Mr Jörg Nr. 03405/00 Zitting 23 oktober 2001 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]
(1)van een ondeugdelijke machtiging in geval van voeging door middel van het in art. 51b, eerste lid, Sv bedoelde formulier groter dan onder de tot 1 april 1995 geldende regeling, die voorschreef dat een benadeelde of zijn vertegenwoordiger zich alleen ter terechtzitting kon voegen.
- Uit het bovenstaande volgt dat het in het tweede middel gevoerde betoog dat de benadeelde partij niet volgens de wettelijke voorschriften was vertegenwoordigd, juist is. Tot cassatie leidt het middel echter niet. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en uit het arrest van het hof blijkt dat verzoeker de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist.
- Hierin onderscheidt de onderhavige zaak zich van HR DD 95.
- Daar werd de vordering wèl betwist en was enkel geen bezwaar gemaakt tegen de vertegenwoordiging door een niet schriftelijk gemachtigde. Dit aspect bracht Uw Raad er kennelijk toe de vingerwijzing te geven dat het hof, waarnaar de zaak verwezen werd, niet aanstonds de niet-ontvankelijkheid van de beledigde partij zou uitspreken, maar aan haar de gelegenheid zou geven het gebrek te herstellen.
- Het middel faalt derhalve bij gebrek aan belang.
- Het derde middel berust op de stelling dat het hof zijn uitspraak onvoldoende met redenen heeft omkleed, nu het hof ten eerste bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet heeft bepaald dat verzoeker van zijn verplichting tot betaling aan de Staat zal zijn gekweten indien en voorzover de mededader aan de benadeelde partij betaalt, indien de mededader meer dan f. 860,- betaalt.
- Deze klacht faalt. Het hof heeft met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding immers bepaald "dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening aan de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag."
- De volgende, spiegelbeeldige, klacht houdt in dat het hof ten onrechte niet bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel heeft bepaald dat verzoeker eveneens zal worden bevrijd voor zover de mededader méér dan f. 860 in het kader van de schadevergoedingsmaatregel betaalt. Ten aanzien van de verplichting tot betaling aan de Staat heeft het hof verstaan dat "gehele of gedeeltelijke voldoening aan de, aan de verdachte opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van f 860,00 ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij met een zelfde bedrag doet verminderen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag van f 860,00 aan de benadeelde partij door de verdachte de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat tot een zelfde bedrag doet verminderen."
- De gedachte dat de Staat als schadevergoedingsmaatregel een hoger bedrag zou innen dan waartoe zij door de rechter gerechtigd is, komt bijzonder gezocht voor en kan naar het rijk der fabelen worden verwezen. Overigens heeft het hof onmiskenbaar, door te spreken over het bevrijd zijn "tot de hoogte van het (door de mededader, NJ) betaalde bedrag" over de verplichting van verzoeker geen misverstand laten bestaan. Mijns inziens staat hier wat er staat. Ook deze klacht faalt.
- Het middel faalt en maakt naar mijn mening aanspraak op hetzelfde lot als het eerste middel.
- Gronden waarop Uw Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Mijn toenmalige ambtgenoot Van Dorst noemde in punt 8 van zijn conclusie voor HR DD 95.055 de mogelijkheden dat iemand zich in strijd met de werkelijkheid opwerpt als vertegenwoordiger van de beledigde partij of dat problemen ontstaan tussen de veroordeelde en de beledigde partij over de gebondenheid van de eerste jegens de laatste.