ECLI:NL:PHR:2002:AE2513
Mr. Hartkamp Zitting,17 mei 2002 nr. C01/006HR Conclusie inzake [Eiser] tegen [Verweerder] Feiten en procesverloop
Eiser tot cassatie [eiser] exploiteert een botenstalling. De bedrijfsloods is gelegen aan een haven waarvan [eiser] de eigenaar is.
In maart 1991 is een houten zeilschouw (hierna de boot), waarvan verweerder in cassatie [verweerder] de eigenaar is, gestolen. Van deze diefstal heeft [verweerder] aangifte gedaan bij de politie.
Eind juni begin juli 1995 heeft [verweerder] de boot gezien in de loods van [eiser]. [Verweerder] heeft [eiser] medegedeeld dat hij de eigenaar van de boot is. Hij heeft [eiser] verzocht de boot aan hem af te geven. Daartoe heeft [eiser] zich slechts onder voorwaarde van betaling van stallingskosten bereid verklaard. [Verweerder] heeft geweigerd aan [eiser] de stallingskosten te betalen. Op 25 juli 1995 heeft [verweerder] van dit een en ander aangifte gedaan bij de politie. [Eiser] is op 1 augustus 1995 als verdachte van diefstal van de boot door de politie verhoord. Op 1 augustus heeft de politie de boot in beslag genomen. Op 30 oktober 1995 heeft de officier van justitie te Leeuwarden besloten dat de boot aan [verweerder] moet worden teruggegeven, hetgeen vervolgens is gebeurd.
De strafzaak tegen [eiser] is geseponeerd wegens onvoldoende wettig bewijs.
Voor zover in cassatie van belang heeft [eiser] aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat hem krachtens art. 3:120 en 124 BW een vorderingsrecht toekomt inzake de ten behoeve van de boot gemaakte stallingskosten, alsmede een retentierecht, en dat hij krachtens art. 3:295 BW recht heeft op afgifte van de boot. [Verweerder] heeft verweer gevoerd.
Ten aanzien van de mogelijkheid om de zaak op grond van art. 3:295 BW op te eisen heeft het hof in r.o. 3 overwogen dat deze actie niet tegen de eigenaar van de zaak kan worden ingesteld.
Voor zover [eiser] als grondslag voor de vordering van de stallingskosten het houderschap te goeder trouw (art. 3:120 jo 124 BW) in hoger beroep heeft gehandhaafd, heeft het hof in r.o. 5 kort weergegeven het volgende overwogen. Niet gezegd kan worden dat [eiser] houder te goeder trouw was, omdat hij geheel onbekend was met de identiteit van zijn wederpartij en hij daar evenmin naar heeft geïnformeerd. In redelijkheid zou, gelet op de omstandigheden van het geval, enig onderzoek omtrent de persoon van de pretense inbewaringgever en omtrent diens bevoegdheid tot in bewaring geven op zijn plaats zijn geweest.
Indien [eiser] aan de vordering van de stallingskosten een bewaargevingsovereenkomst ten grondslag heeft gelegd, overweegt het hof dat tussen [eiser] en [verweerder] nimmer een overeenkomst tot bewaargeving heeft bestaan. Daarin is derhalve niet een grond voor de vordering gelegen.
Bespreking van het cassatiemiddel
Art. 3:291 lid 2 eist voor het ontstaan van het retentierecht tegen de eigenaar dat de schuldeiser, zo de schuldenaar niet bevoegd was de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit aan te gaan, 'geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen'. In de stukken wordt ook dit laatste vereiste als 'goede trouw' aangeduid. In het onderhavige geval vallen deze toepassingsvereisten uit beide bepalingen samen, omdat het gaat om een vordering die voortspruit uit een overeenkomst die de wederpartij van de schuldeiser niet bevoegd was aan te gaan. Immers, de vordering die de schuldeiser [eiser] aan deze overeenkomst ontleent (kosten van lichten van de boot en stallingskosten), is door hem aangemerkt als een vordering tot vergoeding van kosten in de zin van art. 120 lid 2, hetgeen door [verweerder] niet is bestreden. In situaties waarin het gaat om andere kosten dan hetgeen krachtens overeenkomst tussen houder en degene voor wie hij houdt is verschuldigd, vallen de toepassingsvereisten niet samen: ter beantwoording van de vraag of aan de houder het vergoedingsrecht van art. 3:120 toekomt, zal dan tevens gelet moeten worden op de rechtsverhouding waarin hij staat tot degene voor wie hij de zaak houdt (art. 3:124 in fine).
Doordat het hof een onjuiste opvatting ten aanzien van de goede trouw van de houder aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, heeft het tevens een onjuist oordeel gevormd over de reikwijdte van de onderzoeksplicht die op [eiser] rustte ten aanzien van de bevoegdheid van de bewaargever. Bij het bepalen van de omvang van de onderzoeksplicht heeft het hof ten onrechte niet de essentiële stellingen van [eiser] besproken, inhoudende dat [eiser] een professionele bewaker is, dat de boot is aangeboden op een wijze die in de branche gebruikelijk is en dat dieven hun gestolen waar zelf plegen te bewaren (en te verkopen) en niet aan een professionele bewaarder in bewaring plegen te geven. Ten slotte heeft het hof miskend dat, indien de houder als te goeder trouw moet worden aangemerkt, de rechtsverhouding krachtens welke hij houder is geworden beslissend is voor de vraag of hij recht heeft op vergoeding van zijn kosten en op retentie, aldus het onderdeel.
Het onderdeel stelt allereerst de vraag aan de orde of voor de goede trouw van de houder aansluiting gezocht dient te worden bij art. 3:118 BW dat handelt over de goede trouw van de bezitter. Naar 's hofs kennelijke (en mijns inziens juiste) oordeel is dat niet het geval. Bezit te goeder trouw berust altijd op de verkeerde veronderstelling dat men rechthebbende is (zie hierover Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht (2001), nr. 386). Een bezitter is te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (art. 3:118 lid 1). Krachtens art. 118 lid 3 wordt de goede trouw van de bezitter vermoed aanwezig te zijn. Een houder kan zich uiteraard niet op de in art. 118 lid 1 bedoelde goede trouw beroepen, omdat hij zich wegens zijn hoedanigheid niet als rechthebbende beschouwt en zich evenmin als zodanig mocht beschouwen. Zijn goede trouw hangt er van af wat hij wist of behoorde te weten omtrent de bevoegdheid van zijn wederpartij met betrekking tot het sluiten van de overeenkomst. Deze goede trouw, waarop ook art. 3:291 lid 2 BW ziet, dient te worden beoordeeld naar het moment van totstandkomen van de overeenkomst.
Evenmin als voor het aannemen van de goede trouw van de houder aangesloten kan worden bij art 3:118 lid 1, kan dat mijns inziens bij het vermoeden bedoeld in art. 3:118 lid 3. De goede trouw van de bezitter wordt immers verbonden aan de feitelijke omstandigheden die meebrengen dat iemand wordt beschouwd als bezitter. Een voorbeeld van zo'n feitelijke omstandigheid is dat degene die de zaak onder zich heeft daden van heerschappij verricht. Dit feitelijke aspect dat het begrip bezit in zich bergt en het daarmee samenhangende vermoeden van goede trouw van de bezitter, speelt geen rol bij de beoordeling van de goede trouw van de houder. In geval van houderschap ontbreken immers de feitelijke omstandigheden die meebrengen dat iemand wordt geacht de zaak voor zichzelf te houden. Het met dit feitelijke aspect samenhangende vermoeden van goede trouw kan dan ook niet gelden voor het houderschap. Zoals reeds opgemerkt (nr. 6 onder g) wordt de goede trouw van de houder beoordeeld aan de hand van hetgeen hij wist of behoorde te weten omtrent de bevoegdheid ten aanzien van het goed van degene voor wie hij het goed houdt. Zowel in het kader van art. 3:124 als in dat van art. 3:291 rusten de stelplicht en de bewijslast terzake m.i. in beginsel op de houder.
Met betrekking tot de reikwijdte van de onderzoeksplicht die volgens het hof op het moment van de totstandkoming van de overeenkomst op [eiser] rustte, kan - anders dan het onderdeel aanvoert - niet gezegd worden dat het hof geen rekening heeft gehouden met de essentiële stellingen van [eiser]. Art. 291 lid 2 BW biedt geen bescherming wanneer de schuldeiser een onderzoek naar de bevoegdheid van de schuldenaar had behoren in te stellen, maar dit heeft nagelaten. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de meest voor de hand liggende reden voor een zodanig onderzoek in het algemeen zal zijn gelegen in de mate van uitzonderlijkheid van de werkzaamheden die de schuldenaar uit hoofde van de overeenkomst wil laten verrichten. Bescherming van de schuldeiser bestaat in het algemeen wel indien de overeenkomst strekt tot het doen verrichten van normaal onderhoud, noodzakelijke reparaties, bewaring in de gevallen dat deze gebruikelijk is en - in bepaalde gevallen - vervoer. Duidelijk is dat er gevallen zijn waarvoor geldt dat zij niet "algemeen" zijn of waarin op grond van de concrete omstandigheden van het geval een uitzondering gemaakt dient te worden op de gedachte dat het op een gebruikelijke wijze bewaren van de zaak voldoende rechtvaardigt dat goede trouw van de houder moet worden aangenomen.
Het hof heeft in zijn oordeel betrokken dat [eiser] geheel onbekend was met de identiteit van degene die de boot in bewaring heeft gegeven. Dit aan het hof voorbehouden oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de overige stellingen van [eiser]. Die stellingen (dat hij professioneel bewaarder is, dat de boot is aangeboden op een wijze die in de branche gebruikelijk is en dat dieven hun gestolen waar zelf plegen te bewaren zijn) sluiten immers niet uit dat er op grond van de omstandigheden van het geval twijfel bestaat over de goede trouw van de houder. Het hof heeft dit verduidelijkt door erop te wijzen dat aan [eiser] de bescherming van art. 3:124 BW niet toekomt, indien hij deze twijfel niet kan wegnemen door aan te geven dat hij onderzoek heeft ingesteld naar de identiteit van zijn wederpartij en naar diens bevoegdheid tot in bewaring geven.
Ten slotte heeft het hof, door ten overvloede te overwegen dat de vordering van [eiser] op [verweerder] niet haar grond kan vinden in een tussen hen gesloten bewaargevingsovereenkomst, niet miskend dat de rechtsverhouding krachtens welke [eiser] houder is geworden beslissend is voor de goede trouw. Het hof heeft slechts aangegeven dat voor de vordering, naast de door hem afgewezen grond van art. 3:124 BW, niet als grond kan worden aangenomen een overeenkomst tussen [eiser] en [verweerder]. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, zodat onderdeel 1 faalt.
Art. 3:295 BW bepaalt dat de schuldeiser de zaak, indien zij uit zijn macht raakt, kan opeisen onder dezelfde voorwaarden als een eigenaar. Dit artikel is ingevoegd met het oog op de nieuwe redactie van art. 3:294 BW. De oude redactie van artikel 3:294 hield in dat het retentierecht eindigt indien de zaak uit de macht raakt van de schuldeiser, tenzij deze haar terugkrijgt voordat de schuldenaar of de rechthebbende op rechtmatige wijze de macht over de zaak heeft verkregen. Volgens de nieuwe redactie eindigt het retentierecht (slechts) indien de zaak uit de macht van de schuldeiser raakt en in de macht van de schuldenaar of de rechthebbende komt, tenzij de schuldeiser haar weer uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding onder zich krijgt. Met art. 3:295 BW is beoogd te verduidelijken in welke gevallen de schuldeiser de zaak die uit zijn macht is geraakt van een derde kan opvorderen. Zie hierover Parl. Gesch. Boek 3, p. 890 en 891. Nu art. 3:295 BW is bedoeld om art. 3:294 BW te verduidelijken, kan het in ieder geval niet een verruiming inhouden van hetgeen getracht wordt te verduidelijken.
Dat de vordering tot afgifte van art. 3:295 niet tegen de eigenaar kan worden ingesteld, wordt algemeen aangenomen. Zie Aarts, Het retentierecht (1990), nrs. 270, 274; Mon. Nieuw BW B-13 (Fesevur), nr. 22 (p. 75); Asser-Mijnssen 3-III (1994), nrs. 406 en 413.(3) Inderdaad zou een andere oplossing niet goed in het stelsel van het goederenrecht passen. Ook de mogelijkheid van de bezitter van een goed om op grond van een ingetreden bezitsverlies of bezitsstoornis tegen derden dezelfde rechtsvorderingen in te stellen - tot terugverkrijging van het goed en tot opheffing van de stoornis - die de rechthebbende op het goed toekomen (art. 3:125 BW), kent deze begrenzing. Deze vordering kan immers niet worden ingesteld tegen een gedaagde die een beter recht heeft dan de eiser tot het houden van het goed of tot het verrichten van storende handelingen, zoals bijv. de eigenaar van de zaak. Indien met het aan het retentierecht verbonden opeisingsrecht wel bereikt zou kunnen worden dat de zaak uit de macht van de rechthebbende wordt gebracht, zou dat de gedachte van art. 3:125 BW doorkruisen.
In de klacht wordt nog naar voren gebracht dat art. 3:295 BW wel ziet op de mogelijkheid van opeising jegens de eigenaar van de zaak, omdat krachtens art. 3:291 lid 2 BW het retentierecht kan worden ingeroepen tegen derden met een ouder recht en de eigenaar van de zaak onder deze derden wordt begrepen. Hiermee wordt echter miskend dat art. 3:291 BW betrekking heeft op de situatie waarin een retentierecht bestaat en de zaak in de macht is van de schuldeiser, terwijl de art. 3:294 en 295 BW betrekking hebben op de situatie waarin de zaak niet meer in de macht is van de schuldeiser.
Uiteraard heeft zowel de bezitter als de retentor tegen de eigenaar die aldus heeft gehandeld, ook een vordering uit onrechtmatige daad; indien de retentor daarmee (door het vorderen van schadevergoeding in natura) bereikt dat zijn houderschap wordt hersteld, herleeft het retentierecht op grond van art. 3:294 BW. Maar deze mogelijkheid staat niet in de weg aan de vordering tot afgifte. In art. 3:125 lid 3 wordt dat uitdrukkelijk vermeld en bij het retentierecht wordt het opgemerkt in de wetsgeschiedenis; zie Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1393. Naar mijn mening staat deze passage, anders dan in de literatuur wel is aangenomen, niet in de weg aan de voormelde uitleg van art. 3:295,(6) evenmin als de formulering 'onder dezelfde voorwaarden als een eigenaar' dat doet. Deze formulering betekent niet dat de actie niet tegen de eigenaar kan worden ingesteld, maar dat de retentor bij het terugvorderen van de zaak aan dezelfde beperkingen is gebonden als een eigenaar, zodat de actie bijv. afstuit op een door art. 3:86 beschermde verkrijging; zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 891.
Voor zover subonderdeel b van onderdeel 2 op de onvrijwilligheid van het verlies van de macht over de zaak door [eiser] voortbouwt, faalt het om dezelfde reden. Hierbij merk ik nog op dat ook het door [eiser] gedane beroep op HR 13 mei 1988, NJ 1989, 201 m.nt. WMK vruchteloos is. In dit arrest is beslist dat door verbeurdverklaring het ingeroepen retentierecht niet vervalt. Het ging daar evenwel om een geval waarin de zaak met betrekking waartoe het retentierecht werd ingeroepen zich in de macht van de schuldeiser bevond. Door de Hoge Raad is niet beslist dat indien een zaak als gevolg van strafrechtelijk optreden door de Staat buiten de macht van de schuldeiser komt en in de macht van de rechthebbende wordt gebracht, het opeisingsrecht tegen de rechthebbende kan worden ingeroepen. Uit het voorgaande vloeit voort dat dat naar mijn mening ook niet in overeenstemming zou zijn met het wettelijk stelsel.
Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 De rechtbank overweegt in r.o. 5 dat [eiser] aan de art. 3:120 en 124 slechts een vorderingsrecht en een retentierecht ontleent indien hij in een contractuele relatie staat tot degene voor wie hij de boot houdt en hij bovendien te goeder trouw is. De rechtbank heeft [eiser] niet tot het bewijs van de overeenkomst toegelaten bij gebreke van een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod.
2 Wel zijn in de gedingstukken aan de orde geweest zaakwaarneming en 'vinderschap', maar die worden door het hof in r.o. 5 in fine verworpen (in cassatie onbestreden).
3 Deze auteurs oordelen wel verschillend op een ander punt: terwijl volgens Aarts en Fesevur de vordering evenmin kan worden ingesteld tegen de schuldenaar die niet de eigenaar van de zaak is, acht Mijnssen de vordering tegen hem wel mogelijk.
4 Die ook als wenselijk wordt bepleit door Aarts, a.w. nr. 265.
5 Zie Kaser, Das römische Privatrecht I (1971), p. 396 e.v.
6 Zie voor de verschillen tussen de zakelijke actie en de vordering uit onrechtmatige daad bij bezit Ten Kate, Bundel Langemeijer (1973), p. 262 e.v.; Asser-Mijnssen-De Haan 3-I, nr. 184.