Nr. 00821/02 U Mr Wortel Zitting: 18 juni 2002 Conclusie inzake: [verzoeker = de opgeëiste persoon]
(1996)Nr. 2 Een kennisgeving dat de voor de aanneming van de Overeenkomst vereiste procedures zijn voltooid, is gedaan door: België, 25 juli 2001, (...) De Overeenkomst is nog niet in werking getreden. De Overeenkomst wordt echter toegepast tussen: Denemarken, Duitsland, Finland, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje, enerzijds, en België, anderzijds, vanaf 23 oktober 2001.(...)"
- Mij komt het voor dat zo een vermelding in het Maandbericht betreffende het tussen Nederland en andere landen toepasselijk worden van verdragsbepalingen, indien de tekst van het Verdrag en de gegevens omtrent het inwerkingtreden ervan binnen de Nederlandse rechtsorde reeds in het Tractatenblad zijn geplaatst, in ieder geval toereikend is om die verdragsbepalingen te beschouwen als bekendgemaakt overeenkomstig art. 93 Grondwet. Nu het bovengenoemde Maandbericht reeds was verschenen toen de bestreden uitspraak werd gedaan zou de klacht ook om die reden geen doel kunnen treffen. Het middel faalt.
- Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte de stukken genoegzaam heeft geoordeeld, nu bij de overgelegde wetsbepalingen niet mede zijn overgelegd de bepalingen met betrekking tot samenloop, in het bijzonder met betrekking tot de figuur van de voorgezette handeling.
- De Rechtbank heeft de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht naar Nederlands recht gekwalificeerd als "strafbare deelneming aan (de voortgezette handelingen van) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede, derde en vierde lid van de Opiumwet". Die kwalificatie geeft mij, mede in het licht van de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht en de vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen, aanleiding tot het maken van een ambtshalve opmerking. Het middel is echter tevergeefs voorgesteld aangezien de bepalingen omtrent samenloop niet behoren tot de bepalingen die de strafbaarheid van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht constitueren, zodat die bepalingen omtrent samenloop niet overgelegd behoeven te worden, vgl. HR NJ 1983, 373 en HR NJ 1990,
- De uitleveringsrechter heeft slechts te beoordelen of de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd naar Nederlands recht strafbaar zijn, en of is voldaan aan het in het toepasselijke verdrag gestelde vereiste ten aanzien van de, naar Nederlands recht en naar het recht van de verzoekende Staat, op die feiten gestelde straffen. Of, ingeval de Belgische strafwet een met art. 56 Sr vergelijkbare bepaling kent, de Belgische strafrechter later tot het oordeel zal komen dat er tussen de verschillende bewezenverklaarde feiten een zodanige samenhang bestaat dat van een voortgezette handeling gesproken moet worden, en de strafoplegging op slechts één van de toepasselijke strafbepalingen moet berusten, is bij beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering niet aan de orde. Het tweede middel faalt.
- Het derde middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te vermelden op welke bepalingen uit het EU-uitleveringsverdrag haar beslissing berust.
- In de bestreden uitspraak is vermeld dat de beslissing, wat de toepasselijke verdragsbepalingen betreft, mede steunt op "de tussen België en Nederland toepasselijke artikelen van het EU-uitleveringsverdrag", waarmee is gedoeld op het hierboven genoemde Verdrag van de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gesloten te Dublin op 27 september 1996 (Trb. 1996, 304).
- In aanmerking genomen dat de Rechtbank in haar voorafgaande overwegingen heeft vastgesteld dat de Belgische autoriteiten gehoor hebben gegeven aan het krachtens art. 7 van bedoeld Verdrag door Nederland en België gemaakte voorbehoud dat uitlevering van eigen onderdanen slechts ter fine van vervolging zal plaatsvinden indien de garantie wordt gegeven dat de opgeëiste persoon in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf naar de aangezochte Staat zal worden overgebracht teneinde aldaar de straf te ondergaan, en voorts in aanmerking nemend dat de toelaatbaarheid van de uitlevering voor het overige geheel kan volgen uit de door de Rechtbank genoemde bepalingen uit het Benelux Uitleverings- en rechtshulpverdrag, kan worden aangenomen dat de Rechtbank heeft gedoeld op dit art. 7 van het Verdrag van Dublin. Op zichzelf beschouwd zou er mee volstaan kunnen worden de aanhaling van dit Verdrag aldus verbeterd te lezen, waarmee de feitelijke grondslag aan het middel zou komen te ontvallen, maar in verband met het navolgende verdient het mijns inziens de voorkeur dat de Hoge Raad de onvolledige verwijzing naar dit Verdrag zelf herstelt.
- De bestreden uitspraak geeft mij aanleiding tot enkele ambtshalve opmerkingen.
- Ten eerste: in de kwalificatie van de feiten naar Nederlands recht heeft de Rechtbank melding gemaakt van "strafbare deelneming", waarmee gedoeld moet zijn op medeplegen in de zin van art. 47 Sr. Dat brengt mee dat ook dit artikel als toepasselijke bepaling vermeld had moeten worden. De Hoge Raad zal dit verzuim kunnen herstellen.
- Ten tweede: in het uitleveringsverzoek is vermeld dat de uitlevering wordt gevraagd omdat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan "mededaderschap invoer, handel en bezit van verdovende middelen in vereniging en deelname aan een criminele organisatie". In de 'uiteenzetting der feiten' die tot de overgelegde stukken behoort is eveneens vermeld dat verzoeker wordt verdacht van "A/ mededaderschap invoer, handel en bezit van verdovende middelen in vereniging (...) B/ criminele organisatie". Telkens is onder meer verwezen naar de artikelen 324bis en 324ter Strafwetboek, waarvan de tekst bij de overgelegde stukken is gevoegd. Deze bepalingen bevatten een met art. 140 Sr overeenstemmende strafbaarstelling.
- Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de Belgische justitiële autoriteiten verzoeker niet alleen wensen te vervolgen ter zake van gedragingen die zijn aan te merken als medeplegen van het invoeren, verhandelen en voorhanden hebben van verdovende middelen, maar tevens, als afzonderlijk feit, ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. In de 'uiteenzetting der feiten' zijn feiten en omstandigheden genoemd die grondslag kunnen vormen voor de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie. In het aan de bestreden uitspraak gehechte exemplaar van die 'uiteenzetting der feiten' zijn die feiten en omstandigheden niet doorgehaald. Evenmin blijkt op andere wijze dat de Rechtbank reden heeft gevonden de uitlevering ter zake van dat feit ontoelaatbaar te verklaren. Dat kan niet besloten worden geacht in het oordeel dat de feiten naar Nederlands recht, voor zover het gaat om opzettelijk handelen in strijd met in art. 2 Ow opgenomen verboden, als voortgezette handeling zouden zijn aan te merken.
- Daarom had de Rechtbank naar mijn inzicht moeten vaststellen dat de in het uitleveringsverzoek genoemde feiten naar Nederlands recht mede zijn aan te merken als "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", en had ook art. 140, eerste lid, Sr aangehaald moeten worden als één der wettelijke bepalingen waarop de uitspraak berust. Ook dit verzuim zal de Hoge Raad kunnen herstellen.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de vaststelling van de dubbele strafbaarheid en ten aanzien van de vermelding van toepasselijke artikelen; dat de Hoge Raad zal bepalen dat de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht naar Nederlands recht zijn aan te merken als - naast het door de Rechtbank omschreven misdrijf - "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven"; dat de Hoge Raad zal bepalen dat de uitspraak berust op - naast de door de Rechtbank genoemde bepalingen uit het Benelux Uitleverings- en rechtshulpverdrag, de Schengen Uitvoeringsovereenkomst, de Uitleveringswet en het Wetboek van Strafrecht - het tussen België en Nederland toepasselijke art. 7 van het Verdrag van de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, en op de art. 47 en 140 Sr, en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,