Nr. 00824/01 P Mr Fokkens Zitting: 3 september 2002 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [veroordeelde = betrokkene]
(1)Dat die uitkering ten onrechte is verstrekt doordat de veroordeelde heeft verzuimd de door hem ontvangen verzekeringspenningen op te geven, doet daar niet aan af (vgl. HR 10 februari 1998, NJ 1998, 446).
- Ik kan mij voorstellen dat de veroordeelde meent dat deze redenering iets onbillijks in zich heeft (vgl. Borgers, De ontnemingsmaatregel, p. 373 e.v.). Het blijft immers zo dat in zijn lezing zijn uitkering ten onrechte is verstrekt, omdat hij het door oplichting verkregen bedrag niet heeft vermeld aan de gemeente. Als dat bedrag hem wordt ontnomen bevindt hij zich als het ware met terugwerkende kracht weer in de situatie dat hij recht heeft op een uitkering.
- Dit bezwaar kan indien daartoe aanleiding bestaat, worden ondervangen doordat de rechter in gevallen waarin het zesde lid van art. 36e Sr geen grond biedt voor vermindering van het genoten voordeel vanwege schadevergoeding aan benadeelden, gebruik maakt van de algemene bevoegdheid tot matiging die is neergelegd in art. 36e, lid
- Zie in dit verband HR 11 april 2000, NJ 2000,
- In die zaak besliste de Hoge Raad dat vergoeding van immateriële schade aan het slachtoffer niet valt onder het zesde lid van art. 36e, om er vervolgens op te wijzen dat de rechter in een dergelijk geval wel met toepassing van het vierde lid van art. 36e tot matiging van het te betalen bedrag kan besluiten.
- In deze zaak heeft het Hof daartoe geen aanleiding gezien. Dat is niet onbegrijpelijk, omdat op de raadsman een vertekend beeld van de werkelijkheid schetste door te betogen dat bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, rekening moet worden gehouden met het volledige bedrag dat de veroordeelde aan de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid dient terug te betalen. Uit het zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindende dossier inzake de uitkeringsfraude blijkt namelijk dat het totaalbedrag van ƒ 116.471,40 (oorspronkelijk ƒ 120.698,44) dat de veroordeelde moet terugbetalen niet uitsluitend is gebaseerd op de omstandigheid dat hij vanaf juli 1995 heeft verzwegen dat hij over vermogen beschikt, maar mede op de omstandigheid dat hij vanaf 1 februari 1992 heeft verzuimd opgave te doen van inkomsten uit werkzaamheden.
- Op grond van dit alles kan het vierde middel niet slagen.
- Ik heb overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het bedrag dat de veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat dient te betalen en het aantal dagen vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. 1 . Zo zou het betalen van schadevergoeding aan de drie benadeelde verzekeringsmaatschappijen de verplichting om de ten onrechte toegekende uitkeringsbedragen terug te betalen ook niet opheffen.