Nr. 02548/00/E Mr Machielse Zitting 15 januari 2002 Conclusie inzake: [Verdachte]
- Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 2 mei 2000 voor "Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van fl. 20.000,- waarvan fl. 5.000,- voorwaardelijk.
- Mr A.M. Rottier, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr P.M. van Russen Groen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. 3.
- Bewezenverklaard is dat verdachte - kort gezegd - in het jaar 1995 op zijn varkenshouderijbedrijf als bedoeld in de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijbedrijven opzettelijk de mestproductie heeft uitgebreid. De Interimwet gold voor bedrijven die reeds in 1984 bestonden en beperkte niet de hoeveelheid mest die de veehouder mocht produceren, maar het aantal dieren dat hij mocht houden.
(1)Dat aantal dieren werd vastgelegd op basis van de in 1984 op grond van artikel 24 van de Landbouwwet gehouden landbouwtelling (meitelling 1984). Maar van de cijfers van de landbouwtelling kon worden afgeweken, onder meer wanneer al vóór 3 november 1984 uitbreidingsvergunningen in het kader van de Hinderwet en Woningwet waren aangevraagd en reeds investeringsverplichtingen waren aangegaan. Vast staat dat verdachte heeft voldaan aan de voorwaarden die voor een afwijking golden. In geschil is hoever de toegestane afwijking reikt. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vermelding in de Hinderwetvergunning 1984 van 1000 gespeende biggen betrekking heeft op mestvarkens. Het OM, dat van de vrijspraak door de Economische Politierechter in appel is gegaan, meent dat die 1000 gespeende biggen niet als mestvarkens mogen meetellen. 3.
- Het hof heeft zich achter het standpunt van het OM geschaard en daartoe het volgende overwogen: De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. a. Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de gespeende biggen welke zijn vermeld in de hinderwetvergunning van 4 juni 1984 niet bij zeugen behorende biggen zijn, maar biggen die in kraamhokken kunnen blijven en vervolgens na gespeend te zijn en een gewicht te hebben van 20 kg of meer (afhankelijk van de marktomstandigheden) doorgemest of verkocht kunnen worden als mestvarken. b. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de uitzonderingsbepaling van artikel 3, eerste lid, onder a van de Interimwet geinterpreteerd moet worden aan de hand van de bepalingen van de Hinderwet. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. ad a. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de aanvraag van [verdachte] om vergunning ingevolge de Hinderwet d.d. 20-1-1984, als doel van de inrichting vermeld (AM, lees: vermeldt): "varkensfokkerij" en dat de aanvraag van [verdachte] om vergunning ingevolge de Hinderwet ingekomen bij de gemeente [woonplaats] op 20 februari 1990, als doel vermeld (AM, lees: vermeldt): "varkensfokkerij en of mesterij". Voorts is in de op de laatste aanvraag gevolgde hinderwetvergunning d.d. 28 december 1990 de volgende overweging opgenomen: "Bij ons besluit van 4 juni 1984 hebben wij voor de inrichting een geheel nieuwe vergunning ingevolge artikel 6a der Hinderwet verleend. Het betrof destijds een fokvarkensbedrijf. Blijkens controles op 18 februari 1988 en 31 maart 1989 bleek dat de inrichting niet conform de hinderwetvergunning in werking was. Behalve fokvarkens werden er namelijk ook mestvarkens aangetroffen. De onderwerpelijke aanvraag vloeit voort uit het overleg dat met de vergunninghouder nadien heeft plaatsgevonden". Uit het bovenstaande leidt het hof af dat met de biggen vermeld in de in 1984 aan [verdachte] afgegeven hinderwetvergunning niet anders kan zijn bedoeld dan de bij de fokzeugen behorende biggen. De stelling van de verdediging, inhoudende een andere conclusie dan de voorgaande, is tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden. ad b. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat voormelde uitzonderingssituatie van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Interimwet niet geïsoleerd van het begrippenkader als vermeld in artikel 1 van deze Interimwet in beschouwing mag worden genomen, zoals met name ook kan worden afgeleid uit artikel 3, lid 3 van die wet, die dit begrippenkader uitdrukkelijk bezigt. Volgens de definitie van het begrip mestvarken in artikel 1, lid 1, van de Interimwet is een mestvarken een "levend exemplaar van de diersoort varken met het gewicht van 20 kg of meer, bestemd om te worden geslacht op een daartoe gebruikelijk gewicht." Gelet op deze definitie kan een gespeende big met een gewicht van 20 kg of meer niet zondermeer gelijk worden gesteld met een mestvarken. Het moet er veeleer voor worden gehouden dat naast de biggen met een gewicht tot 20 kg aan iedere zeug (fokvarken) een beperkt aantal gespeende biggen van meer dan 20 kg moesten worden toegerekend, waarvoor destijds, zoals ook naar voren is gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, kengetallen werden gehanteerd globaal overeenkomend met de verhouding fokvarkens/gespeende biggen, zoals voorkomend in de aan verdachte verleende hinderwetvergunning. Bovendien noopt de doelstelling van de wet -die beoogde uitbreiding van varkens- en pluimveehouderijen te verbieden in verband met het meststoffenoverschot- uitzonderingsbepalingen die een uitbreiding, in verband met verkregen rechten of aangegane investeringsverplichtingen, desondanks mogelijk maakte (AM, lees: maakten), restrictief te interpreteren. Gelet op het vorenstaande kunnen (gespeende) biggen -nu zij niet afzonderlijk worden benoemd in het begrippenkader van de Interimwet en hen geen varkenseenheden zijn toegekend- niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het ingevolde (AM, lees: ingevolge) de Interimwet maximaal toegestane aantal varkenseenheden. Voormelde redenering is mitsdien niet juist en dient derhalve te worden verworpen. 3.
- Het eerste middel klaagt dat de verwerping van verdachtes stelling dat de vermelding van 1000 gespeende biggen in de hinderwetvergunning 1984 slaat op mestvarkens, op ontoereikende gronden berust. Het door het hof onder a overwogene zou volgens de steller van het middel geen antwoord geven op de vraag of de "gespeende biggen" in de hinderwetvergunning 1984 al dan niet onder de categorie "fokzeug met biggen" te begrijpen zijn. Voorts voert het middel aan dat de hinderwetvergunning 1984 kennelijk uitgaat van twee soorten biggen, te weten de biggen die met de fokzeugen worden "meegenomen" en de biggen die een aparte vermelding krijgen. De steller van het middel bedoelt hiermee te zeggen dat de aparte vermelding van "gespeende biggen" in de vergunning erop duidt dat daarmee andere biggen moeten zijn bedoeld dan de biggen die bij fokzeugen horen. 3.
- Ik lees de overwegingen van het hof echter anders. Het hof heeft erop gewezen dat de hinderwetvergunning 1984 de aard van de inrichting van verdachte aanduidde als "varkensfokkerij". Daarin ligt besloten dat de vergunning van 1984 geen betrekking had op een varkensmesterij. De vergunningverlener is er van uitgegaan dat op het bedrijf van verdachte geen varkens zouden worden gemest en dat daarop dus ook geen mestvarkens, daaronder begrepen (zwaardere) biggen die werden opgemest, aanwezig zouden zijn. Bij controles in 1988 en 1989, zo heeft het hof vastgesteld, bleek de situatie op het bedrijf van verdachte niet meer in overeenstemming te zijn met de vergunning omdat er ook mestvarkens werden aangetroffen. In 1990 is de vergunning daaraan aangepast. Klaarblijkelijk heeft de vergunningverlener in 1990, aldus de redenering van het hof, ook het standpunt gehuldigd dat de hinderwetvergunning 1984 alleen het houden van fokvarkens en niet het houden van mestvarkens toestond. Ware dit anders dan zou er geen noodzaak hebben bestaan de vergunning aan te passen.
(2)Het hof heeft dus naar mijn mening kunnen oordelen dat de vergunning van 1984 is verleend vanuit de gedachte dat geen mestvarkens zouden worden gehouden, en dat de vergunning ook geen betrekking op het houden van mestvarkens had. Als de hinderwetvergunning 1984 geen betrekking kan hebben gehad op mestvarkens kan de door verdachte geplaatste vermelding "1000 gespeende biggen" op de aanvraag evenmin betrekking op mestvarkens gehad hebben. De vergunningverlener zal die aanduiding ook niet zo begrepen behoeven te hebben omdat verdachte bij de aparte categorie "mestvarkens" niets heeft ingevuld. Daarmee is ook het lot van het tweede onderdeel van het middel bezegeld. Het hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat de aanduiding "1000 gespeende biggen" in de hinderwetvergunning 1984, gelet op de aard van de inrichting waarvoor die vergunning is afgegeven, op het ontbreken van een vermelding van het aantal mestvarkens in de vergunningaanvraag in de daarvoor bestemde rubriek en op de aanpassing van de vergunning in 1990, in ieder geval niet op mestvarkens kon wijzen. Het eerste middel faalt. 4.
- Het tweede middel klaagt dat de overwegingen van het hof blijk geven van een onjuiste uitleg van de begrippen van de Interimwet. Het Gerechtshof zou hebben miskend dat de beschrijvingen van de Interimwet naadloos op elkaar aansluiten en geen ruimte laten voor afwijkingen. Die ruimte zou het hof wél hebben gelaten door te overwegen dat een gespeende big met een gewicht van 20 kg of meer niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met een mestvarken en dat een aantal van die zwaardere biggen ook geacht moeten worden bij de zeug te behoren en daarom niet apart vermeld of geteld behoefden te worden. 4.
- Hetgeen het hof onder "ad b" heeft overwogen is in wezen ten overvloede. Het hof heeft immers daarvoor al geoordeeld dat de hinderwetvergunning 1984 niet het houden van 1000 mestvarkens toeliet die als "1000 gespeende biggen" zouden zijn aangevraagd. Wat het hof vervolgens heeft overwogen over onzelfstandige biggen van meer dan 20 kg doet daaraan niet af. 4.
- Overigens kan ik mij wel voorstellen dat het lijkt alsof het hof zich in de overwegingen "ad b" heeft verslikt in de terminologie. De aanvraag voor de hinderwetvergunning is in 1984 gedaan vóórdat het ontwerp Interimwet was ingediend. De aanvragen voor een hinderwetvergunning werden toen nog afgehandeld volgens de criteria van de brochure "Veehouderij en hinderwet"
(1976). In die brochure is een gezamenlijke zienswijze neergelegd van (indertijd) het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiène, het Ministerie van Landbouw en Visserij, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Landbouwschap over een aantal uitgangspunten voor de toepassing van de Hinderwet op intensieve veehouderijbedrijven. Als bijlage 6 is bij de brochure een zogenaamde afstandsgrafiek gevoegd, waarin aan de hand van de soort omgeving waarin het bedrijf lag en het aantal dieren dat werd gehouden de minimale afstand tussen het bedrijf en de omliggende bebouwing werd vastgelegd. De aantallen dieren werden uitgedrukt in mestvarkenseenheden (mve's). Zo leverde één mestvarken een mve op, evenals een mestkalf, 15 legkippen met natte mestopslag, 30 legkippen met droge mestopslag, en 100 mestkuikens. Ook vermeldde de bijlage dat 1,5 fokzeug met één mve gelijkstond.
(3)Bij een fokzeug horen biggen. In de tachtiger jaren werd blijkens het aanvullend proces-verbaal 1996/99/0002 gerekend met een aantal van 3.3 gespeende biggen per fokzeug, die geen zelfstandige mve opleverden. Als die gespeende biggen een gewicht bereikten van 25 kg waren zij gespeende big af en werden zij mestvarkens of opfokvarkens.
(4)Ten tijde van de aanvraag van de hinderwetvergunning 1984 en de behandeling daarvan kon alleen de brochure "Veehouderij en hinderwet" als richtsnoer dienen. De getuige Jeukens, gemeenteambtenaar, heeft blijkens proces-verbaal 1696/98/007 aan verbalisanten medegedeeld dat per fokzeug op aanwijzing van de Minister van Landbouw 3.3 gespeende biggen mochten worden meegeteld. Aparte vermelding van het aantal gespeende biggen in de hinderwetvergunningaanvragen hing volgens de getuige Jeukens samen met het feit dat gespeende biggen niet bij hun moeder verbleven, maar zelfstandige ruimte vroegen. Met deze ruimten moest rekening gehouden worden bij het ontwerpen en bouwen van de dierenverblijven en dus ook in de aanvraag van de hinderwetvergunning. De uitbreiding van het aantal varkens op een bedrijf was volgens art.3 lid 1 Interimwet niet verboden als in die uitbreiding was voorzien door een hinderwetvergunning die voor het indienen van het ontwerp Interimwet was verleend of aangevraagd. Het aantal varkens dat mocht worden gehouden moest dus, als een der uitzonderingen van art.3 lid 1 Interimwet van toepassing was, (mede) berekend worden volgens de criteria die golden voor de toetsing in het kader van de Hinderwet. Voor verdachte gold dus dat per fokvarken 3.3 gespeende biggen van maximaal 25 kg mochten worden gehouden. De hinderwetvergunning 1984 vermeldde ook nog dat verdachte 240 opfokzeugen mocht houden, waaronder zijn te verstaan varkens zwaarder dan 25 kg voor eerste dekking. Terzijde merk ik op dat de aparte vermelding van de opfokzeugen erop duidt dat de 1000 gespeende biggen dus geen mestvarkens of opfokzeugen waren, maar "inclusieve biggen". 4.
- De overwegingen van het hof onder b zijn onbegrijpelijk voor zover zij inhouden dat de uitzonderingssituatie naar het begrippenkader van de Interimwet beoordeeld dient te worden. Alleen de Hinderwet kan als referentie gelden voor het aantal te houden dieren; de hinderwetvergunning moest immers zijn verleend of aangevraagd vóórdat het ontwerp Interimwet was ingediend, wilde er geen verboden uitbreiding zijn, zodat de criteria of omschrijvingen van de Interimwet geen richtsnoer konden vormen bij de behandeling van een hinderwetvergunning. Maar toch is de uitkomst van de overwegingen van het hof juist. Het hof heeft immers geoordeeld dat per fokvarken naast kleinere biggen ook biggen van meer dan 20 kg moesten worden toegerekend. En dat is inderdaad het systeem van de Hinderwet geweest in de tijd dat de vergunning in 1984 werd aangevraagd. Daarom faalt ook het tweede middel.
- Beide middelen falen en ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging behoort te leiden. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 De Interimwet is opgevolgd door de Meststoffenwet 1986, die een systeem introduceerde waarbij niet meer het aantal dieren werd beperkt maar de mestproductie, waarbij overigens de maximale veestapel per bedrijf ingevolge de Interimwet als uitgangspunt gold. 2 Ik wijs er ten overvloede op dat de inhoud van de hinderwetvergunning 1990 geenszins een uitbreiding van de mestproductie in de zin van de Meststoffenwet veroorloofde. De Hinderwet had de strekking gevaar, schade of hinder, door inrichtingen veroorzaakt te voorkomen en aan banden te leggen. De meststoffenwetgeving strekt tot beheersing en reductie van de mestproductie. 3 Artikel 1 van de Interimwet hanteert andere omrekeningscijfers. Eén varkenseenheid staat daarin gelijk aan 1 mestvarken, 1 opfokvarken of aan 0,5 fokvarken. In het oorspronkelijk ontwerp Interimwet ontbraken dergelijke gelijkstellingen. Bij amendement (Kamerstukken II, 1984-1985, 18 695, nr. 5) stelde kamerlid Tazelaar een aanvulling van art.1 voor met vergelijkbare definities als art.1 Interimwet bevat. Zijn voorstel was om onder één varkenseenheid te begrijpen 2 mestvarkens dan wel 1 fokvarken, dan wel 2 opfokvarkens. Kamerlid Van der Linden diende nadien eveneens een amendement op het voorgestelde art.1 in, inhoudende dat één varkenseenheid gelijk zou staan aan 1 mestvarken, dan wel 1 opfokvarken dan wel 1/2 fokvarken (Kamerstukken II, 1984-1985, 18 695, nr. 24). Bij Nota van wijziging (Kamerstukken II, 1984-1985, 18 695, nr. 26) is het wetsvoorstel gewijzigd in de zin zoals door Van der Linden voorgesteld. Het gewijzigde wetsvoorstel is ook wet gewordn. Opvallend verschil met de gelijkstellingen volgens de brochure "Veehouderij en hinderwet" is het verschil in waarde van het fokvarken. De Interimwet gaat uit van een waarde per fokvarken van 2 varkenseen-heden, terwijl de brochure één fokvarken gelijkstelt met 2/3 mestvarkeneenheid. Bij de amendementen noch bij de Nota van wijziging is een toelichting gegeven. Wellicht speelt de verschillende ratio van Hinderwet onderscheidenlijk de Interimwet hier een rol. De eerste wet had de strekking overlast en hinder te beperken en te voorkomen, de tweede wet beoogde de mestproduktie aan banden te leggen. De wetgever heeft wellicht gedacht dat een fokvarken minder hinder dan mest produceert. 4 Op grond van de op 13 juli 1984 (dus na de verlening van de hinderwetvergunning 1984, maar voor de indiening van het ontwerp Interimwet) tot stand gekomen circulaire betreffende de toepassing van de Hinderwet op veehouderijbedrijven werd 1 fokzeug, inclusief biggen tot ± 22 kg, met één mve gelijkgesteld. Biggen zwaarder dan 22 kg leverden per stuk ook één mve op.