Nr. 00587/01 Mr Jörg Zitting: 22 januari 2002 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte 1]
(22)opgenomen de verklaring van verdachte [verdachte 2], waarin deze verklaart: "[betrokkene A] ([...], NJ) moest van [verdachte 1] meedoen aan deze inbraak, omdat [betrokkene A] een verklaring had van een psychiater uit Duitsland, dat [betrokkene A] geestelijk niet in orde was. Dit was het idee van [verdachte 1] en [betrokkene B]. Ik had dit al bij eerdere besprekingen gehoord en ook op de 2e september
- Ik hoorde dat [betrokkene B] zei, dat als er in het huis geschoten moest worden, [betrokkene A] dat moest doen. [Betrokkene A] moest dat doen omdat hij in het bezit was van een rapport van een psychiater en daardoor een kortere straf zou krijgen. [Betrokkene A] zou niet alleen een pistool, maar als dat nodig zou zijn ook een mes moeten gebruiken."
- Uit deze verklaring van de getuige blijkt dat de mededaders ermee rekening hielden dat er geweld gepleegd zou moeten worden. Ook hadden zij reeds afgesproken wie (en waarom juist deze persoon!) dat geweld dan zou toepassen, en waaruit dat geweld dan zou bestaan: vuurwapengeweld en/of een steekpartij. Daaruit volgt dat zij bewust rekening hielden met de aanmerkelijke kans dat er geweld gepleegd zou moeten worden: er was derhalve voorwaardelijke opzet op het gebruik van geweld. Dat verzoeker en zijn mededaders uiteindelijk ontevreden waren over het gepleegde geweld doet niet ter zake.
- De twee als bewijsmiddel opgenomen verklaringen zijn overigens redengevend voor het feit dat één van de andere verdachten het slachtoffer heeft neergeschoten.
- Het middel deelt het lot van de vorige.
- Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte voor het bewijs gebezigd heeft het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 23 juni 2000 waarin opgenomen zou zijn de verklaring van de getuige [verdachte 1], aangezien deze verklaring niet is opgenomen in het bedoelde proces-verbaal.
- In het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 juni 2000 in de zaak tegen verzoeker is de bewuste verklaring inderdaad niet opgenomen. Dossieronderzoek in de zaken van de andere verdachten die tezelfdertijd terechtstonden in hun - niet gevoegde - zaken heeft mij laten zien dat verzoeker op 23 juni 2000 als getuige is gehoord in de zaak tegen deze andere verdachten. In de processen-verbaal die opgemaakt zijn in die zaken is de verklaring van verzoeker, zoals weergegeven als bewijsmiddel 16, wel opgenomen, nl. op de pagina's 57 e.v.
- Nu verdachte in die andere zaken als getuige is gehoord, kan niet zonder meer het daarvan opgemaakte proces-verbaal tot bewijs in de onderhavige strafzaak dienen. Daarvoor is op zijn minst nodig dat op initiatief van de advocaat-generaal het in die andere zaken opgemaakte proces-verbaal aan het dossier van verzoeker wordt toegevoegd, waarna dit proces-verbaal behoort tot de stukken die aan verzoeker behoren te worden voorgehouden. Het zou anders zijn indien verzoeker als verdachte in zijn eigen zaak, en tegelijkertijd als getuige in de zaak tegen de anderen is gehoord. Zulks is blijkens bovengenoemd proces-verbaal omtrent het verhandelde ter zitting van het hof van 23 juni 2000 in verzoekers zaak, en blijkens de processen-verbaal betreffende andere verdachten niet het geval.
- De klacht is dus gegrond. Tot cassatie behoeft dit mijns inziens niet te leiden. De tot bewijs gebezigde verklaring draagt in essentie in het geheel niet bij aan het bewijs van het tenlastegelegde, maar bevestigt welke daders bij de overval betrokken waren, doordat de verklaring details bevat omtrent aan andere verdachten overkomen autopech en transactieweigering van een betaalpas. Wat de verklaring `bewijst' kan onder andere ook worden afgeleid uit bewijsmiddel 11 (de verklaring van verdachte [verdachte 2]), bewijsmiddel 14 (de verklaring van verdachte [verdachte 3]) en bewijsmiddel 17 (de verklaring van de tankhouder). Ik stel Uw Raad dan ook voor het desbetreffgende bewijsmiddel te schrappen, waarna de grondslag aan het middel komt te ontvallen, zodat het middel faalt.
- Alle middelen falen en lenen zich met uitzondering van het vijfde middel voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG