Nr. 02440/01 Zitting: 23 juli 2002 Mr Fokkens Conclusie inzake: [verdachte]
- Verdachte is door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam, veroordeeld tot driemaal een geldboete van f 120,-- telkens subsidiair 2 dagen hechtenis wegens even zovele gevallen van "niet naleving van het bepaalde bij artikel 30, eerste lid, van de Wet personenvervoer".
- Tegen deze uitspraak heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld.
- Ter griffie van de Hoge Raad is een van verdachte afkomstig handgeschreven geschrift binnengekomen dat, nauwelijks leesbaar, een veelheid van klachten (nrs. 1 t/m 16) bevat. Ik bespreek verdachtes grieven aan de hand van de door hem aangebrachte nummering.
- Klacht 1 luidt zakelijk weergegeven dat de totale duur van de procedure zodanig is dat niet meer gesproken kan worden van een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
- De klacht is ondeugdelijk voor zover wordt geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak.
- In hoger beroep hebben twee zittingen plaatsgevonden. Bij de eerste zitting op 25 februari 2000 is verdachte verschenen. Nadat hij een wrakingsverzoek had gedaan, is het onderzoek geschorst. Bij beslissing van 21 april 2000 is het wrakingsverzoek ongegrond verklaard. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de hervatting van het onderzoek op 22 september 2000 verdachte pas in de zittingszaal verschenen nadat zijn zaak, niet eerder dan op het in de oproeping vermelde tijdstip, was behandeld en de Rechtbank uitspraak had gedaan. De oproeping voor die zitting was overigens in persoon betekend. In dergelijke gevallen moet worden aangenomen dat een verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd en kan in cassatie niet met vrucht over overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak worden geklaagd. (HR NJ 2000, 721, m.nt. JdH rov. 3.9).
- Voor wat betreft het tijdsverloop in cassatie merk ik op dat verdachte op 22 september 2000 beroep in cassatie heeft ingesteld. De stukken van het geding zijn op 16 november 2001 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat is te laat en als gevolg daarvan is het arrest van de Hoge Raad pas ongeveer twee jaren nadat het beroep is ingesteld te verwachten. De Hoge Raad kan als compensatie voor deze vertraging gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn, naar verwachting, zal zijn overschreden, de opgelegde straffen verminderen.
- Als klacht 2 voert verdachte aan dat hij is veroordeeld voor "een totaal andere dagvaarding", hetgeen "tot nietigheid van de zaak" dient te leiden. Een toelichting op deze klacht ontbreekt. De klacht, die ik daarom niet als een deugdelijke cassatieklacht kan beschouwen, lijkt te duiden op een klacht over grondslagverlating, maar daarvan is in deze zaak geen sprake. Mogelijk is verdachte het spoor (ook wel eens) bijster: uit de stukken en ambtshalve is mij bekend dat verdachte in de afgelopen jaren meermalen voor zwartrijden met tram danwel trein is vervolgd en veroordeeld. Bij de Hoge Raad zijn behalve deze zaak betreffende dergelijke overtredingen ook bekend de dossiers met de nummers 00597/99 en 00126/
- Klacht 3 komt kortweg hierop neer dat door de Rechtbank niet is gereageerd op de vraag hoe de identificatie van degene die op de in de tenlastelegging bedoelde tijd en plaats zonder geldig vervoerbewijs werd aangehouden, heeft plaatsgevonden.
- Verdachte is in hoger beroep op tegnspraak maar buiten zijn aanwezigheid veroordeeld en heeft zich niet door een advocaat laten bijstaan. Deze derde klacht heeft, evenals de klachten 4, 5, 7, 8 en 16, betrekking op aspecten van de zaak ten aanzien waarvan ter terechtzitting in hoger beroep geen verweren zijn gevoerd of verzoeken zijn gedaan waarop de Rechtbank had dienen te antwoorden. Ten behoeve van verdachte merk ik op dat de Hoge Raad al eerder heeft uitgemaakt dat geen rechtsregel de rechter verplicht te beslissen omtrent enig door de verdachte gevoerd verweer dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen (HR NJ 1984, 443, zie verder Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p. 81). Bedoelde verweren en verzoeken kunnen niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht, omdat de Hoge Raad niet tot taak heeft de zaak opnieuw te berechten, maar slechts te controleren of de Rechtbank de juiste procedure heeft gevolgd en of de uitspraak niet in strijd met het recht is. Reeds daarom kunnen deze klachten (3, 4, 5, 7, 8 en 16) wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
- Klacht 6 faalt eveneens en reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag, nu de Rechtbank in hoger beroep ter terechtzitting van 25 februari 2000 dezelfde was als die op 22 september
- De klachten 9 en 12 kunnen niet als een middel van cassatie worden aangemerkt, nu niet wordt aangegeven waarom de beslissing van de Rechtbank onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn (zie HR 2 maart 1999, NJ 1999, 739, m.nt. JdH). Klacht 10 is niet te ontcijferen en kan derhalve evenmin als een cassatiemiddel worden aangemerkt.
- Klacht 11 luidt dat de behandeling van het door verdachte in hoger beroep gedane wrakingsverzoek niet correct is verlopen nu de gewraakte rechter daarbij niet aanwezig is geweest.
- Deze klacht treft geen doel omdat tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat, zodat daarover ook in de gewone strafzaak niet kan worden geklaagd.
- Als klacht 13 brengt verdachte naar voren dat niet de strafrechter maar de bestuursrechter in deze zaak bevoegd is. Een dergelijk verweer heeft verdachte eerder in één van zijn eerdere zaken, bij de Hoge Raad bekend onder nummer 00597/99, naar voren gebracht, zonder het door hem beoogde resultaat. Ik volsta met een verwijzing naar hetgeen mijn ambtgenoot AG Wortel onder punt 9 van zijn conclusie dienaangaande heeft opgemerkt. De klacht is ondeugdelijk.
- Klacht 14 luidt dat de processen-verbaal niet door politiebeambten zijn geschreven en daarom niet bruikbaar zijn voor het bewijs (voor het overige bevat deze klacht een herhaling van klacht 3, waarop ik nu niet nogmaals zal ingaan).
- Ook hiervoor geldt dat een vrijwel gelijkluidende grief in de hiervoor genoemde zaak werd aangevoerd. In de conclusie van AG Wortel wordt die klacht (nr. 4) onder punt 7 besproken. Ik verwijs daarnaar voor de uitleg van de ondeugdelijkheid van deze klacht.
- Klacht 15 houdt in dat verdachte niet het (in art. 311, vierde lid, Sv gegarandeerde) recht van het laatste woord heeft gehad. Verdachte is in hoger beroep weliswaar op tegenspraak, maar buiten zijn aanwezigheid veroordeeld, zodat deze klacht eveneens faalt.
- Met uitzondering van het eerste middel voor zover dat gegrond is, kunnen de klachten worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voor zover het betreft de opgelegde straffen, deze zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Zakelijk samengevat hebben de klachten de volgende strekking:
- Totale duur procedure levert undue delay op;
- Veroordeling in eerste aanleg én in hoger beroep voor een andere zaak dan waarvoor verdachte terecht heeft gestaan;
- Bij alle drie de feiten blijkt nergens uit dat de aangehouden persoon die de personalia van verdachte opgaf ook daadwerkelijk verdachte was;
- Op het verzoek van verdachte om de ''oorspronkelijke bonnetjes" te mogen bekijken, is niet gereageerd;
- Alle processen-verbaal zijn op dezelfde datum maar op verschillende plaatsen ondertekend. Dat had voor de Rechtbank aanleiding moeten zijn te onderzoeken of de processen-verbaal vals zijn;
- Onderzoek ter terechtzitting is nietig omdat de samenstelling na schorsing anders was;
- De dagvaarding spreekt over vervoer door de RET, maar het vervoer geschiedt door de NS;
- De processen-verbaal zijn pas een jaar na dato opgemaakt en dat is te laat en bovendien zijn de verbalen ter terechtzitting niet op juistheid gecontroleerd;
- Het proces-verbaal spreekt zowel over de NS als de RET;
- Onleesbaar;
- De behandeling van het door verdachte in hoger beroep gedane wrakingsverzoek is niet correct verlopen nu de gewraakte rechter daarbij niet aanwezig is geweest.
- NS noch RET is een 'openbaarvervoersonderneming'; dat staat nergens in de wet.
- Op de Wet Personenvervoer is niet het strafrecht maar het bestuursrecht van toepassing;
- De processen-verbaal zijn niet door politiebeambten geschreven en daarom niet bruikbaar voor het bewijs (voor het overige bevat deze klacht een herhaling van klacht 3);
- Verdachte heeft niet het recht op het laatste woord gehad;
- Bij de strafoplegging is geen rekening gehouden met verdachtes financiële positie.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.