← Nederland

ECLI:NL:PHR:2002:AE1162

Nr. 01662/99 Mr Fokkens Zitting: 5 februari 2002 Nadere conclusie inzake: [Verdachte]

  1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. Bij arrest van 22 mei 2001 heeft de Hoge Raad het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen.
  2. In zijn arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat door of namens de verdachte geen middelen van cassatie zijn voorgesteld. Tengevolge van een vergissing op de strafadministratie van de Hoge Raad is onopgemerkt gebleven dat mr P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage, zich in cassatie tijdig als raadsman had gesteld. Door dit verzuim is de raadsman niet in de gelegenheid gesteld om middelen van cassatie in te dienen. Nadat de Hoge Raad voornoemd arrest heeft gewezen, is deze betreurenswaardige vergissing aan het licht gekomen en is mr Hoogendam alsnog een termijn gesteld waarbinnen hij een cassatieschriftuur kan indienen. De raadsman heeft binnen deze termijn twee middelen van cassatie voorgesteld.
  3. Doordat de raadsman van de verdachte in eerste instantie niet in de gelegenheid is gesteld om middelen van cassatie voor te stellen, kan niet worden gezegd dat de verdachte in cassatie een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gehad, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Gelet op de ernstige gevolgen van vorenbedoelde administratieve tekortkoming en in aanmerking genomen dat er ingevolge het Wetboek van Strafvordering geen hogere voorziening openstaat tegen een arrest van de Hoge Raad, komt het mij geraden voor dat de uitspraak van 22 mei 2001 wordt aangevuld met een beoordeling van de voorgestelde middelen en dat die uitspraak zonodig wordt hersteld (vgl. HR 30 oktober 2001, griffienummer 0140/00 II).
  4. Het eerste middel klaagt erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat het bedrag van fl. 322,- met behulp van een valse sleutel, te weten de geprepareerde rijksdaalder, is weggenomen.
  5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 08 november 1996 te Varsseveld, gemeente Wisch, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een gokkast heeft weggenomen een bedrag van ongeveer f 322,= toebehorende aan een ander dan verdachte of zijn mededader, zulks de weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht door met een, met een stukje plakband aan een touwtje bevestigde, rijksdaalder, bedoelde gokkast te bedienen."
  6. Alvorens op het middel in te gaan, zou ik de Hoge Raad willen voorstellen de bewezenverklaring verbeterd te lezen in die zin dat in plaats van "zulks de weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht" wordt gelezen "door de weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen".
  7. Het middel klaagt er terecht over dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het bedrag van ongeveer fl. 322,- door middel van de geprepareerde rijksdaalder uit de gokkast is gehaald, aangezien bewijsmiddel 5, inhoudende dat de verdachte en zijn mededader zelf fl. 41,- in de gokkast hebben gegooid, de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openlaat dat het bedrag van fl. 322,- (deels) is geïncasseerd naar aanleiding van de legaal ingeworpen fl. 41,- en dus niet naar aanleiding van het gebruik van de geprepareerde rijksdaalder. Bovendien blijkt uit de bewijsvoering niet wat is bedoeld met het type munt-inworp zoals omschreven in het proces-verbaal.
  8. Dat betekent dat het middel gegrond is en de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Ik merk nog op dat er voor de Hoge Raad bij gebreke aan een middel dat klaagde over de bewijsvoering geen reden was om gebruik te maken van zijn bevoegdheid de uitspraak ambtshalve te vernietigen, aangezien uit de bewijsvoering gelezen in samenhang met de onderliggende stukken kon worden afgeleid dat de verdachten zich aan het subsidiair tenlastegelegde - een hoeveelheid geld door middel van een valse sleutel - hebben schuldig gemaakt.
  9. Gelet op de gegrondheid van het eerste middel volsta ik ten aanzien van het tweede middel, dat uit de omstandigheid dat beide verdachten zich bij de gokkast ophielden en verdachte wist dat zijn mededader beschikte over een geprepareerde rijksdaalder, het handelen in vereniging kon worden afgeleid.
  10. Deze nadere conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zijn eerdere arrest van 22 mei 2001 zal herroepen, het arrest van het Hof alsnog zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.