ECLI:NL:PHR:2002:AD8170
Rolnummer C00/079 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 4 januari 2002 Conclusie inzake de Staat der Nederlanden tegen 1. Kuwait Maritime Transport Co.
Inleiding 1. In deze zaak gaat het om het volgende:
Subsidiair heeft de Staat betoogd dat KMT onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door geen maatregelen te treffen ter opheffing van de gevaarlijke situatie die voor mens en milieu, alsmede voor de scheepvaart, was ontstaan ten gevolge van het overboord slaan van in het bijzonder de container met trichloor-phon; hij heeft in dat verband - onder verwijzing naar HR 7 mei 1982, NJ 1983, 478, m.nt. CJHB, HR 4 november 1988, NJ 1989, 854, m.nt. CJHB en HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 720, m.nt. MS - betoogd dat op KMT, als reder en centraal aansprakelijke figuur in het zeerecht, de plicht rustte de containers te verwijderen op grond van het te dezen nog toepasselijke art. 1401 (oud) BW. Daarbij heeft de Staat erop gewezen dat zijn belang is gelegen in de omstandigheid dat hij als beheerder van het vaarwater diende te zorgen voor een vrije en veilige doorvaart binnen de territoriale wateren terwijl hij voorts, in verband met de gevaarlijke aard van trichloorphon, het algemeen milieubelang diende veilig te stellen.
De Staat beriep zich daarbij op zijn eigendom van de bodem van de territoriale zee en zijn daaraan verbonden exclusieve bevoegdheid tot het gebruik van het zich daarboven bevindende water.
Met betrekking tot de vordering uit hoofde van de door de Bank verstrekte garantie, heeft KMT betoogd dat deze garantie is vervallen nu de Staat eerst bij de op 14 september 1994 genomen conclusie van repliek de vanwaardeverklaring van het aan de garantie voorafgaande beslag heeft gevorderd terwijl de - in de garantieovereenkomst tussen partijen verlengde - termijn voor de vanwaardeverklaring afliep op 28 juni 1990. De Bank heeft zich bij dit verweer aangesloten.
Met betrekking tot de garantie en de vordering tegen de Bank overwoog de Rechtbank als volgt. Op grond van het bepaalde in art. 770 (oud) Rv., zoals dat ten tijde van de onderhavige beslaglegging gold, diende de Staat binnen veertien dagen nadat het beslag was gelegd een vordering tot vanwaardeverklaring in te stellen, op straffe van verval van het beslag. Deze termijn kan bij overeenkomst tussen partijen worden verlengd, zoals in casu - naar partijen in hun debat over deze kwestie tot uitgangspunt hebben genomen - ook is gebeurd. De vordering tot vanwaardeverklaring is echter niet ingesteld binnen de verlengde termijn maar eerst bij wege van eisvermeerdering bij repliek. Anders dan de Staat betoogt, valt niet in te zien dat volgens de in 1990 geldende rechtsopvattingen ten aanzien van een (buitenlandse) debiteur aan het vereiste van een tijdige (afzonderlijke) vordering tot vanwaardeverklaring van een te zijnen laste door de Staat gelegd beslag kon worden voorbijgegaan zonder dat zulks van rechtswege tot gevolg had dat het beslag, of de in het kader van de vervanging daarvan gestelde zekerheid, kwam te vervallen.
Ook indien wordt aangenomen dat de Nederlandse rechter - ook zonder het onderhavige beslag - reeds uit hoofde van artikel 126 lid 3 Rv bevoegd zou zijn geweest over de onderhavige zaak te oordelen, laat dat onverlet dat KMT, als buitenlandse debiteur, belang had bij het spoedige inschakelen van de rechter, welk belang art. 770 (oud) Rv. beoogde te dienen. De Rechtbank overwoog dat de vordering van de Staat tegen de Bank dan ook zal worden afgewezen, doch dat daarmee zal worden gewacht totdat ook ten aanzien van KMT een eindvonnis kan worden gewezen.
De Rechtbank heeft vervolgens de Staat toegelaten tot bewijslevering en iedere verdere beslissing aangehouden.
4.9. Gesteld noch gebleken is dat KMT dan wel de kapitein van de Danah zou hebben nagelaten om terstond na het in zee raken van de containers de in aanmerking komende autoriteiten daarvan in kennis te stellen en/of zelf zou zijn tekortgeschoten in het treffen van maatregelen om tot opsporing en berging te geraken.
Resteert de vraag of - beoordeeld naar het destijds geldende recht - KMT als reder/vervoerder van de in zee geraakte container met vaten trichloorfon bij wege van risico-aansprakelijkheid dient op te komen voor de door de Staat gemaakte kosten tot opsporing en berging daarvan.
4.10. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, aangezien er geen aanwijzingen zijn (ook niet in de wetsgeschiedenis van de hierna te noemen afdeling 4 van boek 8 BW) dat naar het toen geldende recht op KMT als reder/vervoerder een dergelijke aansprakelijkheid rustte. Hetgeen de Staat in dat verband als toelichting op grief I in het principaal appel naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Opmerking verdient dat eerst op 1 februari 1995 afdeling 4 van boek 8 BW in werking is getreden, welke afdeling in de artikelen 623 en volgende de aansprakelijkheid van de reder vestigt voor schade veroorzaakt door een zich aan boord van het schip bevindende gevaarlijke stof als gevolg van een daar bedoelde gebeurtenis, alles als nader in de bewuste afdeling gedefinieerd en omschreven. Naar uit de desbetreffende overgangsbepaling (artikel V) volgt, is afdeling 4 niet van toepassing als de gebeurtenis als hiervoor bedoeld vóór de datum van inwerkingtreding van afdeling 4 heeft plaatsgevonden, zoals zich in dit geval voordoet. Aard en inhoud van deze nieuwe regeling in vergelijking met het voordien geldende recht geven geen grond om bij de berechting van het onderhavige geval daarop bij wege van anticipatie vooruit te lopen. Grief I in het principaal appel kan dus niet slagen."
Ter zake van de vordering van de Staat tegen de Bank sloot het Hof zich - met een verwijzing naar HR 16 oktober 1981, NJ 1983, 778, m.nt. PAS - aan bij hetgeen de Rechtbank hieromtrent had overwogen.
De cassatiemiddelen 8. Middel I komt op tegen 's Hofs verwerping van het betoog van de Staat dat de aansprakelijkheid wegens niet-nakoming van de plicht tot verwijdering van voorwerpen die een inbreuk maken op het eigendomsrecht van een ander, in een context als de onderhavige waarin het gaat om voorwerpen die tijdens vervoer over zee in zee terechtkomen, (ook) rust op de reder, in casu derhalve op KMT. Het middel strekt ten betoge dat het Hof dit betoog ten onrechte heeft verworpen, althans dat het Hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Geklaagd wordt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het bij bedoelde aansprakelijkheid gaat om een zogenaamde risico-aansprakelijkheid en dat de Staat een dergelijke aansprakelijkheid ook heeft bepleit; voorts wordt geklaagd dat het Hof met zijn overweging dat gesteld noch gebleken is dat KMT dan wel de kapitein van de Danah zelf zou zijn tekortgeschoten in het treffen van maatregelen om tot opsporing en berging te geraken, eraan heeft voorbijgezien dat de Staat heeft aangevoerd dat KMT is tekortgeschoten in haar verwijderingsplicht.
In het arrest van 7 mei 1982, NJ 1983, 478. m.nt. CJHB (Trechsel/Laméris) ging het om een boom die door een storm was omgewaaid en terecht was gekomen op een aangrenzend perceel en op het dak van de op dat perceel staande opstal. De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat de zorgvuldigheid die de eigenaar van de boom in het maatschappelijk verkeer jegens de goederen van een ander, zijn buurman, in acht behoorde te nemen, meebracht dat hij terstond nadat hij van de situatie op de hoogte was gekomen, maatregelen had behoren te nemen om aan de situatie die een inbreuk op de eigendom van die ander insloot, een einde te maken door de hem toebehorende boom te verwijderen; daarbij overwoog de Hoge Raad dat voor deze gehoudenheid niet is vereist dat de aanwezigheid van de boom in de tuin van die ander aan een gedraging van de eigenaar van de boom kan worden toegerekend.
Voorts werd overwogen dat degene die zonder de weg van art. 1277 (oud) BW te volgen, op eigen kosten doet uitvoeren hetgeen een ander die daartoe jegens hem gehouden was, onrechtmatig nalaat, aldus niet zijn recht op schadevergoeding verliest, doch slechts het gevaar loopt dat zijn wederpartij terecht kan betogen dat deze kosten geheel of gedeeltelijk onnodig zijn gemaakt. In zijn noot onder dit arrest heeft Brunner vooropgesteld dat de eigenaar op wiens recht inbreuk wordt gemaakt, kan vorderen dat die inbreuk wordt gestaakt en dat dit rechtstreeks voortvloeit uit het eigendomsrecht en daarvan de rechtsvorderlijke zijde is. Brunner heeft erop gewezen dat de Hoge Raad in dit arrest de verplichting van de eigenaar van de boom om terstond tot verwijdering over te gaan, baseert op de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer zodat tegenover het aan de eigendom ontleende recht om te vorderen dat aan de inbreuk een einde wordt gemaakt de zorgvuldigheidsverplichting staat van de eigenaar van de omgevallen boom om de inbreuk te doen eindigen.
De beslissing dat de eigenaar van de omgevallen boom deze moet verwijderen, is ongetwijfeld in overeenstemming met wat niet-juristen voor vanzelfsprekend zouden houden; aldus Brunner. Ik teken hierbij aan dat deze niet-juristen wellicht voor minder vanzelfsprekend zullen houden dat de eigenaar van de boom niet aansprakelijk is voor de door de boom aan de opstal toegebrachte schade ingeval het omvallen van de boom hem niet kan worden verweten (toegerekend), hoezeer die niet-verwijtbaarheid aan de verplichting tot verwijdering van de boom geen afbreuk kan doen. Vergelijk mijn ambtgenoot Spier in zijn conclusie (onder 3.39.2 e.v.) voor HR 15 juni 2001, RvdW, 2001, 114, in welke zaak het eveneens ging om een vordering tot kostenverhaal doch waarin aan die vordering niet ten grondslag was gelegd "inbreuk op de eigendom".
In het arrest HR 4 november 1988, NJ 1989, 854, m.nt. CJHB, ging het om een inbreuk op de eigendom van een aangrenzend perceel daarin bestaande dat tuinmateriaal (waaronder grond en takken) op dat perceel was terechtgekomen. De Hoge Raad herhaalde de overweging uit bovengenoemd arrest dat de in het maatschappelijk verkeer jegens andermans goederen in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat degene wiens zaak op andermans perceel terecht komt (hetgeen inbreuk maakt op diens eigendom), ook al valt hem daarvan op zichzelf geen verwijt te maken, terstond nadat hij van die situatie op de hoogte is gekomen jegens die ander gehouden is die zaak van dat perceel te verwijderen en dat hij onrechtmatig jegens die ander handelt ingeval hij dat nalaat.
De Hoge Raad overwoog voorts dat denkbaar is dat bij het terecht komen van de desbetreffende zaak op het perceel van die ander, ook andere zaken op zodanige wijze op dat perceel zijn terechtgekomen dat de daardoor ontstane situatie inbreuk op diens eigendomsrecht insluit; de Raad oordeelde - in afwijking van zijn A-G - dat voormelde zorgvuldigheid dan kan meebrengen dat degene wiens zaak tot deze - verdere - inbreuk heeft geleid, óók is gehouden tot verwijdering van die andere zaken, onverschillig aan wie deze toebehoren. De Hoge Raad voegde hieraan nog toe dat het afhangt van de bijzondere omstandigheden van het geval of voor degene wiens zaak op eens anders perceel in voege als voormeld is terechtgekomen, dientengevolge de plicht bestaat mede die andere zaken te verwijderen.
Brunner heeft in zijn noot onder dit arrest benadrukt dat de verplichting tot verwijdering van de inbreuk makende zaak berust op de maatschappelijke zorgvuldigheid en niet op de eigendom van de zaak zodat de verplichting tot verwijdering pas ontstaat wanneer de eigenaar van de zaak "van de situatie op de hoogte is gekomen".
In HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 720, m.nt. MS (De Staat/ August de Meijer), ging het om een kraan, de "Kraan 2", die tijdens vervoer op een ponton over de Westerschelde van dat ponton was gevallen en vervolgens was terechtgekomen op de bodem van de Westerschelde zonder dat de eigenaar van de kraan daarvan een verwijt viel te maken. De Hoge Raad stelde - in navolging van zijn waarnemend A-G Bloembergen - voorop dat een vordering uit onrechtmatige daad niet een onaanvaardbare doorkruising oplevert van de regeling van de Wrakkenwet nu de slotzinsnede van art. 10 Wrakkenwet met zijn bepaling dat de beheerder bevoegd is "te zijnen laste komende kosten te verhalen op dengene, die volgens de wet daarvoor aansprakelijk is", op dit punt een voorziening inhoudt waarbij de verwijzing naar aansprakelijkheid krachtens de wet niet tot bepaalde aansprakelijkheidsgronden is beperkt, met name niet tot het geval dat de aangesprokene verwijt treft ter zake van het zinken van het voorwerp dat moet worden opgeruimd.
In zijn conclusie voor dit arrest wees Bloembergen erop dat het bij water en in het bijzonder bij diep water kan voorkomen dat een zaak die erin terecht komt in de diepte verdwijnt en dat de eigenaar van het water er geen last van heeft; hij nam daarom aan dat de plicht tot verwijdering van een zaak uit water alleen bestaat ingeval verwijdering gelet op alle omstandigheden redelijkerwijs van de eigenaar kan wordt gevergd. In het voetspoor van zijn A-G oordeelde de Hoge Raad dat ingeval een voorwerp is terechtgekomen op de bodem van een vaarwater, zonder dat de eigenaar van dat voorwerp daarvan een verwijt treft, voor de aansprakelijkheid van de eigenaar voor de kosten van opruiming in beginsel vereist zal zijn dat de beheerder van het water stelt, en zonodig bewijst, dat de gevaren verbonden aan het niet verwijderen van dat voorwerp zo groot zijn dat deze hem redelijkerwijs tot verwijdering noopten.
In de onderhavige zaak heeft het Hof - in cassatie onbestreden - het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het vrijkomen van trichloorphon zoveel schade voor mens en milieu zou teweegbrengen dat tot opsporing en berging van de container diende te worden overgegaan.
Art. 1403 lid 1 (oud) BW spreekt ook van schade veroorzaakt door "zaken, welke men onder zijn opzicht heeft"; weliswaar komt aan deze bepaling die uitsluitend wordt beschouwd als een nadere uitwerking van art. 1401 (oud) BW, geen zelfstandige betekenis toe, doch uit deze bepaling blijkt wel dat met name ook aan de "opzichter" is gedacht als aansprakelijke persoon ingeval door een zaak schade is veroorzaakt. Zoals de "opzichter" aansprakelijk is ingeval door zijn schuld schade is veroorzaakt door de aan zijn opzicht onderworpen zaak, zo moet naar mijn oordeel onder omstandigheden ook de verplichting tot verwijdering van de - op andermans eigendom inbreuk makende - zaak rusten op degene aan wiens opzicht/toezicht de zaak was onderworpen.
Dat geldt naar mijn oordeel althans in gevallen als het onderhavige waarin het gaat om een inbreuk makende zaak die onder het toezicht van een reder, niet eigenaar, werd vervoerd; zulks sluit aan bij de in het zeerecht reeds gerealiseerde kanalisatie van aansprakelijkheid naar de reder. Uit het arrest van 7 mei 1982 bleek reeds dat degene die zonder de weg van art. 1277 (oud) BW te volgen, op eigen kosten doet uitvoeren hetgeen een ander die daartoe jegens hem gehouden was, onrechtmatig nalaat, aldus niet zijn recht op schadevergoeding verliest; zoals blijkt uit het systeem van de Wrakkenwet is de Staat als beheerder van de openbare wateren, bevoegd tot berging en vervolgens tot kostenverhaal op degene die volgens het gemene recht uit onrechtmatige daad aansprakelijk is wegens de inbreuk op de eigendom en/of het exclusieve gebruiksrecht van de Staat.
Ik kom tot de conclusie dat het middel, dat terecht betoogt dat de Staat heeft aangevoerd dat KMT is tekortgeschoten in haar "verwijderingsplicht", slaagt en dat 's Hofs arrest niet in stand kan blijven; verwijzing zal moeten volgen nu de Rechtbank in haar beroepen tussenvonnis heeft geoordeeld dat de Staat zijn schade nader zal moeten specificeren en bewijzen en het Hof niet aan een beoordeling ter zake is toegekomen.
Voorts wordt betoogd dat uit de tekst van de gestelde bankgarantie volgt dat de garantie slechts vervalt indien de (hoofd)vordering niet binnen de gestelde termijn aanhangig is gemaakt bij de bevoegde rechter en dat in een zodanig geval de in bedoeld arrest aanvaarde regel evenmin geldt.
Nochtans heeft de wetgever, aldus de Hoge Raad, aan het verkrijgen van het rechterlijk verlof dat is vereist voor het leggen van vreemdelingenbeslag, geen zware eisen gesteld: voor het summierlijk aantonen van zijn vordering behoeft de schuldeiser niet te beschikken over schriftelijk bewijs, gegronde vrees voor verduistering behoeft hij te stellen noch aannemelijk te maken en het horen van degene tegen wie het beslag moet worden gelegd is niet voorgeschreven. De belangen van de beslagen schuldenaar worden daartegenover, aldus de Hoge Raad, beschermd door het voorschrift van het eerste lid van art. 770 Rv. dat tenminste de vordering tot vanwaardeverklaring binnen acht dagen na de beslaglegging moet worden ingesteld op straffe van het van rechtswege verval van het gelegde beslag (waarmede tevens vervalt de aan het beslag gekoppelde bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de hoofdzaak kennis te nemen): door dit spoedige inschakelen van de rechter wordt de beslagene het middel gegeven om vertraging te voorkomen van de uiteindelijke beslissing omtrent naleving van desbetreffende wettelijke voorschriften en omtrent de juistheid van de aan het beslag ten grondslag gelegde vordering.
Aan die bescherming blijft in beginsel behoefte bestaan wanneer het beslag tegen het stellen van zekerheid wordt opgeheven, aangezien in dat geval de gestelde zekerheid de plaats inneemt van het beslag met alle evengenoemde gevolgen voor de beslagene. Vandaar, aldus de Hoge Raad, dat het voorschrift van art. 770 Rv. met zijn eis van het binnen acht dagen instellen van een vordering tot vanwaardeverklaring, ook geldt wanneer het vreemdelingenbeslag door zekerheid is vervangen, zij het op straffe van verval van rechtswege van de gestelde zekerheid. De Hoge Raad oordeelde evenwel dat de strekking van dit voorschrift zich niet ertegen verzet dat de schuldenaar, tot wiens bescherming de termijn van acht dagen is gegeven, in het kader van vervanging van het beslag door zekerheid met de schuldeiser een langere termijn overeenkomt binnen welke de vordering tot vanwaardeverklaring moet zijn ingesteld; zodanige overeenkomst kan besloten liggen in een alsdan voor het instellen van de hoofdvordering overeengekomen termijn.
Uit het verband dat in de overwegingen van evenbedoeld arrest wordt gelegd tussen de door de Hoge Raad aanvaarde regel inzake het verval van de vervangende zekerheid en het verstrekkende gevolg dat het vreemdelingenbeslag met zijn competentiescheppende werking heeft, leidt het middel af dat deze regel alleen geldt ingeval sprake is van een vreemdelingenbeslag waardoor de buiten Nederland woonachtige of gevestigde schuldenaar gedwongen wordt in Nederland over de hoofdvordering te procederen, een geval dat zich in casu niet voordoet aangezien de Nederlandse rechter ook reeds op grond van art. 126 lid 3 Rv. bevoegd was van de hoofdvordering kennis te nemen.
Stein wijst evenwel in zijn noot terecht erop dat de Hoge Raad in zijn overwegingen eraan refereert dat verdragsbepalingen of een tussen partijen geldende regeling kunnen meebrengen dat de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd niet in Nederland wordt vervolgd. De Hoge Raad maakt voor dergelijke gevallen geen uitzondering op de regel dat de vordering tot vanwaardeverklaring binnen acht dagen of althans binnen de overeengekomen termijn moet worden ingesteld op straffe van verval van de gestelde zekerheid; ook in de wettekst is geen aanknoping voor een dergelijke restrictie te vinden. De klacht dat de schuldenaar ook de bescherming wordt geboden waarom het in art. 770 (oud) Rv. te doen is ingeval, zoals in casu, de hoofdvordering binnen de overeengekomen termijn is ingesteld, althans dat niet valt in te zien dat KMT en de Bank door de onderhavige gang van zaken in enig te dezen te respecteren belang zijn geschaad, ziet eraan voorbij dat bij de beoordeling van de vordering tot vanwaardeverklaring, anders dan bij de beoordeling van de hoofdvordering, ook wordt gelet op de inachtneming van de termijnen en formaliteiten bij het leggen van beslag. De klacht dat in de tekst van de bankgarantie ligt besloten dat deze slechts vervalt als de hoofdvordering niet binnen de gestelde termijn aanhangig is gemaakt bij de bevoegde rechter, bevat een ontoelaatbaar novum in cassatie. De eerste vijf klachten van middel II stuiten op het voorgaande af.
Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden