Nr. 01161/01 Mr Fokkens Zitting: 5 maart 2002 Conclusie inzake: [Verdachte]
- Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam ter zake van - kort gezegd - rijden onder invloed veroordeeld tot een geldboete van fl. 1350,- subsidiair 27 dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
- Tegen deze uitspraak heeft de verdachte cassatieberoep doen instellen.
- Namens de verdachte heeft mr J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.
- Het middel klaagt erover dat het Hof het verweer dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
- Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman van verdachte heeft namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, daar het openbaar ministerie in strijd met de Richtlijn voor Strafvordering rijden onder invloed art. 8 lid 2, 162 en 1673 VWV 1994 (nummer 1999R031) heeft gehandeld, nu het openbaar ministerie aan de verdachte geen transactievoorstel heeft aangeboden. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat het openbaar ministerie de beleidsvrijheid heeft om in een zaak als deze - waarbij het openbaar ministerie er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat er, mede door toedoen van de verdachte, een ongeval had plaatsgevonden - hetzij een transactie aan te bieden, hetzij tot vervolging over te gaan. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waarom zulks in het onderhavige geval anders zou zijn."
- Sinds 1 april 1999 is een nieuw stelsel van richtlijnen voor strafvordering in gebruik genomen. Per basisdelict is een richtlijn opgesteld waarin een aantal beoordelingsfactoren zijn geformuleerd op basis waarvan een bepaald aantal punten aan het delict wordt toegekend. In het Kader voor Strafvordering (Stcrt. 1999, 62), een overkoepelende richtlijn, wordt vervolgens beschreven hoe de per basisdelict opgestelde richtlijnen dienen te worden toegepast. Het puntentotaal dat op basis van de betreffende richtlijn aan het delict wordt toegekend is in beginsel bepalend voor de strafmaat en modaliteit. Het Kader voor Strafvordering houdt omtrent het bepalen van de modaliteit - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - in: "De transactiegrens Het maximum aantal sanctiepunten ten gevolg van commune en verkeersdelicten waarbij een transactie kan worden aangeboden is bepaald op
- Deze grens wordt de transactiegrens genoemd. (...) Overige indicaties voor de modaliteit Binnen sommige beoordelingsfactoren wordt bij bepaalde antwoorden aangegeven dat het feit aan de rechter voorgelegd moet worden. (..) In geval een dagvaarding wordt geïndiceerd doet zich een aantal mogelijkheden voor: A. Dagvaarden als gevolg van de omstandigheden van het delict en/of de persoon van de dader. In dit geval wordt gedagvaard om van ten minste één van de volgende redenen: - Het overschrijden van de transactiegrens. - Een indicatie die aangeeft dat het basisdelict altijd tot dagvaarden leidt. - Een indicatie die aangeeft dat bij een bepaald antwoord op een bepaalde beoordelingsfactor altijd wordt gedagvaard. (...)."
- Hieruit volgt dat ook indien het aantal punten beneden de transactiegrens ligt, het kan voorkomen dat in de voor het betreffende basisdelict geldende richtlijn is aangegeven dat op basis van een delictspecifieke factor toch gedagvaard moet worden.
- De ten aanzien van het basisdelict "besturen van een motorvoertuig op twee of meer wielen met een AAG(-equivalent) van 235 µg of meer" geldende richtlijn
(1)luidt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang: "Strafverzwarende omstandigheden i.v.m. WVW 1994-8 (...) - (mede)schuldig aan verkeersongeval waarbij aan (een) ander(en) meer dan geringe materiële schade en/of andere dan geringe blessures is toegebracht en géén strafvervolging ex art. 6 WVW 1994 wordt ingesteld + 10% + dagvaarden."
- Vooropgesteld moet worden dat het Kader voor Strafvordering en de hiervoor onder 8 bedoelde richtlijn moeten worden beschouwd als recht in de zin van art. 99 RO (vgl. HR 19 juni 1990, NJ 1991, 119 m.nt. ThWvV en MS en HR 13 januari 1998, NJ 1998, 407).
- Het zich bij de stukken van het geding bevindende in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie met het nummer PL1400/99-003277, waarvan de korte inhoud ter terechtzitting in hoger beroep is medegedeeld, houdt onder meer in dat de verdachte met zijn auto op de vluchtstrook reed en teneinde een op die vluchtstrook stilstaande auto te ontwijken de meest rechter rijstrook is opgereden op het moment dat [betrokkene] met zijn voertuig op die rijstrook reed. Er heeft vervolgens een botsing tussen beide voertuigen plaatsgevonden en beide auto's zijn rondom beschadigd.
- Hieruit volgt dat zich de hiervoor onder 8 bedoelde strafverzwarende omstandigheid heeft voorgedaan, zodat het Openbaar Ministerie kon besluiten tot dagvaarding van de verdachte over te gaan. Voor de stelling dat voor de uitleg van het in de richtlijn gebezigde begrip "(mede)schuldig" aansluiting moet worden gezocht bij het culpabegrip zoals neergelegd in art. 6 WVW 1994, is geen steun te vinden in het recht.
(2)Uit het feit dat de hiervoor onder 8 genoemde strafverzwarende omstandigheid niet meetelt bij de berekening van het puntentotaal indien strafvervolging ter zake van art. 6 WVW 1994 is ingesteld, kan worden afgeleid dat aan het begrip "medeschuld" niet dezelfde invulling dient te worden gegeven als aan het culpabegrip in art. 6 WVW
- Het zou overigens ook te ver voeren indien het Openbaar Ministerie in het kader van de vraag of al dan niet een transactie dient te worden aangeboden, zich moet verdiepen in de vraag of aanmerkelijk onvoorzichtig gereden is. Een redelijke uitleg van de richtlijn brengt mee dat indien op basis van de ten tijde van de vervolgingsbeslissing aan de Officier van Justitie ter beschikking staande gegevens redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat het (mede) aan het rijgedrag van de verdachte te wijten is dat een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij meer dan geringe schade en/of andere dan geringe blessures zijn toegebracht, tot dagvaarding van de verdachte kan worden overgegaan.
- Het Hof heeft het Openbaar Ministerie derhalve terecht ontvankelijk geoordeeld in zijn vervolging van de verdachte, terwijl het voorts niet gehouden was zijn oordeel van een nadere dan de gegeven motivering te voorzien. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
- Ik heb overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat het beroep zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 De Richtlijn Rijden onder invloed, artikel 8 lid 2, artikel 162 en artikel 163 WVW 1994 (Stcrt. 1999, 117). 2 Overigens biedt hetgeen in het proces-verbaal van politie is gerelateerd voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verzoeker aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden.