nr. C00/340 Mr. Hartkamp zitting 26 april 2002 Conclusie inzake [eiseres] tegen [verweerster] Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) Voor de feiten moge ik verwijzen naar het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 28 juli 1998, r.o. 3.1. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) aan de verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) schadevergoeding verschuldigd is wegens, kort gezegd, schending van de precontractuele redelijkheid en billijkheid. Partijen zijn met elkaar in contact getreden over de verkoop van 200 ton pootgoed van het aardappelras "Nicola" uit de oogst 1996; dit contact heeft niet tot een overeenkomst geleid, maar wel is er tussen hen een bijzondere, door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding ontstaan; [eiseres] heeft haar verplichting geschonden door een aanbieding van [verweerster] (de verkoopster in spe) simpelweg af te wijzen in plaats van opnieuw met haar in onderhandeling te treden, en dat terwijl [verweerster] erop mocht vertrouwen dat enige overeenkomst in ieder geval zou worden gesloten. De rechtbank heeft het aannemelijk geoordeeld dat bij heropening van de onderhandelingen een overeenkomst zou zijn gesloten tegen de eerder door [eiseres] aangegeven condities (waaronder de marktprijs) en heeft [eiseres] veroordeeld tot vergoeding van de prijs die [verweerster] zou hebben ontvangen (vermeerderd met de gemaakte bewaarkosten en verminderd met de netto opbrengst uit verkoop aan een derde). De rechtbank heeft een deskundigenonderzoek gelast met het oog op de te schatten schade-omvang. 3) Op het door [eiseres] ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 27 juni 2000 dit vonnis bekrachtigd. 4) [eiseres] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en een uit zes onderdelen opgebouwd cassatiemiddel voorgesteld. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] heeft gerepliceerd. Bespreking van het cassatiemiddel 5) Onderdeel 1 stelt voorop dat rechtbank en hof het zogenaamde positieve contractsbelang hebben toegewezen en betoogt dat 's hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd is omdat geen aandacht wordt besteed aan de vraag wanneer bij [verweerster] sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen of aan andere omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maakten. Onderdeel 2 sluit hierop aan met de klacht dat het hof onvoldoende terughoudendheid heeft betracht in zijn beoordeling van het handelen van [eiseres], althans in de context dat [eiseres] gehouden is de gederfde winst te vergoeden. Deze klachten falen naar mijn mening, omdat de daarin aan de orde gestelde kwesties, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, niet door de grieven aan het oordeel van het hof zijn onderworpen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.