ECLI:NL:PHR:2002:AE0657
Mr. A.S. Hartkamp nr. C00/290HR zitting 22 maart 2002 Conclusie inzake Geldnet B.V. tegen Kwantum Nederland B.V.
Feiten en procesverloop
De rechtbank heeft in haar vonnis van 12 maart 1997 de toepasselijkheid van art. 6:76 in het midden gelaten(1), het beroep van Geldnet op overmacht verworpen en Geldnet aansprakelijk geoordeeld voor de tekortkoming in de nakoming van de verbintenis. De rechtbank heeft het beroep van Geldnet op beperking van haar aansprakelijkheid tot een bedrag van ƒ 11,72 gegrond geoordeeld.
In het licht hiervan moet [betrokkene] worden aangemerkt als hulppersoon van Geldnet in de hiervoor bedoelde zin. [Betrokkene] was immers ten tijde van de overval in dienst van Geldnet (het hof verwerpt de stelling dat hier niet van een normaal dienstverband sprake zou zijn of dat de arbeidsovereenkomst niet geldig zou zijn) en was de avond van de overval voor Geldnet als geldtransporteur werkzaam en had uit dien hoofde toegang tot het depot (hij had die avond, samen met een collega, met een geldauto van Geldnet geldzendingen opgehaald; deze geldzendingen moesten vervolgens in het depot in Duiven worden opgeslagen)."
Na deze beslissing heeft het hof de - eveneens in het incidentele appel bestreden - juistheid van de door de rechtbank aan de art. 8:1098 BW gegeven uitleg in het midden gelaten.
Bespreking van het cassatiemiddel
Volgens art. 6:76 is de schuldenaar op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van personen van wier hulp hij bij de uitvoering der verbintenis gebruik maakt. In deze bepaling zijn twee beperkingen gelegen, namelijk ten aanzien van de kring van personen voor wier handelingen men aansprakelijk is en ten aanzien van de gedragingen van bedoelde personen.
Voorts blijkt uit die passage dat niet iedere persoon die invloed heeft op de uitvoering van de verbintenis heeft te gelden als iemand die is ingeschakeld bij de uitvoering van de verbintenis, hetgeen wordt uitgelegd aan de hand van een werkstaking: "Artikel 3 (6:76, ASH) zal in geval van een werkstaking slechts van belang zijn, wanneer het gaat om een staking van personen van wier hulp de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis gebruik maakt. Dit zal zich vooral kunnen voordoen, wanneer de staking plaatsvindt in het bedrijf van de schuldenaar. Men denke aan het geval dat een werknemer een hem met het oog op de uitvoering van een verbintenis opgedragen taak in verband met de staking niet naar behoren voltooit. De schuldenaar zal dan voor deze tekortkoming aansprakelijk zijn als voor een eigen tekortkoming. In de regel echter zal het geval van verhindering van nakoming door een werkstaking niet aan de hand van artikel 3 (art. 6:76, ASH), maar aan die van de algemene maatstaf van artikel 2 (art. 6:75, ASH) beoordeeld moeten worden."
In deze passage wordt benadrukt dat art. 6:76 slechts aansprakelijkheid in het leven roept voor personen aan wie een taak is opgedragen met het oog op de uitvoering van de verbintenis. Aldus wordt onderscheiden tussen werknemers die door de werkgever zijn ingeschakeld bij de uitvoering van de verbintenis, voor wier gedragingen hij krachtens art. 6:76 aansprakelijk is, en andere werknemers in het bedrijf, voor wie geen aansprakelijkheid bestaat.
M.i. verhoudt het door het hof geformuleerde criterium ("... dat als zodanige personen niet enkel hebben te gelden personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de bewaring van de opgehaalde zendingen - te denken valt aan eventueel bewakingspersoneel -, maar ook personen die uit hoofde van hun functie bij Geldnet toegang hebben tot het depot en wier gedragingen vervolgens van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid van Geldnet de aan haar toevertrouwde zaken uiteindelijk verder te vervoeren") zich daarmee niet; ook de in de parlementaire geschiedenis bedoelde stakende werknemers op wier gedragingen de regeling van art. 6:76 niet ziet, zouden in die categorie vallen. Voorts zou de door het Hof gebezigde maatstaf aansprakelijkheid meebrengen voor bijv. een brandstichting gepleegd door personen die door Geldnet worden ingeschakeld om het depot schoon te maken. Van personen van wier hulp gebruik wordt gemaakt om de verbintenis uit te voeren kan hier niet meer worden gesproken.(4) Beslissend is m.i. dat [betrokkene] door Geldnet noch was ingeschakeld bij de onder 1 bedoelde geldtransporten noch bij de bewaring van die zendingen.
Hetzelfde geldt voor de literatuur; zie Schoordijk, Het algemeen gedeelte (1979), p. 203 e.v., Pauwels, Contractuele aansprakelijkheid voor hulppersonen of uitvoeringsagenten (diss. Leuven 1995), p. 114 e.v., 261 e.v. (met rechtsvergelijkende beschouwingen), Asser-Hartkamp I (2000), nr. 325 e.v.; Losbl. Verbintenissenrecht, art. 76 (Broekema-Engelen), nrs. 7 en 12.
De klacht onder c mist feitelijke grondslag, omdat 's hofs beslissing niet op art. 6:170 is gebaseerd.
De klacht onder d is gegrond: na vernietiging van 's hofs arrest zal de juistheid van de door de rechtbank aan art. 8:1098 BW gegeven uitleg (zie hierboven onder 3 in fine) alsnog moeten worden onderzocht, waartoe de zaak m.i. naar de feitenrechter moet worden verwezen.
Onderdeel 2, dat is voorgesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 faalt, behoeft geen behandeling. Het mist overigens naar mijn mening feitelijke grondslag, omdat het hof de in het onderdeel bedoelde stelling van Kwantum niet heeft verworpen, doch de juistheid ervan in het midden heeft gelaten.
Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Wel heeft de rechtbank overwogen dat "Geldnet goede argumenten heeft aangedragen om te concluderen dat [betrokkene] op het moment van de overval niet als hulppersoon in de zin van art. 6:76 BW van Geldnet kan worden aangemerkt, nu niet valt in te zien dat de gedragingen van [betrokkene] bij die overval ter uitvoering van de vervoerovereenkomst strekken (...)"(r.o. 8.1).
2 Waaraan niet afdoet dat in de cassatiedagvaarding de datum van het bestreden arrest onjuist wordt vermeld.
3 Parl. Gesch. Boek 6, MvA II, p. 269.
4 Vgl. Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts, Band I, Allgemeiner Teil (14e druk 1987), par. 20 VIII (p. 299): "Erfüllungsgehilfe ist, wer von dem Schuldner zu einer Tätigkeit herangezogen wird, die im Bereich der dem Schuldner obliegenden Leistungshandlung liegt."
5 In HR 30 november 2001, C00/023 en C00/024 wordt gesproken van fouten van (werknemers van) de hulppersoon, gepleegd bij de uitvoering van werkzaamheden die noodzakelijk althans gewenst waren om de hoofdverplichting van de schuldenaar jegens de schuldeiser na te komen.