Nr. 01661/01 Mr Jörg Zitting 7 mei 2002 Conclusie inzake: [verzoeker = verdachte]
(1)Er is geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de schade en het strafbare feit. De opgegeven kosten kunnen derhalve niet gezien worden als rechtstreekse schade van het strafbaar feit. De afwijzing van de materiële vordering van de benadeelde partijen door het hof is derhalve mijns inziens dan ook terecht, wat er zij van de daartoe gebezigde motivering. In cassatie is het oordeel van de feitenrechter dat aannemelijk is geworden dat een benadeelde partij tot een bepaald bedrag schade heeft geleden slechts op zijn begrijpelijkheid te onderzoeken, waarbij in aanmerking wordt genomen hetgeen door de benadeelde partij naar voren is gebracht.
- Ambtshalve ben ik nog nagegaan of het hof de gemaakte kosten als kosten in de zin van art. 592a Sv had moeten opvatten. Art. 592a Sv draagt de rechter op, indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, een beslissing te geven over de kosten die door de benadeelde partij en de verdachte zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken.
- De Hoge Raad is van oordeel dat een redelijke uitleg van art. 592a Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Dat houdt in dat ter zake van de kosten als bedoeld in art. 237 Rv (art. 56 Rv oud) een vergoeding wordt toegekend op de voet van het in art. 237 e.v. Rv (art. 56 Rv oud) bepaalde, en dat eventuele verdere, aangetoonde kosten van rechtsbijstand met inachtneming van het bepaalde in art. 241 Rv (art. 57 lid 6 oud) voor vergoeding in aanmerking kunnen komen (HR 29 mei 2001, LJN AB1819, r.o. 5.9.3).
- Onder de in art. 237 Rv bedoelde kosten vallen: griffierechten, deurwaarderskosten, salaris en voorschotten van de advocaat en procureurs, de getuigentaxen en de deskundigensalarissen. Verder worden alleen noodzakelijke reis- en verblijfkosten vergoed. Dat is het geval wanneer wordt uitgegaan van een persoonlijke verschijning van de procespartij. De kosten van werkverzuim (loonverlet en dergelijke) kunnen niet worden toegekend (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, losbladige editie, art. 57a (oud), aant. 1). Wanneer er met een gemachtigde wordt geprocedeerd, zullen verletkosten doorgaans niet 'noodzakelijk' zijn (Kamerstukken II 1988-1989, 19976, nr. 10, p. 9).
- Uit het bovenstaande volgt dat de gemaakte kosten ook niet als (proces-)kosten in de zin van art. 592a Sv opgevat kunnen worden.
- Het middel faalt.
- Het namens de benadeelde partijen voorgestelde tweede middel klaagt erover dat het hof door de aanvulling van de vordering af te wijzen art. 6 EVRM heeft geschonden. Het middel stelt dat indien de benadeelde partijen de kosten die direct samenhangen met de behandeling van de vordering in hoger beroep niet in het strafproces alsnog kunnen vorderen ten onrechte voor de benadeelde partijen financiële drempels worden opgeworpen die de mogelijkheid voor de benadeelde partijen op toegang tot de rechter beperken. Bovendien zou er sprake zijn van strijd met het equality of arms-beginsel, indien de benadeelde partijen zouden moeten afzien van het in persoon bijwonen van de zitting en het zelf mondeling kunnen toelichten van de vordering, als de benadeelde partijen deze kosten niet via de procedure van artikel 51a Sv alsnog kunnen vorderen.
- De raadsvrouwe van de benadeelde partijen heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzoeken tot aanvulling van de benadeelde partijen overgelegd, tot een hoogte van ƒ. 336,48