Mr. Fokkens Nr. 3082/00 Zitting 29 januari 2002 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1), met andere woorden van een doelbewuste inbreuk op rechten van verdachte geen sprake was, geeft het oordeel van het Hof dat strafvermindering hier in aanmerking komt geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
- Het voorgaande betekent dat de eerste vier middelen falen, waarbij ik volledigheidshalve opmerk dat - zoals ook volgt uit de bij nr. 11 geplaatste noot 1 -het Hof kon oordelen dat er tegen verdachte ten tijde van de aanhouding een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Wet wapens en munitie bestond.
- Het vijfde middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. De klacht betreft de strafmotivering. De toelichting op het middel bevat ten eerste de klacht dat het hof ten onrechte zou hebben volstaan met de standaardformule. Ten tweede bevat de toelichting op het middel de klacht dat de motivering van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf onbegrijpelijk is.
- Voor de beoordeling van beide klachten is van belang dat het hof de opgelegde straf als volgt heeft gemotiveerd: Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van () hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gesteld wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijk (lees: ter zake van een soortgelijk) strafbaar feit is veroordeeld. Met oplegging van een [gedeeltelijk] voorwaardelijke straf wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De verdachte heeft een aanbod gedaan tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, voor het geval het hof voornemens zou zijn een geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. Dit aanbod moet worden verworpen omdat het hof een vrijheidsstraf beter geschikt acht om de verdachte de onjuistheid van zijn handelwijze te doen inzien dan de straf van onbetaalde arbeid.
- Hieruit volgt dat de eerste klacht feitelijke grondslag mist.
- Ook de tweede klacht is ongegrond. Het hof heeft aangegeven waarom het - gelet op art. 359a lid 1 sub a Sv - geen drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt maar drie maanden gevangenisstraf waarvan één maand voorwaardelijk. Daarenboven heeft het hof in een nadere motivering van het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf nog een naastgelegen doel genoemd. De reden voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is primair gelegen in het geconstateerde vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, terwijl met de modaliteit van de lagere straf nog een ander doel wordt gediend. Dat laatste is niet onbegrijpelijk.
- Ik concludeer dat het beroep wordt verworpen De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Verdachte zat samen met degene bij wie eerst een patroonhouder met 6 patronen en vervolgens een pistool met patronenhouder werden aangetroffen en over de achtergronden van dat vuurwapenbezit was op dat moment nog niets bekend. Er moest dus op zijn minst ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat niet alleen de eerste verdachte, maar beide personen betrokken waren bij criminele activiteiten van een zodanige aard dat daarbij het dragen van een geladen pistool geboden was. Dat lijkt mij voldoende voor de ernstige bezwaren tegen de verdachte die de verbalisanten aanwezig achtten.