PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN MR. J.W. ILSINK ADVOCAAT-GENERAAL NR. 1323 DERDE KAMER B ONTEIGENING CONCLUSIE VAN 13 JULI 2001 [...]NZAKE: [eiser] TEGEN DE STAAT DER NEDERLANDEN
(1), van het perceel kadastraal bekende gemeente Borsele, sectie [...], nr. [...], ingevolge art. 72a Ow ter onteigening aangewezen ten behoeve van het maken van de Westerscheldetunnel, tunneltoerit en toeleidende weg gelegen tussen de Frankrijkweg (Sloegebied) en de Zeedijk nabij Ellewoutsdijk, met bijkomende werken, in de gemeente Borsele. 1.
- Op 2 september 1998 is een zogenoemd voorlopig deskundigenbericht uitgebracht. 1.
- Bij exploit van 22 september 1998 heeft de Staat [eiser] doen dagvaarden voor de Rechtbank en onder meer gevorderd te zijner name vervroegd de onteigening uit te spreken van het onder 1.1 bedoelde perceel. 1.
- Bij vonnis van 24 mei 2000, rolnr. 735/1998 HA, heeft de Rechtbank die vordering afgewezen, aangezien zij van oordeel was "dat de weg die de Staat heeft gekozen niet voldoet aan de eis van artikel 17 Onteigeningswet". 1.
- Bij exploit van 6 juli 2000 heeft de Staat (wederom) [eiser] doen dagvaarden voor de Rechtbank en (wederom) onder meer gevorderd te zijner name vervroegd de onteigening uit te spreken van het onder 1.1 bedoelde perceel. 1.
- [eiser] heeft bij de Rechtbank de tweede vordering tot vervroegde onteigening bestreden. De verweren die [eiser] daartoe heeft aangevoerd, spelen thans geen rol meer. 1.
- Bij vonnis van 10 januari 2001, rolnr. 00/432, heeft de Rechtbank overwogen: 2.
- Nu het verweer tegen de vordering tot vervroegde onteigening faalt en de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, is de vordering voor toewijzing vatbaar. De Rechtbank heeft daarop onder meer de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op ƒ 119.030, zijnde het door hem niet aanvaarde aanbod, de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen opgedragen om de schadeloosstelling te begroten en de dag van nederlegging van het deskundigenrapport vastgesteld op uiterlijk 4 april
- 1.
- Tegen dit vonnis heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel. 1.
- Ter zitting van 14 maart 2001 heeft de Staat zich, in zijn conclusie van antwoord, "om hem moverende redenen ten aanzien van de in het middel aangevoerde klachten" gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
- Het middel 2.
- Het middel voert aan dat, nu de dagvaarding tot vervroegde onteigening niet binnen de in art. 54g Ow bepaalde termijn is uitgebracht, de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 54j, lid 1, Ow. De Rechtbank had met toepassing van die bepaling (opnieuw) een rechter-commissaris en één of meer deskundigen moeten benoemen en een opneming door deskundigen moeten bepalen. De Rechtbank heeft, aldus het middel, ten onrechte - kennelijk met toepassing van art. 54j, lid 2, Ow - de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen opgedragen om de schadeloosstelling te begroten. 2.
- Uit de stukken van het geding blijkt niet dat [eiser] deze stelling eerder heeft aangevoerd. Nu het bepaalde in art. 54g Ow - naar het mij voorkomt - evenwel van openbare orde is en de Rechtbank dat voorschrift derhalve ambtshalve diende toe te passen, kan [eiser] ook in cassatie voor het eerst deze stelling van zuiver (formeel)juridische aard aanvoeren.