Nr. 01593/01 Mr Fokkens Zitting: 29 januari 2002 Conclusie inzake: [Verdachte]
(3). Ter terechtzitting van 23 juni 2000 is het onderzoek geschorst tot 18 september 2000 uitsluitend op grond van de omstandigheid dat het zittingsrooster een behandeling in dezelfde samenstelling op een eerdere datum niet toeliet. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2000 heeft de raadsman medegedeeld dat hij - in tegenstelling tot zijn eerdere mededeling daaromtrent - op de geplande terechtzitting van 17 november 2000 verhinderd was. Op laatstgenoemde datum heeft daarom een pro forma zitting plaatsgevonden, waarna de zaak is aangehouden tot 5 januari 2001 met als uitdrukkelijke reden dat het zittingsrooster van het Hof een behandeling van de zaak in dezelfde samenstelling op een eerdere datum niet mogelijk maakte. In alle andere gevallen is het onderzoek slechts beperkte tijd aangehouden of waren er (mede) andere redenen in het spel die het Hof ertoe noopte de zaak langere tijd - maar nooit langer dan drie maanden - aan te houden. Het zittingsrooster is derhalve uitsluitend in de periode van het zomerreces en in de periode waarin het Kerstreces viel, aangevoerd als enige reden voor aanhouding van de behandeling. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat het overgrote deel van de aanhoudingen te wijten is aan het zittingsrooster van het Hof, zodat het middel ook in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt.
- Dat art. 6 EVRM in het geding zou zijn doordat de behandeling van de zaak éénmaal voor 85 dagen is aangehouden en éénmaal voor 49 dagen omdat het zittingsrooster een eerdere behandeling in dezelfde samenstelling niet mogelijk maakte, vermag ik niet in te zien. Ook niet in het licht van de omstandigheid dat met de behandeling van de zaak veel tijd gemoeid is geweest, hetgeen - naar het Hof heeft vastgesteld - voor het overgrote deel veroorzaakt is door de complexiteit en de ernst van de zaak, het nadere onderzoek dat nodig was in verband met de door de verdediging geuite ernstige beschuldigingen jegens het opsporingsapparaat en de vele verzoeken die de verdediging verder heeft gedaan (vgl. HR 25 maart 1997, NJ 1998, 38; HR 27 januari 1998, NJ 1998, 813 m.nt Kn en HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH). Ik wijs er daarbij nog op dat de verdediging zich gedurende de behandeling van de zaak ook nooit heeft verzet tegen de aanhoudingen en de termijnen waarvoor dit geschiedde.
- Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld
- Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat het beroep zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 01606/01 waarin ik heden eveneens concludeer. 2 In de op één na laatste regel van het citaat staat abusievelijk "gezoegd" in plaats van "gezegd". 3 Hier volgt een volledig overzicht van de zittingsdata in hoger beroep: 29-9-98, 24-11-98, tussenarrest: 8-12-99, 29-1-99, 9-4-99, 15-6-99, 13-8-99, 21-9-99, 19-11-99, tussenarrest: 3-12-00, 1-2-00, tussenarrest: 15-2-00, 28-4-00, 2-5-00, 9-5-00, 11-5-00, 23-6-00 (er is tevens een tussenarrest gewezen op die datum) , 18-9-00, 19-9-00, 22-9-00, 17-11-00 (er is tevens een tussenarrest gewezen op die datum), 5-1-00, tussenarrest: 22-1-00, 29-1-00 en arrest: 9-2-01.