Mr. Fokkens Nr. 1618/00 Zitting 8 mei 2001 Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verdachte is op 18 november 1999 door het Gerechtshof te Amsterdam vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd. 2. Tegen deze uitspraak heeft de advocaat-generaal bij het hof te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. 3. De tijdig ingediende schriftuur bevat drie middelen van cassatie, die betrekking hebben op de vrijspraak van het onder 1 (deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven) alsmede het onder 2 en 3 primair (openlijke geweldpleging) ten laste gelegde. Nu het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld en geen middelen zijn voorgesteld voor wat betreft het onder 3 subsidiair ten laste gelegde, is het in zoverre niet-ontvankelijk (art. 437, eerste lid, Sv). Gelet op het bepaalde in art. 430 Sv rijst ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde de vraag of er sprake is van een onzuivere vrijspraak. 4. Onder 1 is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten de harde kern van Ajax-aanhangers, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waaronder de confrontatie met Feijenoord-aanhangers bij Beverwijk op 23 maart 1997. Van dezelfde organisatie zouden ook deel hebben uitgemaakt de volgende verdachten in wiens zaak eveneens beroep in cassatie is ingesteld [verdachte A] (1588/00); [verdachte B] (1589/00); [verdachte C] (1590/00); [verdachte D] (1597/00); [verdachte E] (1598/00); [verdachte F] (1600/00); [verdachte G] (1619/00); [verdachte H] (1620/00); [verdachte I] (1621/00); [verdachte J] (1622/00); [verdachte K] (1623/00). Ook in deze zaken neem ik heden conclusie. 5. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het ter terechtzitting door de raadsvrouw gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is wegens (
(186)nog een bijzonder misdrijf van zamenrotting aan te nemen. Stelt men de geheele zaâmgevloeide menigte strafbaar, indien zij een dreigend karakter aanneemt, men komt, bij de toevloed van tal van onschuldigen (gelijk steeds pleegt te geschieden), in allerlei moeijelijkheden. Zoodra werkelijk geweldpleging tegen personen of goederen gerigt wordt, zullen diegenen uit de menigte, die zich daaraan schuldig maken, en ook zij die daaraan medepligtig zijn, alsmede zelfs zij, die pogen het te doen, onder het bereik der strafwet vallen, en dit is toch voldoende. (Smidt II, a.w., blz. 91). 32. Hieruit volgt dat het enkele feit dat men met geweldplegers is "samengerot", onvoldoende is voor strafbaarheid krachtens art. 141 Sr (A.J.M. Machielse, 'De strafbaarheid der openlijke geweldpleging', in Naar eer en geweten (Liber amicorum Remmelink), Arnhem 1987, blz. 319-333 op blz. 327). 33. Onder het huidige - onlangs bij wet van 25 april 2000, Stb. 173 gewijzigde - art. 141 Sr kan dit anders zijn. Deze wijziging beoogde onder meer de strafbaarheid van degenen die door hun aanwezigheid het plegen van geweld door anderen bevorderen (Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3 (MvT) blz. 3). Daarmee vervalt het vereiste dat van verdachte zelf enige gewelddadige handeling moet zijn uitgegaan (Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3 (MvT) blz. 7). 34. Hoewel de reikwijdte van art. 141 Sr dus inmiddels is verruimd, valt ook onder deze ruimere bepaling niet het geval waarin iemand in een groep personen gewelddadig opdringt in de richting van een rivaliserende groep met de bedoeling om de confrontatie aan te gaan maar vervolgens (
- a)blijft staan of (
- b)vlucht bij het zien van de tegenstander. Deze door de steller van het middel voorgestane uitleg van art. 141 Sr, is verworpen bij de bespreking van de nu geldende bepaling. Bij de bespreking van het betreffende wetsvoorstel kwamen de rellen bij Beverwijk als voorbeeld ter sprake. Een tweede voorbeeld waaraan te denken valt zijn openlijke geweldplegingen waarbij supporters van twee voetbalclubs zijn betrokken. Uit het verleden is bekend, dat dergelijke verstoringen van de openbare orde soms tot op zekere hoogte gepland worden. Plaats en tijd worden in dat geval afgesproken. Te denken valt aan de rellen bij Beverwijk. De voorgestelde wetswijziging maakt het in de eerste plaats mogelijk, de "organisatoren" van de openlijke geweldpleging reeds op die grond als plegers daarvan aan te merken, ook als zij geen gewelddadige handeling hebben verricht. Voorts wordt de bewijsvoering in zoverre versimpeld, dat voldoende is dat de betrokkene aan de openlijke geweldpleging een bijdrage heeft geleverd. Daartoe kan, in gevallen als die van Beverwijk, voldoende zijn dat - bijvoorbeeld op grond van videobeelden - vaststaat dat de betrokkene zich met stokken of andere wapens in de richting van de tegenpartij heeft begeven, en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij voordat de feitelijke openlijke geweldpleging is begonnen, terug is gelopen. () Wie meegaat maar enkel toekijkt levert geen bijdrage aan het openlijke geweld. (Kamerstukken II 1999-2000, 26 519, nr. 6 (MvA) blz. 5). 35. De uitleg van art. 141 Sr die door de steller van het middel wordt voorgestaan komt neer op een nog ruimere strafbaarheid dan die welke inmiddels bestaat krachtens het nu geldende art. 141 Sr dat reeds een verruiming beoogde van de bepaling die in de onderhavige zaak wordt toegepast. 36. Het oordeel van het hof, dat niet is komen vast te staan dat van verdachte een gewelddadige handeling is uitgegaan, betreft een feitelijke vaststelling die niet onbegrijpelijk is en geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel faalt. 37. Nu de middelen falen betreft de door het hof gegeven vrijspraak een vrijspraak als bedoeld in art. 430 Sv zodat ik concludeer dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,