Mr. A.S. Hartkamp nr. C00/105HR zitting 16 nov. 2001 Conclusie inzake [Erflater A] tegen De gezamenlijke erfgenamen van [erflater B] Feiten en procesverloop 1) De eiser tot cassatie, [erflater A], heeft zich in 1978 borg gesteld voor een schuld van een zekere [betrokkene] aan [erflater B] (wiens gezamenlijke erfgenamen verweerders in cassatie zijn). In 1983 heeft [betrokkene], na daartoe door het Hof te Den Haag veroordeeld te zijn, het grootste deel van zijn schuld voldaan. Bij dagvaarding van 11 mei 1990 heeft [erflater B] [erflater A] aangesproken tot betaling van het restant van de schuld. De rechtbank te Rotterdam heeft de vordering afgewezen. Het hof te Den Haag heeft de vordering bij eindarrest van 24 nov. 1999 (gewezen na drie tussenarresten) toegewezen tot een bedrag van ƒ 84.611,86 met rente en kosten. 2) Tegen het eindarrest heeft [erflater A] tijdig beroep in cassatie ingesteld. Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, waarvan de eerste twee nader zijn verdeeld. Het cassatiemiddel is niet schriftelijk toegelicht. Tegen de erfgenamen van [erflater B] is verstek verleend. Bespreking van het cassatiemiddel 3) In de onderdelen 1-3 wordt geklaagd dat het hof ten onrechte samengestelde wettelijke rente heeft toegewezen, nu deze volgens de artt. 1286 en 1287 (oud), anders dan volgens art. 6:119 lid 2, niet gevorderd kan worden. Hoewel dit laatste juist is (zie HR 26 maart 1995, NJ 1995, 42 m.nt. CJHB), worden de klachten m.i. tevergeefs voorgesteld. De voormelde bepalingen van het oude wetboek waren niet van dwingend recht; partijen konden daarvan bij overeenkomst afwijken. Voorts heeft een schuldenaar de vrijheid zich niet op de bepalingen te beroepen. In de onderhavige zaak heeft [erflater A] zich in de feitelijke instanties niet op de bepalingen beroepen; en hij heeft, zoals het hof in r.o. 2 van het bestreden arrest heeft overwogen, de in de onderdelen 2 en 3 bedoelde opgaven van wettelijke rente
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.