ECLI:NL:PHR:2002:AE1548
Nr. R00/169HR Mr Huydecoper Zitting van 12 april 2002 Conclusie inzake De Ambtenaar van de burgerlijke stand van Aruba verzoeker in cassatie tegen [Verweerster] verweerster in cassatie (niet verschenen) Feiten en procesverloop 1. De verzoeker in cassatie (de Ambtenaar) heeft geweigerd de door verweerster in cassatie ([verweerster]) overgelegde afschriften van de geboorteaktes van de in Colombia geboren minderjarigen [kind 1] (geboren 17 augustus 1984) en [kind 2] (geboren 17 mei 1989) als echt aan te nemen.
De gedingstukken maken niet ontwijfelbaar duidelijk in welk verband de Ambtenaar dat heeft gedaan. In de eerste aanleg ging het, naar althans het inleidend verzoekschrift (5e t/m 10e alinea's) suggereert, om erkenning van de geboorteaktes in verband met een aan de Ambtenaar gedaan verzoek om van de erkenning - in de zin van art. 329 van het BW van Aruba(1) - van de betreffende kinderen door de echtgenoot van [verweerster], de daartoe in dat wetsartikel bedoelde akte op te maken(2).
In appel werd echter, naar uit de in cassatie bestreden beslissing van het Gemeenschappelijk Hof (hierna gemakshalve te noemen: het Hof) blijkt, weliswaar opnieuw verwezen naar de bedoeling van de echtgenoot van [verweerster] om de kinderen te erkennen (appelrekest, 7e alinea), maar toch inhoudelijk iets anders verzocht: "genoegzaamverklaring" van de "overgelegde stukken" (daarmee moeten bedoeld zijn: de (kopie) geboorteaktes van de kinderen), en inschrijving van de kinderen als kinderen van [verweerster] - naar in de rede ligt: in de registers van de Burgerlijke Stand. De processtukken noemen met geen woord de mogelijkheid, dat het inhoudelijk (alleen) zou gaan om inschrijving van de gegevens met betrekking tot de kinderen in het bevolkingsregister, zodat ik moet aannemen dat dát niet aan de orde was. Dat laatste was wel het geval in de zaak die het Hof op 18 januari 2000, NJ 2000, 403 beoordeelde (naar deze beslissing verwijst het Hof in de thans in cassatie bestreden uitspraak). Die zaak betrof dus volgens mij een ander probleem, dan het probleem dat in deze zaak speelt.
In appel - waarin dus, zoals zo-even al aangestipt, zo te zien iets relevant anders werd verzocht dan in de eerste aanleg was gedaan - heeft de Ambtenaar geen verweer gevoerd. Het Hof heeft ambtshalve onderzocht of [verweerster] in haar onderhavige verzoek ontvangen kon worden, en heeft beslist dat dat niet het geval was. Volgens het Hof betreft het hier namelijk een beslissing waarvoor de rechtsbescherming via de bestuursrechtelijke rechtsgang is voorgeschreven. Daarom moet een bij de burgerlijke rechter aangewend rechtsmiddel als niet-ontvankelijk worden aangemerkt.
Het Hof oordeelde tevens dat er termen waren om de proceskosten te compenseren.
Ontvankelijkheid van het cassatieverzoek 4. Er zijn drie redenen om dit onderwerp aan de orde te stellen. De eerste daarvan is, dat het Hof de Ambtenaar in materieel opzicht (nagenoeg geheel) in het gelijk heeft gesteld, zodat de vraag onder ogen moet worden gezien of deze staat kan maken op het voor de ontvankelijkheid van (ook) een cassatieberoep vereiste belang.
Daarover kan men aarzelen. De Hoge Raad heeft bij herhaling geoordeeld dat procespartijen die in materieel opzicht door de lagere rechter in het gelijk zijn gesteld als regel geen rechtens te honoreren belang bij (appel of) cassatieberoep hebben; en dat met name een "principieel" of "emotioneel" belang bij een beslissing over de in cassatie aan de orde gestelde vragen daarvoor niet genoeg is(3).
In dit geval lijkt het de Ambtenaar vooral te gaan om het uitlokken van een precedent dat - naar mij overigens alleszins aannemelijk lijkt - voor de rechtspraktijk op Aruba van belang kan zijn. Dat is echter in de zojuist aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad niet aanvaard als een belang dat voldoende is om de betreffende procespartij in zijn vordering of rechtsmiddel ontvankelijk te doen zijn.
Dat de burgerlijke rechter niet een autoriteit is van wie algemene beantwoording van algemene vragen, hoe relevant ook, kan worden verlangd, is onlangs indringend onderzocht in HR 21 december 2001, RvdW 2002, 8 (de "kernwapens"-beslissing; zie bijvoorbeeld rov. 3.3 onder D, rov. 3.5.1 en rov. 3.7.1). De bedenkingen die uit die beslissing tegen (de mogelijkheid van) een te algemeen beroep op de burgerlijke rechter blijken, zijn ook voor een zaak als de onderhavige relevant. Als men zonder rechtstreeks verband met een concreet rechtsbelang vragen ter beantwoording aan de burgerlijke rechter zou kunnen voorleggen, zou dat zowel de positie van de rechter(5) in het staatsbestel alsook de mogelijkheden die de rechter heeft voor het ten gronde onderzoeken van alle voor het betreffende (maatschappelijke) probleem relevante feiten en argumenten, miskennen en buiten de juiste proporties trekken. Er moet in dat opzicht een grens getrokken worden - en er is veel voor te zeggen om die daar te trekken, waar de rechtspraak van de Hoge Raad hem thans getrokken heeft.
Men kan dit betoog van de Ambtenaar volgens mij (ook) zo begrijpen, dat (althans mede wordt aangevoerd dat) ten rechte het Hof [verweerster] niet niet-ontvankelijk had behoren te verklaren, maar haar verzoek had dienen af te wijzen op de door de Ambtenaar in de eerste aanleg aangevoerde (en door het GEA aanvaarde) gronden. Bij die uitkomst - zo begrijp ik de Ambtenaar - had een proceskostenveroordeling ten laste van [verweerster] in de rede gelegen; en dat levert (nog juist) voldoende belang bij het beroep in cassatie op.
Inderdaad is in de rechtspraak van de Hoge Raad het enkele belang bij een kostenveroordeling (of bij het ongedaan maken daarvan) als voldoende belang voor het handhaven van een vordering of een rechtsmiddel aanvaard(6). De eerder aangehaalde rechtspraak over het belangenvereiste laat dan ook (een aanzienlijk aantal) gevallen zien waarin óók een relevant belang bij proceskosten ontbrak, omdat de wederpartij van aanspraken op kosten had afgezien, en de voor rekening van de betrokkene komende kosten had vergoed (of had aangeboden die te vergoeden).
De onderhavige procedure, hoewel in Rv. van Aruba als een bijzondere verzoekschriftprocedure geregeld, moet blijkens art. 714 van dat wetboek als gewone vordering worden behandeld. Het ligt dan in de rede ook art. 60 Rv. van Aruba daarop toe te passen, dat voorschrijft dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten zal worden veroordeeld(7).
Óf de Ambtenaar werkelijk aanspraak kan maken op proceskosten is met dat al bepaald onzeker - zie ook alinea 15 hierna. Het is echter denkbaar dat ZEA die aanspraak heeft. Daarom mondt mijn aarzeling er per saldo in uit, dat de Ambtenaar nog juist het minimum aan belang "meebrengt" dat nodig is om zijn cassatieverzoek ontvankelijk te doen zijn.
In het cassatierekest - en dienovereenkomstig in het appelrekest - is vermeld dat [verweerster] domicilie zou hebben gekozen aan het kantoor van haar raadsman in de (beide) feitelijke instanties. Uit het dossier maak ik op dat zij ook (alleen) aan dat adres in kennis is gesteld van het door de Ambtenaar ingestelde cassatieberoep. Op die kennisgeving is geen reactie gevolgd.
Rv. van Aruba kent echter geen bepaling van dezelfde strekking als het huidige art. 63 van het Nederlandse Rv. (destijds art. 407, vijfde lid Rv. (Nederlands)). Art. 1 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen(8) schrijft weliswaar voor dat cassatieberoep op overeenkomstige wijze geschiedt als cassatieberoep in Nederland; maar deze Regeling geeft in art. 5 eigen, afwijkende regels voor de oproeping van de verweerder, met verwijzing naar de regels van - in dit geval - Rv. van Aruba.
Met het oog daarop valt te betwijfelen of [verweerster] in deze zaak adequaat is opgeroepen. De specifieke (uitzonderings)regel van (het huidige) art. 63 Rv. (Nederlands) kan immers geredelijk zo worden begrepen, dat oproeping aan het bij de procesvertegenwoordiger gekozen domicilie, daar waar een dergelijke regel niet geldt, als onvoldoende moet worden aangemerkt; en voor Rv. van Aruba ligt dan enigszins voor de hand, hetzelfde aan te nemen.
Bespreking van het cassatiemiddel 10. Bij de bespreking van het middel kom ik ook op het derde - en volgens mij meest bezwaarlijke - probleem met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieverzoek. Dat heeft te maken met een hoger al aangestipte moeilijkheid: namelijk dat het enigszins in het ongewisse is gebleven waartoe het verzoek van [verweerster] nu precies strekte.
Zoals ik al aangaf was dat in de eerste aanleg - vermoedelijk - dat de Ambtenaar alsnog een akte van erkenning zou opmaken, en daarbij zou aanvaarden dat de van de kant van [verweerster] overgelegde kopie-geboorteaktes een juiste weergave inhielden van wat daarin omtrent de geboorte van de betreffende kinderen vermeld was.
In appel werd echter gevraagd om "genoegzaamverklaring", en om een bevel dat de Ambtenaar de betreffende geboorteaktes (alsnog) zou inschrijven.
Het Arubaanse personen- en familierecht voorzag, en blijft ook na de invoering van de nieuwe wetboeken voorzien, in een afgewogen scala aan rechtsmiddelen tegen beslissingen van de Ambtenaar van de burgerlijke stand - zoals dat ook naar (Europees) Nederlands personen- en familierecht het geval is, en ook onder eerdere versies van het Nederlandse BW gold. Daarbij voorziet het BW van Aruba (evenals het Nederlandse BW) steeds in beroep op de burgerlijke rechter.
Aan zo'n systeem is inherent dat het als "gesloten" moet worden aangemerkt; en dat het dus niet mogelijk is om in die gevallen waarin niet in beroep op de burgerlijke rechter is voorzien, de bestuursrechtelijke rechtsgang te gebruiken (laat staan om in twijfelgevallen naar keuze de ene of de andere rechtsgang, of eventueel beide tegelijk of achtereenvolgens te kiezen(15)).
Voor het overige kan volgens mij in dit stadium niet worden beoordeeld of er, gesteld dat de Ambtenaar uiteindelijk op de door hem voorgestane gronden in het gelijk zou worden gesteld, plaats is voor een proceskostenveroordeling. Een aspect dat mij in dit verband van betekenis lijkt kwam al eerder ter sprake: namelijk dat de Ambtenaar in de appelinstantie geen verweer gevoerd heeft, en noch in appel noch in eerste aanleg om een proceskostenveroordeling heeft verzocht.
Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van de verzoeker in cassatie in het onderhavige cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze bepaling behoort tot het BW zoals dat tot 1 januari jl. voor Aruba gold. Per 1 januari is voor Aruba o.a. een nieuw Boek 1 van het BW in werking getreden. Ingevolge art. 14 lid 3 van de Overgangswet, blijven de regels van het "oude" BW echter voor deze zaak beslissend.
2 Bij erkenning van de kinderen door een man met de Nederlandse nationaliteit en een onaantastbare verblijfstitel op Aruba, hadden de betrokkenen een evident belang. Hun belang bij loutere "registratie" van de geboorteaktes in Aruba (gesteld dat het BW van Aruba daarin zou voorzien - zie alinea 10 hierna) is minder evident. Tegen deze achtergrond ligt het nader voor de hand om het in eerste aanleg gedane verzoek zo te begrijpen, als zojuist werd aangegeven. Pogingen om erkenningen aan de hand van onechte geboortebewijzen te bewerkstelligen worden overigens op Aruba en de Nederlandse Antillen met regelmaat gesignaleerd, zie o.a. De Boer, TAR 2000 p. 281 en Burgers, TAR 1998, p. 87.
3 Zie bijvoorbeeld HR 5 november 1999, NJ 2000, 63 m.nt. ARB, rov. 3.6 (waarbij overigens het belang-vereiste zoals dat specifiek is aangegeven in art 1:69 BW aan de orde was; het is verdedigbaar dat daarin een andere norm is neergelegd, dan die waarop het "algemene" belang-vereiste berust); HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853, rov. 3.5; HR 14 mei 1993, NJ 1993, 445, rov. 3; HR 16 april 1993, NJ 1993, 444, rov. 3; HR 24 februari 1989, NJ 1989, 425, rov. 3; HR 19 april 1985, NJ 1985, 629, rov. 3, en een aanzienlijk aantal beslissingen in zaken over de BOPZ, waarvan ik als representant noem: HR 22 juni 2001, NJ 2001, 437, rov. 3.2. Zie ook Snijders - Wendels, Civiel Appel (1999), nr. 109; Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken (1989), nr. 50 (bij voetnoot 13). In HR 18 februari 1994, NJ 1994, 406 m.nt. ThWvV wordt weliswaar overwogen dat de eiser tot cassatie "(heeft verklaard) vernietiging te verlangen met het oog op de naar zijn inzicht ongewenste precedentwerking ..." - maar daar ging het om een beslissing waarbij de betreffende partij materieel in het ongelijk was gesteld, en waarbij die partij vernietiging vorderde van de te zijnen laste uitgesproken veroordeling - een wezenlijk ander geval dan dat van de procespartij die een beslissing alléén om principiële redenen ter discussie wil stellen, hoewel hij daarbij materieel in het gelijk is gesteld.
4 Die kritiek wordt beschreven (en voor een belangrijk deel ondersteund) door Bloembergen in zijn al genoemde annotatie bij NJ 2000, 63.
5 Dit geldt voor de burgerlijke rechter, maar geldt in overeenkomstige mate voor andere rechterlijke instanties.
6 Zie bijvoorbeeld de al genoemde beslissing HR 18 februari 1994, NJ 1994, 406 m.nt. ThWvV, rov. 3.6; HR 14 maart 1980, NJ 1980, 536 m.nt. WHH.
7 Art. 714 Rv. van Aruba is ontleend aan art. 831 van het Nederlandse Rv. zoals dat tot de invoering van Boek 1 van het (Nederlandse) nieuwe BW heeft gegolden. Zie over de inmiddels door de geschiedenis wel achterhaalde strekking van dit artikel bijvoorbeeld Van Rossem, Het Nederlandsch Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering deel II (1913), p. 439, verwijzend naar p. 399 - 400. De historische achtergrond van de oude Nederlandse bepaling is voor Aruba zonder betekenis. Ik kies er (daarom) voor de Arubaanse bepaling zo te lezen, als eenvoudige tekstuele uitleg daarvan suggereert.
8 Rijkswet van 20 juli 1961, Stb. 212.
9 HR 10 januari 1986, NJ 1986, 376, rov. 3.1. Ik zie geen reden om het huidige Arubaanse procesrecht op dit punt wezenlijk anders uit te leggen dan het destijds geldende Nederlandse procesrecht.
10 Neergelegd in de art. 5 t/m 61 van het BW van Aruba zoals dat ten tijde van de beslissing van het Hof gold.
11 Voor het verzoek om "genoegzaamverklaring" geldt mutatis mutandis hetzelfde, zie ook voetnoot 12 hierna.
12 Bij welwillende uitleg kan het in appel gedane verzoek tot "genoegzaamverklaring" van de overgelegde stukken misschien in die zin worden begrepen. "Genoegzaamverklaring" als zodanig - ik vat dat op als een verklaring voor recht dat de betreffende stukken toereikend zijn om als grondslag voor een bepaald verzoek te dienen - is naar het huidige BW van Aruba alleen mogelijk in verband met weigering om een huwelijk te voltrekken, en kan dan alleen door "partijen", dus door de aspirant-echtelieden worden verzocht. Het nieuwe Antilliaans-Arubaanse BW voorziet in art. 26 wel in ruimere mogelijkheden om verklaringen als hier bedoeld te vragen; maar ook onder vigeur van die bepaling zou het onderhavige verzoek tot "genoegzaamverklaring" van een indirect belanghebbende als [verweerster], waarschijnlijk niet toelaatbaar zijn.
13 Dat de inhoudelijk overeenkomstige bepaling van art. 1:29 BW zoals dat bij de invoering van Boek 1 van het Nederlandse nieuwe BW luidde deze ruime strekking had, werd algemeen aangenomen, zie de Parlementaire Geschiedenis van Boek 1, p. 58/59; Luijten c.s., Het Personen- en Familierecht in het Nieuwe Burgerlijk Wetboek (1977), p. 26 e.v.; Asser-De Ruiter (1974), p. 53; Petit, Hoofdtrekken van het Nederlands Familierecht (1970), § 14. De praktijk onder vigeur van het voordien geldende art. 70 BW (Nederlands), waarop de tekst van art. 62 BW van Aruba gebaseerd is, was trouwens niet anders, zie bijvoorbeeld HR 14 februari 1947, NJ 1947, 228 en Hof Arnhem 20 december 1948, NJ 1949, 642.
14 Zie in die zin HR 3 april 1992, NJ 1993, 286 m.nt. EAAL. Andere belanghebbenden kunnen een dergelijk verzoek ondersteunen of bestrijden; maar alleen degene die zelf een kind wenst te erkennen kan een desbetreffend verzoek aan de Ambtenaar doen, en een eventuele weigering bij de rechter vervolgen. Het valt niet helemaal te ontkennen dat het feit dat [verweerster] de onderhavige verzoeken deed terwijl haar echtgenoot zich daar niet in gemengd heeft, enigszins bijdraagt tot de indruk dat hier het belang voorop stond dat de in deze zaak betrokken kinderen een aanspraak op nationaliteit en verblijf in Aruba krijgen, en dat het belang van de echtgenoot van [verweerster] bij betrekkingen met de onderhavige kinderen daaraan min of meer ondergeschikt werd gemaakt.
15 De onderhavige zaak is illustratief voor de problemen die een andere opvatting in het leven zou roepen. Die andere opvatting zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat een weigering van de Ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van erkenning op te maken (alleen) door de partij die erkenning wenst bij de burgerlijke rechter zou kunnen worden aangevochten; maar dat andere belanghebbenden een beslissing over de "genoegzaamheid" van de voor erkenning overgelegde stukken zouden kunnen vragen, die dan aan de bestuursrechter zou kunnen worden voorgelegd. De meeste beslissingen die de Ambtenaar van de burgerlijke stand moet nemen zouden op die manier, afhankelijk van de gekozen "rechtsingang", langs twee verschillende wegen aan toetsing onderworpen zijn. Dat lijkt mij al om praktische redenen verwerpelijk; maar het lijkt mij daarnaast ook onverenigbaar met het systeem van rechtsbescherming ten aanzien van de Burgerlijke Stand, dat de wet biedt.
16 Het gaat dan vooral om art. 62 (oud) van het BW van Aruba, met de in art. 712 - 715 Rv. van Aruba gegeven nadere processuele uitwerking.