Nr. 00582/01 Zitting: 22 januari 2002 Mr. Jörg Conclusie inzake: [verzoeker]
(22)opgenomen de verklaring van verdachte [medeverdachte 2], waarin deze verklaart: "[medeverdachte 3] ([medeverdachte 3], NJ) moest van [medeverdachte 1] meedoen aan deze inbraak, omdat [medeverdachte 3] een verklaring had van een psychiater uit Duitsland, dat [medeverdachte 3] geestelijk niet in orde was. Dit was het idee van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]. Ik had dit al bij eerdere besprekingen gehoord en ook op de 2e september
- Ik hoorde dat [medeverdachte 4] zei, dat als er in het huis geschoten moest worden, [medeverdachte 3] dat moest doen. [medeverdachte 3] moest dat doen omdat hij in het bezit was van een rapport van een psychiater en daardoor een kortere straf zou krijgen. [medeverdachte 3] zou niet alleen een pistool, maar als dat nodig zou zijn ook een mes moeten gebruiken."
- Uit deze verklaring van de getuige blijkt dat de mededaders ermee rekening hielden dat er geweld gepleegd zou moeten worden. Ook hadden zij reeds afgesproken wie (en waarom juist deze persoon!) dat geweld dan zou toepassen, en waaruit dat geweld dan zou bestaan: vuurwapengeweld en/of een steekpartij. Daaruit volgt dat zij bewust rekening hielden met de aanmerkelijke kans dat er geweld gepleegd zou moeten worden: er was derhalve voorwaardelijke opzet op het gebruik van geweld. Dat verzoeker en zijn mededaders uiteindelijk ontevreden waren over het gepleegde geweld doet niet ter zake.
- De twee als bewijsmiddel opgenomen verklaringen zijn overigens redengevend voor het feit dat één van de andere verdachten het slachtoffer heeft neergeschoten.
- Het middel deelt het lot van de vorige.
- De middelen falen en kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,