Rolnummer C 01/319 Mr. Bakels Zitting 7 juni 2002 Conclusie inzake [Eiser] t e g e n [Verweerster] 1. Feiten en procesverloop 1.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of het enkele feit dat [eiser] ongeveer 1/3 gedeelte heeft betaald van de aankoopsom van een aan [eiser] geleverde auto, hem recht geeft op een overeenkomstig gedeelte van de verkoopprijs daarvan. 1.2 In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat [eiser] op 27 mei 1994 van een autobedrijf een (nieuwe) auto heeft gekocht voor f 59 560,-. De auto is aan haar geleverd. [Eiser] heeft f 39 560,- betaald, [eiser] heeft f 20 000,- voldaan. [Eiser] heeft de auto in 1995 tijdens een detentie van [eiser] aan hetzelfde autobedrijf verkocht; zij ontving daarvoor f 31 739,-. In de periode waarin de auto aan [eiser] toebehoorde, was deze bij [eiser] in gebruik, die daarvan als enige de sleutels bezat. De auto stond ten name van [eiser], die daarvoor ook alle lasten voldeed, met uitzondering van de kosten van benzine en onderhoud. Daags voor de aankoop van de auto hebben partijen een "economische overeenkomst" ondertekend waarin onder meer is bepaald, kort gezegd, dat als de relatie tussen partijen zou worden verbroken, de auto "ten alle tijden het eigendom (blijft)" van [eiser]. 1.3 Tegen deze achtergrond heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. Stellende dat [eiser] niet alleen het bovengenoemde bedrag van f 39 560,- heeft ontvangen, maar ook nog een bedrag 'zwart', zodat de totale opbrengst f 45 000,- bedroeg, verlangde hij betaling van 1/3 gedeelte van dat laatste bedrag, door hem becijferd op f 16 000,-. Hij baseerde zich daartoe op wanprestatie dan wel onrechtmatige daad van [eiser], daaruit bestaande dat zij de auto buiten diens medeweten heeft verkocht en de opbrengst volledig voor zichzelf heeft behouden. 1.4 [Eiser] voerde verweer en stelde van haar kant een reconventionele vordering in, die in cassatie niet meer ter zake doet. 1.5 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 april 1998 in conventie vooropgesteld dat, nu de auto eigendom was van [eiser] en partijen niet met elkaar waren gehuwd, vooralsnog niet valt in te zien op welke grond [eiser] rechten op de verkoopopbrengst kan doen gelden. Zij heeft hem in de gelegenheid gesteld zich daarover bij akte nader uit te laten. Nadat beide partijen een akte hadden genomen en hun raadslieden tevens hadden gepleit, heeft de rechtbank bij vonnis van 17 maart 1999 in conventie de vordering afgewe-zen. In de kern overwoog zij daartoe dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om in de gegeven omstandigheden zijn aanspraak op een evenredig deel van de verkoopopbrengst van de auto te kunnen rechtvaardigen. De enkele voldoening door hem van een bedrag van f 20 000,-, waarvan [eiser] geen terugbetaling heeft gevorderd, brengt niet mee dat [eiser] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld of wanprestatie heeft gepleegd door de auto te verkopen. 1.6 [Eiser] is in hoger beroep gegaan tegen beide voormelde vonnissen, voorzover in conventie gewezen, bij het hof Amsterdam. Tevens heeft hij zijn eis vermeerderd. Bij tussenarrest van 11 mei 2000 heeft het hof, kort gezegd, overwogen dat de tussen partijen gesloten "economische overeenkomst" niet meebrengt dat de auto mede-eigendom was van [eiser]. Toch zou die overeenkomst, naar de aard daarvan en mede gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, de aanspraken van [eiser] op betaling van een evenredig deel van de verkoopopbrengst van de auto, kunnen rechtvaardigen. Of dat inderdaad zo is, kon naar 's hofs oordeel voorshands het midden blijven, nu het eerst [eiser] toeliet tot bewijs van feiten of omstandigheden op grond waarvan die overeenkomst dient te worden vernietigd. Tevens liet het hof [eiser] toe tot het bewijs dat de verkoopopbrengst in werkelijkheid f 45 000,- heeft bedragen. 1.7 Na getuigenverhoor heeft het hof bij eindarrest van 12 juli 2001, de door de rechtbank in conventie gewezen vonnissen bekrachtigd. Het heeft daartoe in de eerste plaats geoordeeld dat de "economische overeenkomst" tot stand is gekomen onder misbruik van omstandigheden door [eiser], zodat deze dient te worden vernietigd. Dit betekent dat de andere gronden waarop [eiser] zijn vordering doet steunen, mede aan de orde komen. Aangezien [eiser] geen mede-eigenaar was van de auto, is de verkoop daarvan tegenover hem niet onrechtmatig geweest. Ook overigens is enig onrechtmatig handelen van [eiser] tegenover hem niet gesteld of gebleken. [Eiser] heeft onvoldoende gesteld om zich met succes op ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] te kunnen beroepen. Overigens heeft hij ook voordeel van de aankoop van de auto gehad, doordat hij deze heeft gebruikt. Voorzover [eiser] stelt dat [eiser] hem althans een gedeelte van de betaalde f 20 000,- dient terug te betalen, berust zijn vordering op de "economische overeenkomst". In zoverre loopt zijn vordering stuk op de omstandigheid dat deze overeenkomst inmiddels is vernietigd. 1.8 [Eiser] is tegen deze arresten tijdig in cassatie gekomen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.