Nr. 00706/01 Mr Wortel Zitting: 6 november 2001 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte] 1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Arnhem ter zake van (feiten1 en 6) "wederspannigheid", (feit 2) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen", (feit 3) "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", (feit 4) "overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" en (feit 5) "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, terwijl hem (ten aanzien van het onder 3. bewezenverklaarde) de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is ontzegd voor de tijd van 12 maanden. 2. Namens verzoeker heeft mr. P.A. van der Vliet, advocaat te Heerenveen, één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel bevat de klacht dat het Hof ongemotiveerd is voorbij gegaan aan een aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte. 4. Blijkens het van 's Hofs terechtzitting opgemaakte proces-verbaal is aldaar niet de verdachte verschenen, maar wel mr R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, die verklaarde uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Voorts heeft de gemachtigde opgegeven dat verzoeker het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte aanbiedt. 5. In de bestreden uitspraak is met betrekking tot de op te leggen straf of maatregel wèl overwogen op welke gronden het Hof een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als door het Hof bepaald aangewezen achtte, maar een afwijzing van het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid is daarin niet te vinden. 6. Het kan zijn dat het Hof die afwijzing welbewust niet heeft opgenomen, omdat ter terechtzitting niet door de verdachte zelf een dergelijk aanbod is gedaan, en aldaar evenmin enig door de verdachte opgesteld of ten minste ondertekend stuk is geproduceerd waarin dat aanbod besloten ligt. Als dat het geval is geweest, dan moet het Hof zich hebben laten leiden door de gedachte dat een raadsman, zelfs als hij nadrukkelijk gemachtigd is namens zijn niet verschenen cliënt de verdediging te voeren en dat ook doet, niet namens de verdachte het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid kan doen, respectievelijk de instemming met het opleggen van die straf kan betuigen, zoals ten tijde van het wijzen van de bestreden uitspraak vereist was ingevolge art. 22c, eerste lid (OUD), Sv, respectievelijk art. 22d, vierde lid (OUD), Sv. 7. Voor zover ik kon nagaan is deze - door het in werking treden, op 1 februari jongstleden, van de Wet van 7 september 2000, Stb 365 (Kamerstukken 26 114) overigens achterhaalde - kwestie van een door een gemachtigde raadsman, namens de niet verschenen verdachte, gedaan aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte nog niet eerder door Uw Raad beslist. 8. Bij de parlementaire behandeling van wetsvoorstel 24 692, strekkende tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (herziening onderzoek ter terechtzitting), dat heeft geleid tot de Wet van 15 januari 1998, Stb 33, in werking getreden op 1 februari 1998, heeft de minister van Justitie aan dit punt aandacht besteed. In de Nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt: "Bij de uitoefening van de volgende bevoegdheden die bij uitstek aan de verdachte toekomen, kan men zich, zoals de leden van voornoemde fracties, afvragen of deze eveneens toekomen aan de raadsman die bij afwezigheid van zijn cliënt diens verdediging voert. Het gaat daarbij in het bijzonder over [...]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.