Nr. 01196/01 Mr. Fokkens Zitting 11 juni 2002 Conclusie inzake [Verdachte]
(1)Op 19 december 1998 kregen wij, verbalisanten Van Dijk en Magré, kennis van een verkeersongeval op de weg, de Teylingerlaan te Voorhout. Uit onderzoek bleek dat nader te noemen persoon vermoedelijk als bestuurder van een voertuig, personenauto met het kenteken [AA-AA-00], bij dat ongeval betrokken was geraakt. Ik, Van Dijk, sprak de bestuurder aan te 6.53 uur.
- Dit betekent dat jegens verdachte reeds een verdenking bestond vóórdat hij zijn identiteit kenbaar maakte aan een opsporingsambtenaar. In dat geval kan van een vrijwillige kennisgeving geen sprake zijn. (Remmelink/Otte, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Zwolle 2000, blz. 104: verdenking sluit vrijwilligheid uit). Hieraan doet niet af dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat verdachte reeds was aangehouden op het moment dat hij zijn identiteit kenbaar maakte. Op het moment dat verdachte zijn identiteit bekend maakte, moet het immers voor hem duidelijk zijn geweest dat er voor hem 'geen ontkomen meer aan' was (HR 27 maart 1990, VR 1990, 82 rov. 5.4.1.; J. Remmelink, 'Doorrijden na een ongeval (art. 30 WVW)', VR 1966, blz. 241-252 en 265-276 op blz. 268; J. Naeyé, 'De vrijwillige kennisgeving ex art. 30 lid 2 WVW', VR 1986, blz. 141-143 op blz. 141).
- Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof - dat niet is voldaan aan de in art. 184 WVW 1994 gestelde voorwaarden - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. 1 Zie ook het niet tot bewijs gebezigde relaas op p. 5 van het a.e.p.v. dat inhoudt dat de vader van verdachte, die wist dat de politie op zoek was naar zijn zoon, verdachte terug heeft gebracht naar de plek van het ongeval.