C 02/244HR Mr. F.F. Langemeijer Zitting 7 juni 2002 Conclusie inzake: [Eiser] tegen
(1)R.O. is tegen vonnissen van kantonrechters in burgerlijke zaken slechts op beperkte gronden cassatieberoep toegelaten. In onderdeel 1 wordt allereerst geklaagd dat de kantonrechter de regel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Dat is niet een klacht die in het eerste lid van art. 100 (oud) R.O. wordt genoemd. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk. De motiveringsklacht aan het slot van het onderdeel, dat uit alles blijkt dat het vonnis op onvoldoende gronden berust, voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. 2.
- Overigens zou de klacht over schending van de regel van hoor en wederhoor n.m.m. niet opgaan. De kantonrechter had aan [eiser] bewijs opgedragen van de gestelde bruikleenovereenkomst. [Eiser] heeft zowel vóór als na dat tussenvonnis gelegenheid gekregen zich uit te spreken over de vraag of aan de vereisten voor een bruikleenovereenkomst is voldaan. De kantonrechter heeft deze vraag ontkennend beantwoord en is daarmee gebleven binnen de grenzen van het geschil. 2.
- Het beroep van [eiser] op HR 23 januari 1931, NJ 1931 blz. 673, gaat niet op. In de eerste plaats staat in dit stadium niet vast dat wijlen [erflater] de goederen geruime tijd zonder protest onder zich heeft gehad; in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. In de tweede plaats valt uit genoemd arrest van de Hoge Raad niet af te leiden dat iemand die geruime tijd goederen van een ander onder zich heeft zonder daartegen te protesteren, geacht wordt een overeenkomst van bruikleen te hebben gesloten. Voor zover het onderdeel klaagt dat [eiser] geen gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken over de vraag of de gestelde bruikleenovereenkomst was aangetoond, gaat de klacht niet op: blijkens het proces-verbaal d.d. 11 september 2001, blz. 4, heeft eiser laten weten geen behoefte te hebben aan een conclusie na enquete. 2.
- Voor zover onderdeel 1 de bewijswaardering ter discussie wil stellen faalt het, omdat die waardering was voorbehouden aan de kantonrechter en de juistheid van diens bewijsoordeel in cassatie niet kan worden onderzocht. 2.
- In onderdeel 1 wordt voorts geklaagd dat de kantonrechter [eiser] niet had opgedragen te bewijzen dat de goederen zich na het overlijden nog in de woning van [erflater] bevonden. M.i. is hier sprake van een misverstand. In het tussenvonnis van 28 maart 2001, rov. 3.5, had de kantonrechter - op zichzelf niet onbegrijpelijk - overwogen dat voor de primaire vordering tot afgifte van de goederen van belang is, of gedaagden de goederen nog onder zich hebben. De aangevallen overweging in het eindvonnis heeft kennelijk hierop betrekking en niet op de vraag of de gestelde bruikleenovereenkomst is aangetoond. 2.
- De erven [...] hebben bij conclusie na enquete voor het eerst gesteld dat de waarde van de opgeëiste goederen nagenoeg nihil moet zijn geweest. Het is juist, dat [eiser] in eerste aanleg niet meer in de gelegenheid is geweest op die stelling te reageren. Toch heeft [eiser] geen belang bij deze klacht. Het andersluidende standpunt van [eiser] was voor de kantonrechter immers kenbaar uit de inleidende dagvaarding, waarin [eiser] de waarde heeft vermeld die elk van de opgeëiste goederen volgens hem had. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt. 2.
- Onderdeel 2 richt zich tegen de wijze waarop de kostenveroordeling is gemotiveerd. Blijkens de vaststelling in rov. 2.4, heeft de kantonrechter [eiser] bij gelegenheid van de comparitie gewaarschuwd voor de consequenties voor de proceskosten, wanneer [eiser] ondanks mogelijke bewijsproblemen de vordering toch zou willen doorzetten. Anders dan het middelonderdeel aanvoert, getuigt een dergelijke waarschuwing niet van vooringenomenheid van de kantonrechter: de waarschuwing berustte op een objectieve waardering van de kans van slagen in verhouding tot de daarvoor te maken proceskosten. Onderdeel 2 faalt. 2.
- Het cassatiemiddel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Ingevolge Hoofdstuk 15, art. 2 lid 2, van de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie (wet van 6 december 2001, Stb. 584) blijven de tot 1 januari 2002 geldende bepalingen toepasselijk ten aanzien van de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen vonnissen van een kantonrechter die vóór die datum tot stand zijn gekomen. Overigens is in het huidige art. 80 R.O. eenzelfde bepaling opgenomen als in art. 100 (oud).