Nr. 01063/01 Mr Fokkens Zitting: 11 juni 2002 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Van de verdachte was derhalve geen woon- of verblijfplaats in Ierland bekend. Ook in de cassatieakte is namens de verdachte geen adres opgegeven. Voorts blijkt uit de in het kader van de betekening van de aanzegging ex art. 435, eerste lid, Sv door de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen dat de verdachte in Nederland op geen enkel moment ingeschreven is geweest in de basisadministratie persoonsgegevens van enige gemeente.
- Onder deze omstandigheden kon het Openbaar Ministerie mijns inziens volstaan met het verzoek de verdachte in het opsporingsregister ter signaleren op te nemen, welk verzoek binnen negen maanden na het wijzen van het arrest is gedaan, en kan - achteraf bezien - in redelijkheid niet worden volgehouden dat de omstandigheid dat niet is gebleken dat tenminste eenmaal per jaar de verstekmededeling overeenkomstig art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv aan de griffier is bekend tot het oordeel dient te leiden dat de opgetreden vertraging voor rekening van het Openbaar Ministerie dient te komen. Van schending van de redelijke termijn is derhalve geen sprake, zodat het middel tevergeefs is voorgesteld.
- Het derde middel richt zich tegen de afwijzing van het verzoek de om [getuige 1] en enkele informanten als getuigen te horen.
- Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 oktober 1998 houdt - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - in: "De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - mede: Verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank te Amsterdam vrijgesproken, waarop het openbaar ministerie hoger beroep heeft aangetekend. Bij brief van 12 oktober 1998 heeft de raadsman verzocht de getuigen (...) [getuige 1] en de informant(en), van wie de informatie als vervat in de fax van [getuige 1] d.d. 23 augustus 1995 afkomstig is, ter terechtzitting van dit hof op te roepen. Bij brief d.d. 16 oktober 1998 heeft de procureur-generaal medegedeeld dit verzoek af te wijzen. De raadsman verklaart te persisteren bij zijn verzoek (...) [getuige 1] en de informant, van wie de informatie als vervat in de fax van [getuige 1] d.d. 23 augustus 1995 afkomstig is ter terechtzitting van dit hof te horen. (...) Ten aanzien van het verzoek van de raadsman de getuige [getuige 1] en de informant te horen stelt hij dat de mogelijkheid bestaat dat de startinformatie is verkregen als gevolg van fundamentele schendingen van elementaire rechten van de verdachte zoals neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorts kan niet worden vastgesteld of het in Nederland verkregen bewijsmateriaal tegen verdachte op rechtmatige wijze is verkregen nu hetgeen in Nederland als bewijsmateriaal is vergaard is te beschouwen als vrucht van de uit Ierland afkomstige informatie. De procureur-generaal verklaart zich te verzetten tegen plaatsing van deze getuige op de getuigenlijst. Zij volhardt bij haar brief van 16 oktober
- Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek van de raadsman om voornoemde getuigen op de getuigenlijst te plaatsen wordt afgewezen. Ten aanzien van de informant en de getuige [getuige 1] onderschrijft het hof het standpunt van de procureur-generaal en het beschouwt de gegevens afkomstig uit Ierland als een tip waarmee de Nederlandse politie haar onderzoek is aangevangen. Nu de in Ierland door de politie verrichte handelingen slechts aanleiding hebben gevormd om in Nederland een opsporingsonderzoek te starten en de uit Ierland verkregen informatie niet voor het bewijs zal worden gebruikt is het hof van oordeel dat de verdachte redelijkerwijze niet in zijn verdediging kan worden geschaad door het niet plaatsen van deze getuigen op de getuigenlijst. Ten overvloede overweegt het hof dat nu geen aanwijzingen bestaan dat enig in genoemd verdrag neergelegd recht van verdachte is geschonden noch enige andere onrechtmatigheid heeft plaatsgevonden, de Nederlandse rechter de beslissing van de Ierse rechter op grond van het Ierse recht met betrekking tot de vraag of en zo ja in hoeverre de door die rechter gehoorde getuigen tot antwoorden verplicht is dient te eerbiedigen."
- Door te overwegen dat de verdediging door het niet plaatsen op de getuigenlijst van [getuige 1] en de informant redelijkerwijs niet in zijn kan worden geschaad, welk oordeel kennelijk aldus moet worden verstaan dat valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van deze getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, heeft het Hof de ingevolge art. 288, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zoals deze bepaling sinds 1 februari 1998 luidt, juiste maatstaf toegepast.
- Op 14 augustus 1995 is bij de CRI een telefonische melding binnengekomen van [getuige 1], detective-chief superintendent bij de Garda Siochana te Dublin (Ierland) dat aldaar uit betrouwbare bron informatie is ontvangen dat [verdachte] en [medeverdachte] die avond naar Nederland zouden komen, teneinde in Amsterdam een grote partij xtc-tabletten te kopen met de bedoeling die in Ierland in te voeren. Het enkele feit dat het opsporingsonderzoek in Nederland is gestart op basis van een tip van de Ierse politie waardoor een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachte is ontstaan, betekent niet dat het Nederlandse opsporingsonderzoek en het in het kader daarvan in Nederland vergaarde bewijsmateriaal als vrucht van de uit Ierland afkomstige tip dient te worden beschouwd. Het in Nederland verrichte opsporingsonderzoek dient te worden aangemerkt als een zelfstandig onderzoek, zodat niet valt in te zien dat eventuele onrechtmatigheden in het Ierse onderzoek dat tot de tip heeft geleid, en waarvan het Hof overigens feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat niet aannemelijk is geworden dat deze hebben plaatsgevonden, zouden behoren door te werken in de bruikbaarheid tot het bewijs van de op basis van die tip in het kader van het Nederlandse opsporingsonderzoek vergaarde gegevens. Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan de situatie dat de tot de buitenlandse tip leidende gegevens door middel van de schending van art. 3 EVRM zijn gegenereerd, kan dit oordeel anders uitvallen, maar dat daarvan sprake zou zijn is gesteld noch gebleken.
- Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de tip niet tot het bewijs is gebezigd, behoefde het oordeel van het Hof dat de verdediging redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van [getuige 1] en de informant geen nadere dan de gegeven motivering (vgl. HR 14 september 1992, NJ 1993, 83; HR 16 november 1999, NJ 2000, 214 m.nt. JR). De omstandigheid dat de Rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken omdat naar haar oordeel niet kan worden vastgesteld dat het bewijs rechtmatig is verkregen nu het in Nederland verkregen bewijsmateriaal voortbouwt op Ierse informatie waarvan niet kan worden vastgesteld dat dit is verkregen op een wijze die aan de Nederlandse maatstaven voldoet, leidt er evenmin toe dat 's Hofs oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
- Voorzover het middel er vanuit gaat dat het Hof de visie van de Procureur-Generaal zoals verwoord in pagina 3 van het requisitoir deelt, berust het op een onjuiste lezing van 's Hofs hiervoor onder 15 weergegeven overweging en miskent het voorts dat het requisitoir pas is gehouden nadat het Hof op het in het middel bedoelde verzoek heeft beslist.
- De overige in het middel vervatte klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden, aangezien deze zijn gericht tegen door het Hof ten overvloede gegeven overwegingen die de afwijzing van het verzoek niet zelfstandig dragen. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
- Het vierde middel klaagt erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte de 50.000 pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
- Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat: "hij op 21 augustus 1995 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 50.000 pillen bevattende MDEA."
- De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat de verdachte op 19 augustus 1995 een kluisbox op het Centraal Station te Amsterdam opent en onmiddellijk weer sluit. Op 20 augustus 1995 haalt medeverdachte [...] een sporttas uit vorenbedoelde kluisbox en zet deze in een andere kluisbox met het nummer 23-
- Op 21 augustus 1995 loopt de verdachte naar laatstgenoemde kluisbox, kijkt er in en sluit deze 4 seconden later weer, waarna hij controleert of de box op slot is. Bij zijn aanhouding op het Stationsplein te Amsterdam op 21 augustus 1995 wordt de verdachte gefouilleerd, waarbij in zijn kleding een key-card van kluis 23-16 wordt aangetroffen, in welke kluis een sporttas wordt aangetroffen met daarin plastic zakken met in totaal 50.000 tabletten bevattende MDEA.
- Op basis van zijn vaststellingen dat de verdachte de beschikking had over de key-card van de kluisbox met daarin de sporttas met de pillen en dat gedurende drie dagen elke dag, waaronder twee keer door de verdachte, werd gecontroleerd of de inhoud van de kluis nog aanwezig was, kon het Hof tot het oordeel komen dat verdachte bekend moet zijn geweest met de inhoud van de sporttas en dat zijn opzet derhalve gericht was op het aanwezig hebben van 50.000 pillen bevattende MDEA (vgl. HR 15 december 1998, NJ 1999, 203). Het middel is tevergeefs voorgesteld.
- Het vijfde middel klaagt erover dat het Hof het verweer dat het bewijs onrechtmatig is verkregen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Aan dit verweer heeft verdachtes raadsman dezelfde argumenten ten grondslag gelegd als aan zijn verzoek om [getuige 1] en de informant als getuigen te horen. Het Hof heeft het verweer primair verworpen op de grond - kort gezegd - dat de uit Ierland afkomstige informatie slechts de aanleiding heeft gevormd om in Nederland een opsporingsonderzoek te starten, zodat het in Nederland verrichte onderzoek niet is aan te merken als vrucht van de uit Ierland afkomstige informatie.
- Om redenen als hiervoor onder 17 uiteengezet, kan de in het middel vervatte klacht dat deze gedachtegang onbegrijpelijk is niet tot cassatie leiden, zodat het middel faalt.
- Het zesde middel behelst de klacht dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, omdat ter terechtzitting niet aan de orde is geweest dat xtc-pillen schadelijk zijn voor de gezondheid, terwijl dat geen feit van algemene bekendheid zou zijn.
- Het Hof heeft onder het kopje "De op te leggen straf" onder meer overwogen: "Verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijke partij xtc-pillen voorhanden gehad. Door de plaatsing op lijst I van de Opiumwet is bekend dat deze xtc-pillen voor de volksgezondheid schadelijke stoffen bevat. Verdachte heeft het belang van de volksgezondheid ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen financiële gewin."
- Anders dan in het middel wordt betoogd, is het als feit van algemene bekendheid aan de merken dat MDEA, de werkzame stof die in de onderhavige zaak in de xtc-pillen is aangetroffen, schadelijk is voor de volksgezondheid. Het Hof mocht daar bij de strafoplegging derhalve rekening mee houden. Dat daar in 1992 mogelijk anders over zou zijn gedacht, doet daar niet aan af aangezien het onderhavige feit is begaan in 1995, terwijl voorts niet blijkt dat de raadsman dit punt ten overstaan van het Hof naar voren gebracht. De enkele verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg, waarin dit punt wel aan de orde is gesteld, is immers onvoldoende om een responsieplicht voor het Hof in het leven te roepen (vgl. HR 3 maart 1998, NJ 1999, 59 en HR 30 juni 1998, NJ 1999, 60 m.nt. Kn). Het middel kan niet tot cassatie leiden.
- Het eerste, vierde en zesde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de duur van de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. 1 De oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 1998 is kennelijk op een Iers politiebureau aan de verdachte in persoon uitgereikt, maar het adres dat hij toen bij de politie heeft opgeven bleek bij de betekening van de oproeping voor de terechtzitting van 20 oktober 1998 alweer achterhaald te zijn.