Nr. 640/01/P/01 Mr. Fokkens Zitting 14 mei 2002 Conclusie inzake: [veroordeelde = betrokkene]
(1)Die vraag kan bevestigend worden beantwoord. Het Hof heeft in de bewijsvoering vastgesteld dat de veroordeelde in de periode waarin hij deelnam aan een organisatie die zich op grote schaal bezig hield met de internationale handel in cocaïne, waarin naar algemeen bekend is veel geld wordt verdiend, uitgaven heeft gedaan die niet kunnen worden verantwoord uit traceerbare legale inkomsten. Een dergelijke vaststelling levert een ernstige vermoeden op dat de veroordeelde dat bedrag uit de handel in cocaïne heeft verkregen, tenzij op een of andere wijze aannemelijk zou worden dat het geld op andere wijze dan uit de cocaïnehandel is verkregen.
- Vervolgens heeft het Hof ten aanzien van alle verweren van de veroordeelde dat het geld wel legaal was verkregen geoordeeld dat deze niet aannemelijk waren geworden, onder meer omdat de veroordeelde zijn stellingen ter zake op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij moeten de betreffende overwegingen van het Hof precies worden gelezen. Het Hof wijst de verweren niet af omdat de veroordeelde zijn stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, zoals het middel stelt, maar acht het gestelde niet aannemelijk omdat de veroordeelde zijn beweringen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dat laatste gaat veel minder ver dan het eisen dat de veroordeelde zijn stellingen aannemelijk maakt.
- Uit het voorafgaande volgt dat, anders dan het middel stelt, het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat het aan de Staat te betalen bedrag van f 28.421,- uit de bewezenverklaarde feiten is verkregen en volgt tevens dat de klacht dat het Hof het verweer van de verdachte heeft verworpen omdat deze zijn stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, feitelijke grondslag mist.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering.
- Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. 1 1 Dat de methode van de kasopstelling ter berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel op zich ontoelaatbaar zou zijn, wordt in het middel niet gesteld. Ten aanzien van deze vraag sluit ik mij aan bij de uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (sub 3.24.-3.
- in de zaak [persoon], LJN AE1182 (www.rechtspraak.nl).