens te worden over een wettelijke regeling." Met "
brede kring" wordt bedoeld:
de kring van jusristen, terwijl overigens ook daar m.i. geen unanimiteit bestaat. Het "onvermogen van de politiek" is een onwelwillende manier om tot uitdrukking te brengen dat voor
voering van algemene constitutionele toetsing van wetten i.f.z.
het parlement geen meerderheid, zeker geen tweederde meerderheid, bestaat. De
eisers schriftelijke toelichting genoemde pleidooien voor constitutionele toetsing zijn de lege ferenda gedaan. Zolang daarvoor de vereiste parlementaire meerderheid niet te vinden is, dan zullen dergelijke pleidooien geen effect kunnen sorteren. 5.4.2. De lege lata impliceert art. 120 Gw, aldus de Hoge Raad
het Harmonisatiewetarrest, een verbod tot toetsing van de wet i.f.z. aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen. De eis de Whv toch maar aan zulke beginselen te toetsen is een uitnodiging aan de rechter een greep naar de macht te doen door de grondwettelijke bepaling naast zich neer te leggen omdat de (grond)wetgever niet bereid blijkt deze te wijzigen. 5.4.3. De omstandigheid dat een wet
breuk maakt op de belangen van bepaalde burgers, ondernemingen of maatschappelijke groeperingen wil trouwens niet zeggen dat die wet "onvoldoende rechtsgehalte" heeft. Paradoxaal genoeg demonstreert dit betoog juist een van de zwakke zijden van de bepleite toetsing door de rechter van de wet i.f.z. Het ongenoegen van burgers en groeperingen over bepaalde besluiten dat zich nu richt op het parlement en "de politiek"
het algemeen, zal zich dan op de rechter richten. Het mestprobleem is een duidelijk voorbeeld. Het is onaannemelijk dat dit tot tevredenheid van zowel varkenshouders als milieubeweging opgelost kan worden. 5.5.1. Hoe het zij, vier dagen voor de cassatiedagvaardingen
de onderhavige zaak en een half jaar vóór het geven van de schriftelijke toelichtingen heeft de Hoge Raad
het Harmonisatiearrest gegeven oordeel bevestigd, overwegend (ook toen over een arrest van het gerechtshof
Den Haag) "het heeft (...) met juistheid geoordeeld dat het
art. 120 [Gw.] neergelegde toetsingsverbod mede betrekking heeft op toetsing aan algemene rechtsbeginselen."
de rechtszaal niets meer veranderd. 5.5.
strijd is met art. 6 EVRM.
deze verdragsbepaling zou besloten liggen dat de rechter - zo nodig ambtshalve - over alle relevante aspecten van de zaak moet kunnen beslissen, dus ook over de vraag of de desbetreffende wettelijke bepalingen
strijd zijn met fundamentele rechtsbeginselen. 5.6.2. Ook dit argument is
de zaak Harmonisatiewet al naar voren gebracht
het nationale recht van de lidstaten van de Raad van Europa ten tijde van het tot stand komen van het EVRM zeer verschillend was, en ook thans nog zeer verschillend is geregeld, kan niet worden aangenomen dat de verdragsluitende partijen de verplichting hebben willen aanvaarden hun rechters
volle omvang tot zulk een toetsing bevoegd te maken." 5.6.
ro. 12.1. heeft het hof overwogen dat het met de rechtbank van oordeel is dat het systeem van de Whv
breuk maakt op de gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees, neergelegd
een Raadsverordening
die verordening hebben, aldus het hof (ro. 12.2.) , voorrang boven de algemene verdragsbepalingen over de
terne markt, zoals de artt. 29 en 43 (ex artt. 34 en 52)
breuk op te maken. Eveneens zijn regelingen die een goede werking van een marktordening
de weg staat, daarmee onverenigbaar. Dat geldt ook wanneer die marktordening de desbetreffende materie niet uitputtend regelt (ro. 12.3)
breuk te maken op de gemeenschappelijke marktordening, daarmee toch onverenigbaar is,
dien zij meer dan te verwaarlozen
vloed heeft op de werking van de markt
dit geval van een meer dan te verwaarlozen
vloed
dat verband heeft het hof aangenomen dat de Whv uitgaat van een minimaal te realiseren beperking van de Nederlandse varkensstapel van 20% (ro. 12.5). 6.1.4. Vervolgens heeft het hof verwezen naar rechtspraak van het HvJEG waarin het beginsel is ontwikkeld dat nationale bepalingen die dwingende eisen van algemeen belang beogen te dienen, gerechtvaardigd zijn,
dien zij noodzakelijk zijn voor een doeltreffende bescherming van het betrokken belang en dit belang niet even doeltreffend kan worden gediend door minder verstrekkende maatregelen (ro. 14.1). Tot die dwingende eisen van algemeen belang behoort het belang van een duurzaam milieu
zijn verschillende subonderdelen, op tegen de door het hof aanwezig geachte rechtvaardigingsgrond. 6.2.
cidenteel voorgestelde, middel I betoogt dat het hof
ro. 12.3 ten onrechte uit de jurisprudentie van het HvJEG afleidt dat een nationale maatregel die niet de strekking heeft af te wijken van of
breuk te maken op de gemeenschappelijke marktordening, daarmee toch onverenigbaar is
dien zij meer dan te verwaarlozen
vloed heeft op de werking van de markt. 6.3.2. Deze jurisprudentie (onderdeel 1) zou slechts betrekking hebben op nationale regelingen van al dan niet door de gemeenschappelijke marktordening uitputtend geregelde materie, die dezelfde doeleinden nastreven als de gemeenschappelijke marktordening. De lidstaten zouden echter
beginsel bevoegd gebleven zijn nationale regelingen te treffen die andere doeleinden nastreven dan de gemeenschappelijke marktordening, zelfs wanneer die regelingen gevolgen kunnen hebben door de goede werking van de markt
de betrokken sector
de sector varkensvlees en het verzekeren van een redelijke levensstandaard aan de betrokken landbouwbevolking. De gemeenschappelijke marktordening bevat geen regeling ter bescherming van het milieu. Weliswaar bestaat een EG-richtlijn ter bestrijding van schadelijke gevolgen voor het milieu door overbemesting (de "nitraatrichtlijn"
dien zij meer dan een te verwaarlozen
vloed heeft op de werking van de gemeenschappelijke markt", te streng is en daardoor blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Deze opvatting zou met name niet kunnen steunen op het door het hof genoemde arrest Irish Creamery (zie hiervóór, noot 37). 6.3.5. Onderdeel 3 voegt hieraan motiveringsklachten toe met betrekking tot het oordeel van het hof dat de Whv een meer dan te verwaarlozen
vloed heeft op de gemeenschappelijke marktordening
de sector varkensvlees. Onderdeel 4 bestrijdt dat de Whv tot een verlegging van de handelsstromen zal leiden en aldus een distorsie van de handelsstromen creëert. Zelfs
dien zulks juist zou zijn, zou de verlegging van handelsstromen er niet zonder meer toe kunnen leiden dat de Whv onverenigbaar is met de gemeenschappelijke marktordening, dan wel op gespannen voet staat met het daaraan ten grondslag liggende beginsel van de open markt. 6.4. Aangezien het hiervóór (kort) weergegeven
cidentele middel de verste strekking heeft, zal ik dit allereerst behandelen. Waar nodig zal ik echter op het principale middel teruggrijpen. 6.5.1. Ter ondersteuning van dit middel heeft de Staat doen stellen
art. 33 (ex art.39) van het EG-verdrag genoemde doeleinden. Deze doeleinden zijn van economische aard, met een sociale bijkleuring (verzekering van de landbouwbevolking van een redelijke levensstandaard, m.n. door verhoging van het hoofdelijk
komen vgl. hiervóór, § 6.3.3.). 6.5.2. De marktordening omvat (s.t., § 4.1.) een prijs- en
terventieregeling ter vergemakkelijking van de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt. Een op heffingen en restituties gebaseerde regeling van het handelsverkeer met derde landen moet voorkomen dat prijsschommelingen op de wereldmarkt een terugslag op de prijzen binnen de Gemeenschap hebben. 6.5.3. De totstandkoming van een gemeenschappelijke marktordening beperkt de bevoegdheden van de lidstaten op het betrokken terrein, maar sluit ze niet a priori uit. De lidstaten behouden restbevoegdheden (s.t. § 4.2.)
de betrokken sector (s.t. § 4.4.)
appel gesteld (samengevat
ro. 27 van het bestreden arrest) dat de maatregelen van de Whv niet geschikt zijn om aan de nitraatrichtlijn te voldoen en dat zij voor het voorkomen van een niet plaatsbaar mestoverschot niet nodig zijn, omdat de branche daarvoor zelf al zorg draagt. Het hof (roo. 28.1.-30.3) heeft het eerste argument aanvaard, het tweede niet. 6.5.4.3. De Staat heeft de niet-aanvaarding door het hof van het verband tussen de Whv en de nitraatrichtlijn
de s.t. (§ 4.2.) bestreden, maar
cidenteel middel I niet, althans niet duidelijk. Daarentegen hebben NVV c.s.
het principale middel (subonderdelen 2.7-2.9) gesteld dat het hof heeft miskend dat de Whv geen relevant zelfstandig milieubeschermingsdoel heeft. Voorts zou het oordeel van het hof
deze onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, zijn
de Whv primair wordt beoogd te bereiken dat er per 2002 geen sprake meer zal zijn van een niet plaatsbaar mestoverschot. Volgens de toenmalige minister was dit
verband met de fraudedruk een absolute voorwaarde voor de handhaving en effectuering van de normen
zake de toelaatbare fosfaat- en stikstofverliezen, zoals die zijn neergelegd
het stelsel van regulerende mineralenheffingen (MINAS-systeem)
de wet van 2 mei 1997 (Stb. 360), strekt ertoe de belasting van het milieu door mineralen te verlagen tot een verantwoord niveau
die wet en het MINAS-systeem ook los van dat systeem wenselijk worden geacht
het belang van het milieu. De minister van LNV heeft hierover opgemerkt: "Een minder omvangrijke varkensstapel is overigens los van deze
ternationale verplichtingen onvermijdelijk, gegeven de eigen nationale doelstellingen ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit, het milieu, de natuur en het landschap. (...) De varkenshouderij legt
haar huidige omvang een onevenredig beslag op de
Nederland beschikbare ruimte, en betekent een onevenredig zware belasting voor de natuur en het landschap."
het licht van het achterliggende streven te komen tot een mestevenwicht
2002. Volgens de berekeningen van de minister kon dit doel slechts worden bereikt wanneer bij de varkenshouderijen het landelijk niet plaatsbaar mestoverschot met 14 miljoen kilogram fosfaat zou worden gereduceerd. De
de Whv opgenomen maatregelen tot
krimping van de varkensstapel met 25% achtte de minister daarom onvermijdelijk
houdend dat de Whv een zelfstandig milieubeschermingsdoel heeft blijft daardoor overeind. 6.5.6.1.
het al genoemde arrest Holdijk (zie hiervóór, noot 40) heeft het HvJEG (ro. 12) overwogen: "Wat de bepalingen van de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwproducenten betreft, moet allereerst worden opgemerkt, dat de totstandbrenging van een dergelijke ordening krachtens artikel 40 EEG-Verdrag
vloed op de productie-voorwaarden gevolgen kunnen hebben voor de omvang of de kosten van de nationale productie en, bijgevolg, voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt
de betrokken sector. Het
artikel 40, lid 3, EEG-verdrag neergelegde verbod van elke discriminatie tussen de producenten van de Gemeenschap betreft de door de gemeenschappelijke marktordening nagestreefde doeleinden en niet de verschillende productievoorwaarden, die voortvloeien uit nationale regelingen van algemene aard, waarmee andere doeleinden worden nagestreefd."
het ook al genoemde arrest Annibaldi (zie hiervóór, noot 45) heeft het HvJEG dit
ro. 20 bevestigd, overwogen: "Voorts moet worden beklemtoond, dat volgens vaste rechtspraak (...)
vloed op de productievoorwaarden, gevolgen kan hebben voor de omvang of de kosten van de nationale productie en, bijgevolg, voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt
de betrokken sector." 6.5.6.2.
een noot onder het bestreden arrest
de zaak Holdijk (...) kan worden afgeleid, dat wanneer de communautaire regeling geen betrekking heeft op milieu-eisen zoals bestreken door de Whv, dit de bevoegdheid van de nationale wetgever onverlet laat om voor de niet door de EG-regeling bestreken aspecten de nodige maatregelen te nemen. Het gerechtshof had derhalve o.i. de reikwijdte van de doelstellingen van verordening 2759/75 moeten onderzoeken. Wanneer deze mede milieudoelstellingen als bedoeld
de Whv zou bestrijken, dan zal strijdigheid met de marktordening niet alsnog met een beroep op de bescherming van het milieu kunnen worden gerechtvaardigd. Echter bij gebreke van dergelijke milieudoelstellingen en dit lijkt ons de meest aannemelijke
terpretatie staat de bevoegdheid van de nationale wetgever om maatregelen als bedoeld
de Whv te nemen niet ter discussie. Wel zal dan de Whv vervolgens op zijn compatibiliteit met de art. 28 en 29 EG-verdrag moeten worden beoordeeld. Nu de Whv, blijkens de uitspraak
punt 13 een
voer-aanzuigende werking heeft, zal van een verboden
voerbelemmering geen sprake zijn. Ook strijd met art. 29 ligt niet
de rede, aangezien het hier geen specifieke de uitvoer betreffende maatregel betreft. Bij afwezigheid van strijd met de art. 28 en 29 EG, is het vervolgens niet nodig een beroep te doen op de 'rule of reason' en behoeft de maatregel
dat geval ook geen nadere toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Samenvattend, cruciaal voor de aanvaardbaarheid van de Whv
het licht van verordening 2759/75 is de vraag naar de mate waarin deze verordening milieudoelstellingen
de marktordening voor varkensvlees heeft geïntegreerd. Het gerechtshof had o.i. deze vraag
zijn arrest centraal moeten stellen." 6.5.6.3. Lauwaars/Timmermans
afwachting van een communautaire aanpak, vooreerst van de nationale overheid moeten worden verwacht."
redelijkheid buiten twijfel staat dat dit niet het geval is
de onderdelen 2.
strijd is met de artt. 28 en 43 EG-verdrag (ex 34 en 52). De rechtbank heeft die stellingen verworpen. NVV c.s. zijn daartegen opgekomen
hun
cidenteel appel (grief XVII, maar het hof zou hieraan voorbijgegaan zijn. 6.5.6.6. Het hof is m.i. aan deze grief niet voorbijgegaan. Het heeft hem verworpen
ro. 14.1., zodat de hier bedoelde klachten feitelijke grondslag missen. Overigens stuiten zij ook af op gebrek aan belang omdat het oordeel van de rechtbank juist is. 6.5.7.1. Ik kom tot de slotsom dat de subonderdelen 2.7-2.9 van het principale middel falen en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de Whv een relevant zelfstandig milieubeschermingsdoel heeft. De Nederlandse wetgever was
de gegeven omstandigheden bevoegd tot dat doel maatregelen te nemen. Derhalve meen ik dat middel I
het
cidenteel beroep,
dien het aan de orde zou komen, slaagt. De overige onderdelen van dit middel behoeven,
het licht van het bovenstaande geen behandeling meer. 6.5.7.
cidenteel middel I worden behandeld en dan zal blijken dat dit terecht is voorgesteld en dat de Whv niet
strijd is met de gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees. Onderdeel 2 van het principale middel berut daarom op een onjuist uitgangspunt. De daarin behandelde vraag of het hof terecht een rechtvaardigingsrond voor de
het bestreden arrest geconstateerde strijd van de wet met de marktordening aanwezig heeft geacht, heeft zodoende geen belang meer. 7. DE WHV EN ART. 1 VAN HET EERSTE PROTOCOL EVRM 7.1.1. Onderdeel 3
het principale beroep en middel II
het
cidentele beroep hebben betrekking op de vraag of het stelsel van varkensrechten
de Whv
strijd is met art. 1 van het eerste Protocol bij het EVRM. 7.1.2. De Engelse tekst van dit artikel luidt: "Every natural of legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except
the public
terest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of
ternational law. The preceding provisions shall not, however,
any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property
accordance with the general
terest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties."
de Nederlandse vertaling luidt deze bepaling als volgt: "Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve
het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien
de wet en
de algemene beginselen van
ternationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren
overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren." 7.1.3. De geciteerde bepaling beschermt "peaceful enjoyment" van de eigendom. Dit veronderstelt dat zij niet alleen bescherming biedt
dien sprake is van een
breuk op de eigendom op zichzelf, maar ook
dien de rechthebbende door de overheidsmaatregelen wordt beperkt
het gebruik daarvan. Dit blijkt ook uit het tweede lid, waarin wordt gesproken van "to control the use of property". 7.1.4. Naar het oordeel van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bevat art. 1 eerste Protocol EVRM drie te onderscheiden, maar onderling verbonden regels. De eerste zin van het eerste lid bevat het algemene beginsel van het ongestoord genot van eigendom. De tweede zin van het eerste lid heeft betrekking op de ontneming van eigendom en stelt hieraan bepaalde voorwaarden. De derde regel, vervat
het tweede lid, erkent dat de lidstaten bevoegd zijn het gebruik van eigendom te reguleren
overeenstemming met het algemeen belang. De laatste twee regels vormen een bijzondere toepassing van het algemene beginsel
het eerste lid en moeten volgens het EHRM daarom
het licht hiervan worden uitgelegd
het onderhavige verband volgens het EHRM, geef ik hieronder een aantal citaten uit de rechtspraak van dit Hof. a.
de zaak James and others
verplichte overdracht van onroerende zaken. Het EHRM overwoog (§ 51): "(..) It is, so the applicants argued, only if there was no other less drastic remedy for the percieved
justice that the extreme remedy of expropriation could satisfy the requirements of Article 1. The amounts to reading a test of strict necessity
to the Article, an
terpretation which the Court does not find warranted. The availability of alternative solutions does not
itself render the leasehold reform legislation unjustified; it constitutes one factor, along with others, relevant for determining whether the means chosen could be regarded as reasonable and suited to achieving the legitimate aim being pursued, having regard to the need to strike a "fair balance". Provided the legislature remained within these bounds, it is not for the Court to say whether the legislation represented a fair solution for dealing with the problem or whether the legislative discretion should have been exercised
another way (...)" b.
het arrest-Van Marle
de Wet op de accountants-administratieconsulenten aan de orde. Klagers was
schrijving als accountant-administratieconsulent geweigerd. Zij betoogden dat hierdoor hun
komen en de waarde van de door hen opgebouwde goodwill waren verminderd en dat hun eigendom hen gedeeltelijk was ontnomen (§ 39). Het EHRM overwoog (§ 41-43): "41. The Court agrees with the Commission that the right relied upon by applicants may be likened to the right of property embodied
: by dint of their own work, the applicants had built up a clientèle; this had
many respects the nature of a private right and constituted an asset and, hence, a possession within the meaning of the first sentence of Art. 1 (?) 42. The refusal to register the applicants as certified accountants radically affected the conditions of their professional activities and the scope of those activities was reduced. Their
come fell, as did the value of their clientèle and, more genarally, their business. Consequently, there was
terference with their right to the peaceful enjoyment of their possessions. 43. However, that
terference was, as the Commission considered, justified
terms of the second paragraph of Art. 1.(?)" c.
de zaak Tre Traktörer
trekking van een vergunning tot het schenken van alcoholische dranken aan de orde. Het EHRM overwoog hierin (§ 53): "The Government argued that a licence to serve alcoholic beverages could not be considered to be a "possession" within the meaning of Article 1 of the Protocol. This provision was therfore,
their opinion, not applicable to the case. Like the Commission, however, the Court takes the view that the economic
terests connected with the running of Le Cardinal
deed, the Court has already found that the maintenance of the licence was one of the principal conditions for the carrying on of the applicant company's business, and that its withdrawal had adverse effects on the goodwill and value of the restuarant (see paragraph 43 above). Such withdrawal thus constitutes,
the circumstances of the case, an
terference with TTA's right to the "peaceful enjoyment of [its] possessions" . (§ 55): "Severe though it may have been, the
terference at issue did not fall within the ambit of the second sentence of the first paragraph. The applicant company, although it could no longer operate Le Cardinal as a restaurant business, kept some economic
terests represented by the leasing of the premises and the property assets contained therein, whitch it finally sold
June 1984 (see paragraph 23 above) There was accordingly no deprivation of property
terms of Article 1 of the Protocol. The Court finds, however, that the withdrawal of TTA's licence to serve alcoholic beverages
Le Cardinal constituted a measure of control of the use of property, which falls to be considered under the second paragraph of Article 1 of the Protocol." d.
het arrest-Fredin
trekking van een exploitatie vergunning (m.b.t een grindgroeve) centraal. Het EHRM overwoog (§ 40): "The court finds - and this point was not contested before it - that the revocation of the permit
terfered with the applicants' right to the peaceful enjoyment of their possessions,
cluding the economic
terests connencted with the exploitation of the gravel pit (see, mutatis mutandis, the Tre Traktörer AB judgment of 7 July 1989, Series A no. 159, p. 21, § 53.)" § 42: "There was no formal expropriation of the applicants' property. However, for the purpose of Article 1 of Protocol No. 1 the concept of "deprivation" covers not only formal expropriation but also measures which amount to de facto expropriation (see,
ter alia, the Sporrong and Lönnroth judgment of 23 September 1982, Series A no. 52, p. 24, § 63). The applicants contended that they had been victims of such a de facto deprivation of property, whereas the Government and the Commission considered the revocation of the permit to be a measure for the control of use of property."
-47 is het EHRM
gegaan op de vraag of er sprake is van een de facto ontneming van eigendom.
kwam het tot de conclusie dat de consequenties van de
trekking van de vergunning niet ernstig genoeg zijn om te kunnen spreken van "de facto expropriation" en dat het hier gaat om regulering van eigendom
de zin van het tweede lid van art. 1 Eerste Protocol.
(slot) overwoog het EHRM: "Viewing the question from this perspective, the Court does not find it established that the revocation took away all meaningful use of the properties
question." Aan het slot van § 46 overweegt het EHRM naar aanleiding van het argument van klagers dat aan hun eigendom alle waarde was ontnomen, na te hebben overwogen dat de
trekking van de vergunning
derdaad ernstige gevolgen had voor het
komen van klagers en de waarde van hun eigendom: "One has, however, to bear
mind that, over the years, the exploitation of gravel had become more and more regulated and,
fact, restricted (see paragraphs 10 and 32-35 above). Thus, the amendment
troduced on 1 July 1973 to the 1964 Act (see paragraph 35 above) empowered the authorities to revoke, without compensation, old permits, such as the applicants', after ten years had passed, that is after 1 July 1983. As a consequence , the applicants' possibilities of continuing their gravel exploitation business after this date became uncertain." M.a.w.: de mogelijkheden om voort te gaan met de exploitatie waren reeds onzeker geworden voor de
trekking van de vergunning. e.
de zaak Pine Valley
een bepaald gebied niet gebouwd mocht worden).
" (...), a first question that arises
this case is whether the applicants ever enjoyed a right to develop the land
question which could have been the subject of an
terference. Like the Commission, the Court considers that this question must be answered
the affirmative. (...) Until it was rendered, the applicants had at least a legitimate expectation of being able to carry out their proposed development and this has to be regarded, for the purpose of Article 1 of Protocol No. 1, as a component part of the property
question (see, mutatis mutandis, the Fredin judgment of 18 Februari 1991, Series A no. 192, p. 14, § 40)." Hieruit zou men kunnen afleiden dat het EHRM de planning permission zelf als deel ("component part") van het eigendom beschouwt. Nadere lezing van deze paragraaf
samenhang met § 56 leert echter dat het EHRM dit niet bedoeld heeft, doch van mening is dat
trekking van de vergunning wel van
vloed is op de eigendom van klagers: "56. There was no formal expropriation of the property
question, neither,
the Court's view, can it be said that there was a de facto deprivation. The impugned measure was basically designed to ensure that the land was used
conformity with the relevant planning laws and title remained vested
Healy Holdings, whose powers to take decisions concerning the property were unaffected. Again, the land was not left without any meaningful alternative use, for it could have been farmed or leased. Finally, although the value of the site was substantially reduced, it was not rendered worthless, as is evidenced by the fact that it was subsequently sold
the open market (see paragraph 13 above). Accordingly, as for example
the Fredin case (...), the
terference must be considered as a control of the use of property falling within the scope of the second paragraph of Article 1." f.
de zaak Matos e Silva
eigendom toebehorende land aan de orde. Het EHRM overwoog
: "
the Court's opinion, there was no formal or de facto expropriation
the present case. The effects of the measures are not such that they can be equated with deprivation of possessions. As the Delegate of the Commission stated, the position was not irreversible as it had been
the case of Papamichalopoulos and Others v. Greece (judgment of 24 June 1993, Series A no. 260-B, p. 70, §§ 44-45). The restrictions on the right to property stemmed from the reduced ability to dispose of the property and from the damage sustained by reason of the fact that expropriation was contemplated. Although the right
question had lost some of its substance, it had not disappeared. The Court notes, for example, that all reasonable manner of exploiting the property had not disappeared seeing that the applicants continued to work the land. The second sentence of the first paragraph is therefore not applicable
the
stant case. Although the measures did not all have the same legal effect and had different aims, they must be looked at together
the light of the first sentence of the first paragraph of Article 1 of Protocol No. 1." g.
de zaak Iatridis
trekking van een licentie om een openluchtbioscoop te exploiteren aan de orde.
dezelfde lijn als
de zaak-Van Marle overwoog het EHRM
Aan het slot van § 55 kwam het echter tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn van ontneming of regulering van eigendom, omdat klager geen eigenaar was van de betreffende erven ("premises"): " The Court notes that the applicant, who had a specific licence to operate the cinema he had rented, was evicted from it by Ilioupolis Town Council and has not set up his business elsewhere. It also notes that, despite a judicial decision quashing the eviction order, Mr Iatridis cannot regain possession of the cinema because the Minister of Finance refuses to revoke the assignment of it to the Council (see paragraph 26 above).
those circumstances, there has been
terference with the applicant's property rights. Since he holds only a lease of his business premises, this
terference neither amounts to an expropriation nor is an
stance of controlling the use of property but comes under the first sentence of the first paragraph of Article 1." h.
de zaak Chassagnou heeft het Hof de verplichte overdracht van jachtrechten aan de plaatselijke jachtvereniging getoetst aan art. 1 van het eerste Protocol. Het beschouwde deze maatregel niet als een
breuk op de jachtrechten als zodanig, maar als een
breuk op het vrije gebruik van de percelen waarop deze jachtrechten konden worden uitgeoefend. Het Hof overwoog
dat verband dat "the compulsory transfer of the hunting rights over their land to an ACCA prevents them from making use of the right to hunt, which is directly linked to the right of property."
breuken op het ongestoorde genot van de "possessions" van de betrokken varkenshouders. Het hof heeft vervolgens overwogen (roo. 19.1-19.6) dat de generieke kortingen en het vervallen van de latente ruimte geen ontneming van eigendom ("deprivation of possession") vormen
de zin van het eerste lid van art. 1 eerste Protocol, maar dat sprake is van een beperking van het gebruik van de betrokken varkensbedrijven en
zoverre van een regulering van dat gebruik
de zin van het tweede lid van art. 1 eerste Protocol. 7.2.
het onderhavige geval sprake is van regulering van eigendom,
ro. 20 overwogen dat voor beantwoording van de vraag of deze regulering
breuk maakt op (art. 1. van) het eerste Protocol moet worden nagegaan of de regulering
het algemeen belang gerechtvaardigd is en zonder schadevergoeding proportioneel is ten opzichte van het daarmee nagestreefde doel.
antwoord op de eerste vraag heeft het (
ro. 21) geoordeeld dat het milieubeschermingsdoel
de Whv een algemeen belang is dat de regulering van eigendomsrechten rechtvaardigt. 7.2.4. Voor de beantwoording van de tweede vraag of die regulering ook proportioneel is moet volgens het hof onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vraag of de vereiste "fair balance" tussen dat algemeen belang en de belangen van de varkenshouders rechtvaardigt dat de door de
breuk geleden schade onvergoed blijft en anderzijds de vraag of die regulering voldoet aan het geschiktheids- en noodzakelijkheidscriterium (ro. 22). Het hof beantwoordt de eerste vraag bevestigend. De tweede vraag beantwoordt het hof
de roo. 24-35.
de zin van art. 1 eerste Protocol. Het hof had daarom, nu deze rechten zonder schadeloosstelling aan de gerechtigden zijn ontnomen, moeten nagaan of er buitengewone omstandigheden waren die ontneming zonder compensatie rechtvaardigen. 7.3.3. Onderdeel 3.2 acht het oordeel van het hof
elk geval onbegrijpelijk, nu NVV c.s. ter onderbouwing van hun betoog niet alleen hebben gesteld dat de mestproductierechten en varkensrechten "los verhandelbaar" zijn, maar ook dat deze rechten zijn aan te merken als vermogensrechten
de zin van art. 3:6 BW, dat zij een marktwaarde hebben en zowel bedrijfseconomisch als fiscaal als bedrijfsmiddelen worden gezien. Als gevolg van de Whv zouden deze rechten komen te vervallen. Bovendien bestond bij NVV c.s. het gerechtvaardigd vertrouwen dat deze rechten als "possessions" werden beschouwd. 7.3.4. Onderdeel 3.3 van het principale middel betoogt dat het hof
de roo. 20-23 een verkeerde maatstaf heeft aangelegd. 7.3.
ro. 22 gestelde eerste vraag heeft gebaseerd op een uitgangspunt waarvan het de juistheid niet heeft vastgesteld. Beantwoording van de eerste vraag is niet mogelijk zonder daarbij het antwoord van de tweede vraag te betrekken. 7.3.7. Onderdeel 3.6 stelt tot slot, dat ervan uitgaande dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd, ook vanuit het perspectief van de schending van art. 1 Eerste Protocol de klachten
de subonderdelen 2.9-2.11 worden aangevoerd. 7.3.8. Onderdeel 1 van
cidenteel middel II richt eveneens een klacht tegen de door het hof aangelegde maatstaf. Het onderdeel klaagt dat het hof
ro. 22 heeft miskend dat de vraag of het nagestreefde doel ook met minder
grijpende maatregelen kan worden bereikt geen zelfstandig criterium is bij de toetsing aan art. 1 Eerste Protocol, doch enkel een factor waarmee rekening gehouden moet worden
het kader van de bij die toetsing te beantwoorden vraag of de maatregel proportioneel is (d.w.z. voldoet aan het te hanteren evenredigheidsbeginsel. 7.4.1.
de rechtspraak van het EHRM wordt ontneming van eigendom zonder betaling van een bedrag dat
redelijke verhouding staat tot de waarde ervan, slechts
zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd geacht.
de regel wordt eigendomsontneming zonder enige compensatie gezien als een disproportionele
menging
de eigendom van betrokkenen
beginsel zonder schadevergoeding toegestaan. 7.4.2. Het begrip "possessions"
art. 1 van het eerste Protocol heeft een autonome betekenis. Deze omvat meer dan zoals naar Nederlands privaatrecht de eigendom van zaken
de zin van stoffelijke objecten (art. 5:1 io. 3:2 BW). Tot de "possessions" worden ook gerekend "certain other rights and
terests constituting assets"
het economische verkeer. Ook
fiscaal opzicht worden deze rechten, net als melkquota, aangemerkt als zelfstandige bedrijfsmiddelen. Bepalend hierin lijkt vooral de overdraagbaarheid van de varkensrechten te zijn. Daarin verschillen deze rechten van persoons- of ondernemingsgebonden publiekrechtelijke vergunningen of niet-overdraagbare licenties, welke
de rechtspraak van het EHRM niet als "possessions" lijken te worden worden beschouwd. Uit deze rechtspraak heb ik hiervóór,
7.4.4.
een aantal arresten van de hiervóór genoemde het EHRM is art. 1 eerste Protocol aan de orde geweest
verband met overheidsmaatregelen, zoals het
trekken van vergunningen, achteraf gebleken ongeldigheid van een vergunning of het ontzeggen van een bepaalde
schrijving (als accountant-administratieconsulent).
deze arresten heeft het EHRM aangenomen dat de desbetreffende maatregel van
vloed kan zijn op eigendom, bestaande
economische belangen of opgebouwde goodwill. Het EHRM spreekt
dit verband van "an
terference with the right to the peaceful enjoyment of possessions".
de meeste arresten
schrijving zelf niet als eigendom te beschouwen. 7.4.5. Wel lijkt het EHRM het mogelijk te achten dat maatregelen neerkomen op de facto ontneming van eigendom. Voorwaarde hiervoor is dat ieder zinvol gebruik van het eigendom onmogelijk is gemaakt. Dit neemt het EHRM niet snel aan. Enkele waardedaling van eigendom levert geen ontneming ervan op. Is er geen sprake van een de facto ontneming van eigendom dan wordt de maatregel meestal aangemerkt als regulering van eigendom
de zin van art. 1, lid 2, eerste Protocol. Een enkele maal wordt zulk een maatregel bezien
het licht van de eerste zin van art. 1
de literatuur zijn de meningen verdeeld over de vraag of bij de generieke kortingen van de varkensrechten en het vervallen van de latente ruimte sprake is van ontneming dan wel regulering van eigendom. Jans, Hoitink en Backes menen dat sprake is van regulering van eigendom
de Wet verplaatsing mestproductie, waarbij de mestproductierechten zijn geïntroduceerd, en de Whv, waarbij deze rechten zijn omgezet
varkensrechten, zijn ter bescherming van het milieu bepalingen opgenomen om (een verdere toename van) de varkensmestproductie aan banden te leggen.
de Whv is gekozen voor een maximering van het aantal varkens per bedrijf via de
voering van een stelsel van varkensrechten. 7.5.3. De mestproductierechten en varkensrechten hebben met persoons- of ondernemingsgebonden vergunningen en licenties gemeen dat zij bij publiekrechtelijke regeling
het leven zijn geroepen als
strument ter uitvoering van een bepaald overheidsbeleid. 7.5.4.1.
dit varkensmestbeleid vormt de overdraagbaarheid van de varkensrecht een belangrijk element. Enerzijds biedt het de varkenshouders binnen het opgelegde maximum aantal varkens per bedrijf enige ruimte voor uitbreiding, verplaatsing of nieuwvestiging, anderzijds is het vanwege de ruimtelijke eisen die zijn verbonden aan de overgang van het varkensrecht, een belangrijk
strument
het streven om schone gebieden schoon te houden
troductie van de mestproductierechten en varkensrechten en de korting daarop beoogd
het belang van het milieu de mestproductie
de varkenssector aan banden te leggen. De (beperkte) overdraagbaarheid van deze rechten moest daarbij voor enige flexibiliteit zorgen en is voor de wetgever naar alle waarschijnlijkheid ook de reden is geweest om niet te kiezen voor het
strument van een ondernemings- of persoonsgebonden vergunning. 7.5.5. De varkensrechten vormen een van de randvoorwaarden waaronder een varkensbedrijf kan worden uitgeoefend. Door de generieke kortingen op deze rechten en het vervallen van de latente ruimte worden de exploitatiemogelijkheden beperkt. Deze beperking kan door de
dividuele varkenshouders weliswaar door het overnemen van varkensrechten van andere varkenshouderijen worden gecompenseerd, doch de verplaatsbaarheid van deze rechten is beperkt en leidt niet tot een uitbreiding van de mestproductieruimte
het algemeen. 7.5.6. De klachten over (de door het hof als "regulering"aangemerkte) schending van het ongestoord genot van "possession" zijn derhalve vergeefs voorgesteld. 7.6.1.
de roo. 24-35.1 heeft het hof onderzocht of de maatregelen tot het gestelde doel kunnen leiden (noodzakelijkheidscriterium) respectievelijk of dat doel met minder
grijpende maatregelen is te verwezenlijken (evenredigheidscriterium). Het is tot de slotsom gekomen dat de vaststelling
de Whv van de
art. 31 op voorhand vastgestelde tweede generieke korting
strijd met het evenredigheidsbeginsel is. Die wetsbepaling zou daarom niet verenigbaar met genoemde verdragen (het EG-verdrag en het eerste protocol bij het EVRM) zijn en daarom ten aanzien van de andere eisers dan NVV buiten toepassing moeten blijven. 7.6.2. Onderdeel 1 van
cidenteel middel II klaagt dat het hof heeft miskend dat het noodzakelijkheidscriterium geen zelfstandige maatstaf is, maar enkel een factor waarmee bij de evenredigheidstoets rekening gehouden moet worden. Onderdeel 3 van dit middel betoogt dat het hof heeft miskend dat bij de vraag of het doel van de betrokken maatregel de
breuk op het betrokken belang kan rechtvaardigen (fair balance) de nationale autoriteiten de nodige beoordelingsvrijheid toekomt. Het hof zou zich ten onrechte
een eigen beantwoording van die vraag hebben begeven. 7.6.3. Voor de vraag of sprake is van de vereiste evenredigheid en de daarbij door de rechter
acht te nemen margin of appreciation van de nationale autoriteiten zijn met name de overwegingen van het EHRM
James e.a. (zie hiervóór, § 7.1.5., onder a) van belang. Daaruit blijkt dat de noodzakelijkheid van de maatregel slechts een van de factoren is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een fair balance. Het EHRM overweegt daarin verder dat de enkele aanwezigheid van betere alternatieven onvoldoende is om te komen tot het oordeel dat een fair balance ontbreekt. Voorts verwijs ik naar het
staat zijn zich een oordeel te vormen over de vorm van te nemen maatregelen
strijd is met het vereiste van een fair balance, hetgeen gelet op de rechtspraak van het EHRM geen volledige doch een marginale toetsing is
terests of the community and the requirements of the protection of the
dividual."
het bijzonder moet er sprake zijn van een "reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim pursued."
de zaak Allan Jacobsson heeft het EHRM overwogen: "Under the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1, the Contracting States are entitled, amongst other things, to control the use of property
accordance with the general
terest, by enforcing such laws as they deem necessary for the purpose. However, as this provision is to be construed
the light of the general principle enunciated
the first sentence of the first paragraph, there must exist a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised.
striking the fair balance thereby required between the general
terest of the community and the requirements of the protection of the
dividual fundamental rights, the authorities enjoy a wide margin of appreciation."
dezelfde zin oordeelde het
het arrest Fredin "
determining whether this requirement [fair balance] is met, the Court recognises that the State enjoys a wide margin of appreciation with regard both to choosing the means of enforcement and to ascertaining whether the consequences of enforcement are justified
the general
terest for the purpose of achieving the object of the law
question."
het eerste lid van art. 1, geldt ook hier evenwel dat een "fair balance" vermoed wordt afwezig te zijn wanneer de betrokkene "has to bear an
dividual and excessive burden".
de zaak Fredin mede
aanmerking genomen dat de betrokkene met mogelijke overheidsmaatregelen rekening had moeten houden. 7.7.5. Zet men de maatregelen van de Whv, en de omstandigheden die daartoe genoopt hebben, af tegen de door het EHRM
cidenteel middel II gegrond. Daaruit volgt dat de klachten van het principale middel over schending van het evenredigheidsbeginsel
strijd met het eerste Protocol bij het EVRM niet kunnen slagen en geen behandeling behoeven. 7.9.1. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de litigieuze maatregelen mogelijk toch
strijd zijn met het eerste protocol, omdat niet voorzien is
schadeloossstelling voor de reductie van de (vrij verhandelbare) rechten. 7.9.2. Een parallel is te vinden
een
1992 aan de minister van LNV uitgebracht rapport
het belang van de bescherming van de visstand. Het voorstel luidde toen de omvang van de aan elke visser verstrekte "licentie"
dat rapport is te lezen
vesteren
een nieuwe (lichtere ) motor (...). Anders dan
het geval van enkele, geselecteerde, eigenaren, die de last moeten dragen van een afstemming van de vangstcapaciteit op de -mogelijkheden
het algemeen belang van de gehele sector, worden
dit geval de lasten evenwel verdeeld over de sector als geheel. Nadeel en voordeel vallen derhalve samen. Tevens telt dat de waarde van de licentie een voordeel vormt dat de gevestigde visserijsector om niet heeft verkregen als gevolg van een bepaalde overheidsmaatregel. De overheid moet de maatregel ook weer (gedeeltelijk) kunnen
trekken, zonder dat de houders van licenties schadeloos gesteld moeten worden voor de waarde die de licenties
middels
het maatschappelijk verkeer hebben verkregen. (...) Een regeling die de ondernemer
het genot van zijn bedrijfsmiddelen laat, maar hem alleen dwingt daarvan een, als gevolg van de schaarste, gereduceerd gebruik te maken, is dan ook geen met onteigening te vergelijken maatregel. Er is geen sprake van schade als gevolg van overheidshandelen
het algemeen belang, gegeven dat de verminderde economische mogelijkheden
wezen niet het gevolg zijn van de maatregel, maar van de schaarste aan vis, waarvan de lasten door de maatregel gelijkelijk over alle betrokkenen verdeeld worden. Regelingen zoals hier bedoeld behelzen bovendien dat de schadeloosstelling
belangrijke mate geregeld wordt door de marktwerking. Een reductie van het op grond van de licenties toegestane motorvermogen heeft tot gevolg dat de resterende licenties
waarde toenemen. (...) te verwachten [is] dat de toename
waarde van de licenties ruwweg gelijk zal zijn aan de waarde van de verloren capaciteit. Bij verkoop van de licentie kan de houder de meerwaarde kapitaliseren." 7.9.3.
dien men "schaarste aan vis" vervangt door: schaarste aan plaatsingsmogelijkheden voor mest en"licenties" door varkensrechten, dan is er een vrij sterke parallel. Er is
het geval van de Whv overigens sprake van een dwingend algemeen belang (van milieubescherming) en van een regeling bij de wet. Alleen een schadeloosstelling ontbreekt (ook hier), maar
de waardestijging van overblijvende varkensrechten zal waarschijnlijk toch een aanzienlijke compensatie te vinden zijn. 7.9.4.1. De regering heeft, bij de totstandkoming van de Whv een verplichting tot vergoeding van de schade die varkenshouders lijden als gevolg van de generieke kortingen en vervallen van latente ruimte, niet noodzakelijk geacht
een schadeloosstelling, het volgende betoogd
het verleden, evenmin als de
artikel 14a van de Meststoffenwet geregelde korting van de mestproductierechten voor varkens en kippen, aanleiding geweest voor een schadeloosstelling. De achterliggende reden is dat het hier niet zo is dat de belangen van het
dividuele bedrijf worden aangetast
verband met van dat bedrijf op zichzelf losstaande algemene belangen (...). Het gaat hier juist om een beperking van potentiële activiteiten van het bedrijf die zèlf
strijd met het algemeen belang komen, onder meer omdat zij schade veroorzaken aan het milieu, de natuur en het landschap. Gegeven de ernst van de problematiek die wordt veroorzaakt door de varkenshouderij en gegeven het sedert begin jaren '80 door de overheid gevoerde consequente beleid op het vlak van milieu, leidend tot een steeds verdere verenging van het kader waarbinnen de varkenshouderij kan worden uitgeoefend, mochten de varkenshouders er niet op vertrouwen dat een eenmaal toegestane productieruimte ook
de toekomst onbeperkt zou kunnen worden benut. Niet onbelangrijk
dit verband is ook de discussie die al sedert het uitbrengen van de
tegrale Notitie mest- en ammoniakbeleid (....)
het parlement wordt gevoerd over het als zodanig voortbestaan van het systeem van de mestproductierechten zelf, en de mogelijkheid om naar een geheel ander systeem van productiebeheersing over te stappen." 7.9.4.3.
antwoord op de vraag van de vaste commissie voor LNV of de minister oog heeft voor de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen van de varkenshouders (ten aanzien van het
stand blijven van de latente ruimte), heeft minister opgemerkt:: "Omdat de overheid sedert 1984 een consistente lijn voert die voorziet
steeds verder gaande beperkingen die vanuit een oogpunt van milieu aan het houden van varkens worden gesteld, welke ook het volume betreffen, kan er nimmer sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de productie ook
de toekomst
dezelfde omvang kan blijven plaatsvinden.
1994 was al bekend dat per 1 januari 1995 een 30%-korting van niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen zou worden doorgevoerd.
1994 moest overigens ook nog rekening worden gehouden met het geheel waardeloos worden van aangekochte productierechten per 1 januari 1997, gelet op de destijds
de Wet verplaatsing mestproductie opgenomen expiratiedatum. Veel rechten zijn
middels fiscaal afgeschreven."
zijn geheel faalt. Daarentegen zijn de onderdelen 1-3 van
cidenteel middel II terecht voorgesteld.
cidenteel middel II bestrijdt het oordeel van het hof
ro. 28 over de doelstelling van de Whv.
ro. 28.
cidenteel middel II bestrijden de bevinding van het hof (ro. 32.1-5) dat noodzaak van de tweede generieke korting, zoals geregeld
art. 31 Whv, niet bij voorbaat vaststond en ook achteraf niet noodzakelijk is gebleken. Het hof heeft deze bepaling, omdat zij op voorhand was vastgesteld,
strijd met het evenredigheidsbeginsel, en daarom
strijd met het EG-verdrag "en/of"
strijd met het eerste protocol bij het EVRM geacht. 8.1.6. Het middel wijst erop dat de Staat
appel uitvoerig, en met vermelding van parlementaire stukken, heeft gewezen op het uitgangspunt van de wetgever. Dit uitgangspunt was dat er een absolute noodzaak bestond tot reductie van de varkensstapel met (
beginsel) 25%. Die reductie zou
twee tranches moeten plaatsvinden. De tweede generieke korting was de tweede van die tranches. 8.1.7. Voorts wijst het middel erop dat de maatregelen van de Whv gebaseerd waren op schattingen en prognoses. Onduidelijk zou zijn waarom (zoals het hof
ro. 32.3 heeft overwogen) met negatieve ontwikkelingen geen rekening mag worden gehouden, terwijl het zelf
ro. 32.1 en 32.2 wel rekening houdt met positieve ontwikkelingen. 8.1.8. Daarnaast maakt het middel bezwaar tegen de verwijzing
de roo. 32.2 en 32.4 naar de rapporten Van de Bunt I en II. Die verwijzingen zouden,
het licht van de tekst van dat rapport (dat tot de gedingstukken behoort
de aangevallen passages
derdaad wel heel kort geweest
zijn motivering en lijkt het weinig aandacht aan de stellingen waaronder
dit opzicht essentiële stellingen van de Staat te hebben besteed. Dit gedeelte van het bestreden arrest komt mij onvoldoende uitgewerkt, en mogelijk ook onvoldoende doordacht voor. De stellingen van de Staat over de doelstelling en geschiktheid van de Whv, om naast terugdringing van het fosfaatoverschot, ook de nitraatrichtlijn uit te voeren, wijst het hof klaarblijkelijk af, maar zonder duidelijk te maken op welke grond. 8.2.2. Met de stellers van
cidenteel middel II zou ik menen dat het "noodzakelijkheidscriterium" niet meer dan een verschijningsvorm van het evenredigheidsbeginsel is. M.i. gaat de stelling dat aan dit criterium of beginsel niet wordt voldaan, wanneer een maatregel die op een zekere termijn haar beslag moet krijgen op een prognose berust, te ver. Zou de wetgever zich niet op een prognose mogen baseren, dan zou hij de regel "gouverner c'sest prévoir"
veel gevallen niet meer kunnen toepassen. Veel rechtsregels, bijv. begrotingen en belastingtarieven, steunen op een prognose. Bovendien heeft het voor de betrokkenen op zichzelf voordelen enige tijd tevoren te weten waar zij aan toe zijn. 8.2.3. Het komt mij daarom voor dat de hiervóór weergegeven klachten van
cidenteel middel II gegrond zijn. 8.3.1.
ro. 35.1 heeft het hof uit zijn voorafgaande overwegingen o.m. geconcludeerd dat de
art. 31 Whv op voorhand vastgestelde tweede generieke korting niet evenredig is met het doel van de wet en daarom niet verenigbaar is met het EG-verdrag en met het eerste Protocol en daarom, op grond van art. 94 Gw, buiten toepassing moet blijven. 8.3.2.
dien een rechter op grond van art. 94 Gw bepaalt dat een wetsbepaling buiten toepassing moet blijven wegens strijd met een regeling van
ternationaal recht, mag men m.i. van hem verlangen dat hij precies aangeeft aan welke regeling hij toetst en op welke gronden hij dat doet. 8.3.3.1. Overigens ben ik van mening dat van enige strijd met het evenredigheidsbeginsel van het Europees gemeenschapsrecht niet gebleken is. Dit beginsel is
de Europese praktijk een middel om nationale belemmeringen voor het vrije verkeer (
ruime zin: hieronder zijn ook belemmeringen van de harmonisatie van wetgeving vgl art. 95, leden 4-6, van het EG-verdrag) op hun rechtmatigheid te beoordelen. Anders gezegd "
de rechtspraak strekt het evenredigheidsbeginsel er voornamelijk toe de rechtmatigheid van een bevoegdheidsuitoefening te beoordelen wanneer die weliswaar een legitiem doel nastreeft, maar tegelijk andere beschermenswaardige doelstellingen schaadt."
beginsel
strijd met de Europese marktordeningsverordening voor varkensvlees geacht. Dat maakte onderzoek naar de evenredigheid van de op de wet gebaseerde maatregelen noodzakelijk. Uit hoofdstuk 6 van deze conclusie volgt, dat naar mijn opvatting van strijd met de bedoelde verordening geen sprake is. Van strijd met het EG-verdrag (of met enige uitvoeringsbepaling daarvan) om andere redenen is niet gebleken. Dat betekent dat van strijd met het
het Europees recht gehanteerde evenredigheidsbeginsel geen sprake is. 8.3.4. Evenmin blijkt uit het bestreden arrest waarom de tweede generieke korting, mede
het licht van de hiervóór gegeven beschouwingen (§ 7.7.1.-7.7.5.)
strijd zou zijn met de op het eerste Protocol bij het EVRM berustende evenredigheidsbeginsel. Dit geldt de sterker
dien men er van uitgaat hetgeen
cidenteel middel II, m.i. terecht, doet dat het hof de doelstelling van de Whv onjuist, althans te beperkt, heeft omschreven. 8.4. Het bestreden arrest kan daarom, wat betreft de beslissing over de tweede generieke korting niet
stand blijven. Gezien de door partijen gewenste spoedige afhandeling van de zaak lijkt het mij wenselijk, en ook mogelijk, dat de Hoge Raad ten principale recht doet. Dit kan geschieden door afwijzing van d e vordering (zoor zover het hof dit niet reeds gedaan heeft). 8.5. Onderdeel 4 van het principale middel bevat diverse klachten die voortbouwen op het oordeel van het hof dat de tweede generieke korting onrechtmatig is. Het slagen van de genoemde onderdelen van
cidenteel middel II en de m.i. geboden afwijzing van 's hofs oordeel over de tweede generieke korting brengen mee dat dit onderdeel geen bespreking meer behoeft. 9. CONCLUSIE Ik concludeer tot verwerping van het principaal beroep.
het
cidenteel beroep concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover dit betrekking heeft op de zgn. tweede generieke korting, geregeld
artikel 31 van de Wet herstructurering varkenshouderij en daarop berustende voorschriften. Voorts concludeer ik dat de Hoge Raad de zaak zelf zal afdoen door te verstaan dat hij de vorderingen van eisers
tegraal ontzegt. Ten slotte concludeer ik tot veroordeling van eisers
de kosten. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. Bijlage Literatuur en rechtspraak Art. 120 Grondwet - HR 16 mei 1986, NJ 1987, 251, m.nt. M. Scheltema (Landbouwvliegers) - HR 14 april 1989, NJ 1989, 469, m.nt. M. Scheltema, AB 1989, 207, m.nt. F.H. van de Burg (Harmonisatiearrest), AA 1989/6, p. 578 (m.nt. Hirsch Ballin), Regelmaat 1989, 82 (m.nt. Kortmann) - HR 19 februari 1993, NJ 1995, 704, m.nt. M. Scheltema - HR 23 februari 1996, NJ 1996, 396 - HR 8 mei 1998, NJ 1998, 496 - HR 12 mei 1999, NJ 2000, 170, m.nt. A.R. Bloembergen - HR 14 april 2000, NJ 2000, 713, m.nt. A.R. Bloembergen - S.K. Martens, De grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter, NJB 2000, p. 747-758. - M.L.P. van Houten, Rechter en Wetgever: Een Nieuwe Balans, RM Themis 2000, p. 3-15. Annotaties Rechtbank Den Haag 23 december 1998 - Agrarisch Recht 1999, p. 95-104 - L.F.M. Besselink, R. de Lange, Ars Aequi Katern 71
het mestmoeras: een doodlopende weg, NJB 2000, p. 972-
antwoord op de Memorie van Antwoord, Agr. Recht 1998, p. 126-
de varkenshouderij: het stelsel van varkensrechten, Preadvies Vereniging voor Agrarisch Recht, Agrarisch Recht 1998, p. 206-236. - Th.G. Drupsteen en D.W. Bruil, Ruimtelijke ordening en reconstructie van
tensieve varkenshouderijen, Agrarisch Recht 1998, p. 237-
terventie jaarvergadering Vereniging voor Agrarisch Recht, Agrarisch Recht 1998, p. 396-402. - R. Haije, Herstructureringswet: noodzakelijk en rechtmatig,
terventie jaarvergadering Vereniging voor Agrarisch Recht, Agrarisch Recht 1998, p. 403-
het bijzonder het gebied van gemeenschappelijk landbouwbeleid, Eur. Monografieën 39
the european community
troduction to the Law of the European Communities, 1998, p. 620-679. - R.H. Lauwaars en C.W.A. Timmermans, Europees recht
kort bestek, 1999, p. 192-211. - K. Lenaerts/P. van NUffel, Europees recht
hoofdlijnen, 1999 - J.H. Jans, European Environmental Law, 2000. - K.J.M. Mortelmans, Bevat art. 36 EEG een uitzondering op het vrij verkeer van goederen gebaseerd op overwegingen van economische ordening of economisch beleid?,
:
Orde, Liber Amicorum P. VerLoren van Themaat, 1982, p. 201-212. - K.J.M. Mortelmans, De
terne markt en het facettenbeleid na het Keck-arrest: nationaal beleid, vrij verkeer of harmonisatie, SEW 1994, p. 236-
World Farming), SEW 1999, 70 (J.H. Jans), Common Market Law Review 1999, p. 831 (R. Munoz), SEW 1999, 70 (J.H. Jans) - HvJEG 28 april 1998, C-120/95, Jur. 1998, I-1831 (Decker), SEW 1999, 256 (J. Stuyck) - HvJEG 5 mei 1998, C-180/96, Jur. 1998, I-2265, NJ 1999, 217(Verenigd Koninkrijk/Commissie) - HvJEG 18 juni 1998, C 266/96, Jur. 1998, I-3949 (Corsica Ferries France) Literatuur art. 1 Protocol 1 EVRM - J. Schokkenbroek, Toetsing aan de vrijheidsrechten van het EVRM, diss. 1996, p. 53-57. - P. Van Dijk en G.J.H. van Hoof, Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 1998, p. 80-93 en p. 618-643. - W. Snijders, De toekomst van de eigendom,
:
het nu, wat worden zal (Schoordijk-bundel) 1991, p. 249-
fluence of Article 1 Protocol No. 1 on the Dutch Legislation concerning expropiation,
: J.-P. Loof, H. Ploeger en A. van der Steur, The right to property
het licht van het EVRM, Artikel 1 Protocol 1 EVRM en het Nederlandse vermogensrecht, WPNR 00/6419, p. 787-
: 50 jaar EVRM (2000, p. 313-323) - EHRM 5 mei 1995, A Vol. 316-A (Air Canada) - EHRM 20 november 1995, A Vol. 332, NJ 1996, 593 (Pressos Compania Naviera) - EHRM 16 september 1996, NJ 1998, 738 (Gaygusuz) - EHRM 16 september 1996, Reports 1996, IV (Matos e Silva) - EHRM 25 maart 1996, wwwdhcour.coe.fr. (Iatridis) - EHRM 29 april 1999, NJ 1999, 649 (Cassagnou e.a.) - EHRM 5 januari 2000, NJ 2000, 571 (Beyeler) - HvJEG 13 december 1979, 44/79, Jur. 1979, 3727 (Lisette Hauer) - HvJEG 17 december 1998, C-186/96, Jur. 1998, I-8529 (Demand) - HvJEG 15 april 1997, C-22/94, Jur. 1997, I-1809 (Irish Farmers Ass.) - HR 17 november 2000, RvdW 2000, 229 - HR 14 april 2000, NJ 2000, 713, m.nt. A.R. Bloembergen (Kooren-Maritiem) Bevoegheidsverdeling tussen Europese Commissie - nationale rechter - HvJEG 28 februari 1991, C-234/89, Jur. 1991, I-935 (Delimitis) - HvJEG 12 december 1995, C-319/93, C-40/94, C-224/94, Jur. 1997, I-4471 (Dijkstra) Nadeelscompensatie - HR 18 januari 1991, NJ 1992, 638, m.nt. C.J.H. Brunner onder NJ 1992, 639, AB 1992, 241, m.nt. F.H. van der Burg (Leffers/Staat) - HR 21 oktober 1994, NJ 1996, 231, m.nt. M. Scheltema (Krijo) - HR 24 november 1995, NJ 1996, 164, m.nt. A.R. Bloembergen - HR 18 april 1997, NJ 1997, 456 - HR 3 april 1998, NJ 1998, 726, m.nt. T. Koopmans (swill) Overig - HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360, m.nt. Scheltema (Staat/LSV) - G.E. van Maanen, De mythe van het onverbindendverklaren van algemene regelgeving door de burgerlijke rechter: een ongewassen varken, NTB 2000, p. 99-101. Geraadpleegde kamerstukken - 21114 (Wet verplaatsing mestproductie, Stb. 1993.686) - 23640 (Wijziging van de Meststoffenwet, Stb. 1994.635) - 24036 (Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit) - 24445 (Mest- en ammoniakbeleid) - 24782 (Wijziging van de Meststoffenwet, Stb. 1997.360) - 25448 (Structuurverandering varkenshouderij) - 25746 (Wet herstructurering varkenshouderij, Stb. 1998.236) - 26356 (Reconstructiewet concentratiegebieden) - 26578 (Verhandelbare emissies als
strument
het milieubeleid) - 26729 (
tegrale aanpak Mestproblematiek) - 26881 (Tijdelijke wet beperking omvang varkenshouderij) - 27276 (Wijziging Meststoffenwet
verband met aanscherping van regulerende mineralenheffingen en de
voering stelsel mestafzetovereenkomsten)
kort geding). 5. Wet van 2 mei 1997, Stb. 360,
werking getreden bij besluit van 15 december 1997, Stb.
kort geding). 7. Wet van 9 april 1998, Stb. 236,
werking getreden bij besluit van 21 april 1998, Stb.
verband met aanscherping van de normen van het stelsel van regulerende mineralenheffingen en de
voering van een stelsel van mestafzetovereenkomsten).
r.o. 3.7., 1e alinea van dat arrest. 33. Verordening (EEG) nr. 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten
de sector varkensvlees, PbEG L 282/
World Farming), Jur. 1998, p,. I-1251, SEW 1998, p. 70, m.nt. J.H. Jans.
het arrest staat "meer dan niet te verwaarlozen
vloed", maar dan lijkt mij een verschrijving.
zake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG 1991, L 375/1).
noot 40 genoemde arrest-Holdijk, alsmede HvJEG 18 december 1997, zaak C-309/96 (Annibaldi), Jur. 1997, p. I-
tegrale Notitie d.d. 10 oktober 1995, [II 1995-1996] 24 445, nr. 1, p. 10-
noot 40 genoemde arrest Nertsvoederfabriek.
kort bestek, 1999, p. 287 en
dit verband ook het hiervóór,
noot 34, genoemde arrest Pigs & Bacon.
de onderhavige zaak, Jur. Milieurecht 1999, nr.
de onderhavige zaak, NJCM-Bulletin 1999, p. 494-511, NJB 1999, p.
dit verband EHRM 7 december 1976 (Handyside), A Vol.
het eerste lid. Zie EHRM 9 december 1994 (Holy Monasteries), A vol. 301, NJ 1996, 374, § 70, EHRM 23 september 1982 (Sporrong en Lönnroth), A Vol. 52, NJ 1988, 290, § 69. 82. Ibidem, noot 76. Deze regel geldt ook voor de regels
het eerste lid. Zie EHRM 26 juni 1985 (James e.a.), A Vol. 98, § 50, EHRM 9 december 1994 (Holy Monasteries), A Vol. 301, NJ 1996, 374, §
het eerste lid EHRM 23 september 1982, (Sporrong en Lonnröth), A. Vol. 52, § 73, EHRM 22 september 1994 (Hentrich), A. Vol. 296-A, p. 21. 86.
de zaak James c.s.. (hiervóór, § 7.4.6., onder a).
motorvemogen uitgedrukte vangstcapaciteit).
het voorwaardelijk
cidenteel appel, prod. 5 (Van de Bunt I); m.v.a.
het voorwaardelijk
cidenteel appel, prod. 10 (Van de Bunt II). 97. K. Lenaerts/P. van Nuffel, Europees Recht
hoofdlijnen, 1999, nrs. 120-128, p. 157 e.v.; Vgl. voorts J.H. Jans, SEW 2000, p. 270 e.v.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.