Rolnr. C99/245HR Mr L. Strikwerda Zt. 9 febr. 2001 conclusie inzake Berzelius Umwelt Service Chemie GmbH tegen
(1984), opgenomen in Audienda Verba, 1989, blz. 260 e.v., blz. 265; H.J. de Kluiver, Onderhandelen en privaatrecht, 1992, blz. 359; L. Strikwerda, De overeenkomst in het IPR, Praktijkreeks IPR, deel 11, 1995, nr. 78 en 79; P. Vlas, WPNR 6229, 1996, blz. 483/484; dez., Kluwer's Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen, EEX c.a., art. 5 sub 1, aant. 4.
- De buitenlandse literatuur is niet eenduidig. H. Gaudemet-Tallon, bijvoorbeeld, vindt in het arrest Réunion européenne/Spliethoff bevestiging van de opvatting dat een vordering wegens afgebroken onderhandelingen door art. 5 aanhef en sub 3 EEX wordt bestreken (Rev. crit. de d.i.p. 1999, blz. 335), terwijl J. Kropholler van oordeel is dat vorderingen uit "culpa in contrahendo" een grensgeval vormen tussen art. 5 aanhef en sub 1 en art. 5 aanhef en sub 3 en, voor zover zij samenhangen met "vorvertraglicher Aufklärungpflichten", onder art. 5 aanhef en sub 1 vallen, doch, voor zover zij betrekking hebben op "Verletzung der deliktsähnlichen Obhuts- und Erhaltungspflichten", bestreken worden door art. 5 aanhef en sub 3 (Europäisches Zivilproze(recht,
- Aufl. 1998, blz. 124/125, RdNr. 58).
- Terzijde wijs ik erop dat de kwalificatie van de vordering tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen niet alleen een probleem vormt bij de toepassing van de bevoegdheidsregeling van het EEX, maar ook bij de toepassing van de verwijzingsregeling van het EEG-Verdrag inzake het toepasselijke recht op verbintenissen uit overeenkomst (EVO). Hoewel de conflictenrechtelijke kwalificatie op zichzelf niet doorslaggevend behoeft te zijn voor de kwalificatie in het internationaal bevoegdheidsrecht, en omgekeerd, zijn in de rechtspraak van het Hof van Justitie aanwijzingen te vinden voor de gedachte dat - wat J.C. Schultsz in zijn NJ-noot onder het arrest Arcado/Haviland NJ 1990, 424 noemt - "verticale begrippenunificatie" tussen het EEX en het EVO wenselijk is. Veel verder helpt dit ons overigens niet. Ook onder het EVO is onduidelijk of de verbintenis tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen aangemerkt kan worden als een verbintenis uit overeenkomst in de zin van de verwijzingsregeling van dat Verdrag. Dat hangt - ook hier - uiteraard samen met het feit dat in het materiële recht van de EU-lidstaten over de grondslag van de aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen verschillend wordt geoordeeld. Zie daarover M.W. Hesselink, WPNR 6248, 1996, blz. 880/
- Zie voorts A. von Mehren, International Encyclopedia of Comparative Law, Vol. VII, Contracts in General, Ch. 9, The formation of Contracts, nr. 114 e.v. Zie over de conflictenrechtelijke kwalificatie De Kluiver, a.w., blz. 358/359; Strikwerda, a.w., nr. 263; R.I.V.F. Bertrams en F.J.A. van der Velden, Overeenkomsten in het internationaal privaatrecht en het Weens Koopverdrag, 2e dr. 1999, blz. 86 e.v. In het in 1998 gepubliceerde, door de Groupe européen de droit international privé opgestelde "Voorstel voor een Europees verdrag nopens het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ("EVO II") (de - Engelse - tekst van het Voorstel is weergegeven in NILR 1999, blz. 465 e.v., en in WPNR 6421, 2000, blz. 778 e.v.), wordt de kwalificatievraag overbodig gemaakt door de bepaling dat een verbintenis welke "is connected to a contemplated relationship between the parties" wordt beheerst door het rechtsstelsel dat van toepassing zou zijn geweest op de beoogde rechtsverhouding, indien deze wel tot stand zou zijn gekomen (art. 7 lid 2). Zie daarover L. Strikwerda, WPNR 6421, 2000, blz.
- Wanneer de aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen ondergebracht dient te worden bij art. 5 aanhef en sub 1 EEX, rijst de vraag welke verbintenis is aan te merken als de verbintenis "die aan de eis ten grondslag ligt". Is dat de verbintenis om de onderhandelingen voort te zetten, de verbintenis om schadevergoeding te betalen, of de (hoofd-)verbintenis die voor de partij die de onderhandelingen heeft afgebroken uit de beoogde overeenkomst zou zijn voortgevloeid? Bovendien rijst een lokaliseringsprobleem. Als de verbintenis om schadevergoeding te betalen of een verbintenis uit de beoogde overeenkomst als compententiescheppend moet worden beschouwd, is de plaats waar deze verbintenis uitgevoerd moet worden vast te stellen aan de hand van de in HvJ 6 oktober 1976, zk 12/76, Tessili/Dunlop, Jur. 1976, p. 1473, NJ 1976, 169 geformuleerde maatstaf: de plaats waar de verbintenis uitgevoerd moet worden, wordt bepaald door het rechtsstelsel dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter op de verbintenis van toepassing is. Maar indien de verbintenis om de onderhandelingen voort te zetten als de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt moet worden beschouwd, is onduidelijk waar deze verbintenis gelokaliseerd moet worden, als partijen geen (vaste) onderhandelingsplaats hebben afgesproken. Wanneer aangenomen moet worden dat de aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen valt onder art. 5 aanhef en sub 3 EEX is het lokaliseringsprobleem niet minder lastig, zoals het partijdebat in de onderhavige zaak illustreert.
- Blijkens het vorenstaande rijzen in deze zaak vragen van uitlegging van art. 5 aanhef en sub 1 en sub 3 van het EEX. Van een "acte clair" of een "acte éclairé" kan bij de plaatsbepaling van de aansprakelijkheid wegens afgebroken onderhandelingen in het stelsel van de bevoegdheidsregeling van het EEX niet gesproken worden. Het lijkt mij daarom aangewezen dat de Hoge Raad de gerezen vragen van uitlegging van de bedoelde bepalingen van het EEX op de voet van art. 2 van het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het EEX, Trb. 1971, 140, naar dat Hof verwijst. M.i. is beantwoording van de volgende vragen gewenst: (i) Is een verbintenis tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen aan te merken als een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van art. 5 aanhef en sub 1 EEX? Zo ja, welke verbintenis moet dan worden beschouwd als "de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt" en welke plaats heeft te gelden als de plaats "waar de verbintenis moet worden uitgevoerd"? (ii) Indien een verbintenis tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen niet kan worden aangemerkt als een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van art. 5 aanhef en sub 1 EEX, is zij dan aan te merken als een "verbintenis uit onrechtmatige daad" in de zin van art. 5 aanhef en sub 3 EEX? Zo ja, welke plaats heeft dan te gelden als de plaats "waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan"? De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zal verzoeken over de hierboven onder 16 bedoelde vragen van uitlegging van art. 5 aanhef en sub 1 en sub 3 EEX uitspraak te doen en het geding zal schorsen totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,