Mr Jörg Nr. 03741/00 Zitting 15 januari 2002 Conclusie inzake: [verzoeker = verdachte]
(1)van [verdachte]. Ik ben hierop weggegaan. [slachtoffer] heeft geprobeerd zijn dood af te kopen. [slachtoffer] zei tegen [verdachte] "wat [betrokkene 3] je ook geeft, ik geef je twee keer zoveel". [verdachte] is er niet op ingegaan. Ik wist toen dat [slachtoffer] om het leven gebracht ging worden. De opdracht van [betrokkene 3] was om [slachtoffer] dood te maken."
- Naar mijn mening geven de gecursiveerde zinnen in deze verklaring, mede gelet op de context waarin deze moeten worden geplaatst, slechts de bij de getuige opgekomen gedachte weer bij het waarnemen van de door hem beschreven situatie, in samenhang met zijn herinnering aan het tussen `[betrokkene 3]', verzoeker en deze getuige gevoerde gesprek (vgl. bijvoorbeeld HR 30 oktober 1984, NJ 1985, 320; voor een overzicht van de rechtspraak op dit punt zie Melai c.s., art. 342, aant. 21). Van een ongeoorloofde inbreuk op de rolverdeling in het strafproces, in die zin dat door het opnemen van deze getuigenverklaring als bewijsmiddel een voorschot zou zijn genomen op de aan de rechter voorbehouden bewijsbeslissing, is mijns inziens dan ook geen sprake. Ook het derde middel faalt.
- Het vierde middel betreft de veroordeling ter zake van "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het medeplegen van misdrijven". Het middel betoogt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker in zijn algemeenheid wist dat de betrokken organisatie tot oogmerk had op het plegen van misdrijven c.q. dat die organisatie telkens heroïne binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland beoogde te brengen.
- Het hof heeft bewezenverklaard dat verzoeker: "In de periode van 1 november 1997 tot en met 31 augustus 1998 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en anderen en tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van handelshoeveelheden heroïne, welke deelneming bestond uit het: - organiseren van faciliteiten (zoals opslagruimten) en/of - plegen van (telefonisch) overleg - verrichten van hand- en spandiensten tot de te plegen misdrijven."
- Tot de door het hof gebezigde bewijsmiddelen behoort de volgende verklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 14): "Gezien het feit dat ik van [verdachte] een keer geld had geleend, kregen we een speciale band. We vertrouwden elkaar. Sinds een maand of vier gaan wij goed met elkaar om. Dat is ook de reden dat ik hem bij de groep betrokken heb. Omdat [slachtoffer] mensen binnen de groep bracht, kon ik dit dus ook doen. [verdachte] wist al dat de moord op [slachtoffer] in verband stond met verdovende middelen. Bij het laatste transport heroïne is hij daadwerkelijk betrokken geweest. Wij spraken af dat hij op de uitkijk zou staan als het nodig was en dat hij zou helpen bij het verpakken van de verdovende middelen in de augurkenblikken. Dat heeft hij ook in de loods gedaan." Bewijsmiddel 18 bevestigt deze vorm van betrokkenheid.
- In de hiervoor weergegeven bewezenverklaring ligt besloten dat verzoeker wist van het oogmerk van de organisatie. Dit oordeel heeft het hof kennelijk gegrond op de hierboven aangehaalde verklaring, nu daaruit blijkt dat verzoeker al voordat hij zijn medewerking verleende aan het heroïnetransport wist dat "de groep" zich bezighield met handel in heroïne. Dit oordeel behoefde geen nadere motivering. Dit oordeel ligt overigens geheel in de lijn van HR 18 november 1997, NJ 1998, 225, m.nt. JdH, waarin is beslist dat voor deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat de betrokkene geen wetenschap hoeft te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
- Het vijfde middel betoogt dat de motivering van de opgelegde straf ontoereikend is omdat het hof ter zitting van 29 februari 2000 was verzocht om een psychologisch rapport van verzoeker te laten opmaken, terwijl het hof op dat verzoek niet heeft beslist en evenmin heeft aangegeven waarom het hof psychologische rapportage niet van belang heeft geacht voor het bepalen van de strafmaat.
- Het arrest is gewezen naar aanleiding van de terechtzittingen in eerste aanleg van 9, 11, 17 en 19 augustus en die in hoger beroep van 25 mei, 11 juli en 27 juli
- Uit de processen-verbaal van de zittingen van 27 april 2000 en 25 mei 2000, de twee zittingen die volgden op die van 29 februari 2000, alwaar namens verzoeker dezelfde raadsman is verschenen, blijkt dat het onderzoek aldaar telkens opnieuw is aangevangen, omdat de samenstelling van het hof was gewijzigd. Dit brengt mee dat het verzoek opnieuw had moeten worden gedaan om het hof ertoe te bewegen daarop uitdrukkelijk een beslissing te nemen (vgl. HR 19 januari 1993, NJ 1994, 217, en HR 20 februari 1996, NJ 1996, 424 m.nt. 'tH). De klacht dat de bestreden uitspraak onvoldoende met redenen is omkleed omdat het hof niet op het verzoek is ingegaan, faalt dus. De klacht dat artikel 6 EVRM is geschonden omdat door niet op het verzoek te beslissen aan de verdediging een voorbereidingsmogelijkheid is ontnomen, faalt eveneens. De verdediging heeft immers zichzelf deze mogelijkheid ontnomen door het verzoek niet te herhalen.
- Het zesde middel voert aan dat de door de getuige [medeverdachte] afgelegde verklaring niet volledig in het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 mei 2000 is opgenomen en dat dit moet leiden tot nietigheid van het onderzoek in hoger beroep.
- Ter terechtzitting van 25 mei 2000 is als getuige gehoord de medeverdachte [medeverdachte]. Het proces-verbaal van deze zitting luidt, voor zover hier van belang: "De getuige verklaart zich bereid vragen te beantwoorden maar behoudt zich het recht voor van voornoemd verschoningsrecht gebruik te maken. Vervolgens verklaart de getuige - zakelijk weergegeven, het volgende: `De verklaring die ik vandaag als verdachte in mijn eigen zaak heb afgelegd is de waarheid. Ik blijf bij die verklaring.' De voorzitter deelt mede dat die verklaring als bijlage aan dit proces-verbaal zal worden gehecht en dat de inhoud daarvan als hier ingelast dient te worden beschouwd." De aan het proces-verbaal gehechte bijlage bevat de volgende passage: "De verdachte () verklaart hetgeen als zijn verklaring in het arrest is weergegeven, en voorts nog het volgende: ()"
- Het hier bedoelde arrest is niet als bijlage aan het proces-verbaal gehecht. Naar mijn mening leidt dit, anders dan het middel bepleit, niet tot nietigheid van het onderzoek. De verdediging is immers door deze omissie niet in zijn processuele belang geschaad, nu alle door het hof tot bewijs gebezigde passages uit de verklaring van [medeverdachte] zijn opgenomen in het hiervoor bedoelde proces-verbaal en de daarbij gevoegde bijlage. Ook het zesde middel faalt derhalve.
- De middelen 3-8 lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.
- Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte, die gedetineerd is, is op 21 augustus 2000 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 6 november 2001 voor de eerste keer behandeld. Dit zal ertoe leiden dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep en derhalve tot overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Dit moet leiden tot strafvermindering (vgl. HR 27-11-2001, 03458/00). Andere gronden waarop Uw Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verbetering van het bestreden arrest op het punt van de bewezenverklaring van feit 1 en tot partiële vernietiging van de bestreden uitspraak, namelijk ten aanzien van de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast acht, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Een onjuist gebruik of gebrekkige formulering van een pregnante zegswijze is veelal hilarisch. Zo is ook eens als `keurige' versie van pakkie-an gesignaleerd: jasje aan.