ECLI:NL:PHR:2002:AE8458
Zaaknr. C01/105HR Mr Huydecoper Zitting van 4 oktober 2002 Conclusie inzake [Eiseres], eiseres tot cassatie, tegen de vennootschap naar buitenlands recht North-Western Shipping Company, verweerster in cassatie.
Feiten en procesverloop 1. De feiten van deze zaak - die gaat over aansprakelijkheid op de grondslag van zeevervoer krachtens cognossement - zijn betrekkelijk eenvoudig. Men vindt ze (voor het grootste deel) in de rov. 2.1 tot en met 2.3 van het in eerste aanleg op 24 oktober 1996 gewezen tussenvonnis (waarnaar in rov. 1 van het bestreden arrest wordt verwezen), en in rov. 1 van het bestreden arrest zelf. Ik geef ze gemakshalve samengevat weer:
Bij telexen van 24 februari zijn het verzoek om vrachtrestitutie en de opdracht om de goederen geblokkeerd te houden, herhaald.
Het recht betreffende cognossementen 9. Het debat in cassatie heeft voor een groot deel betrekking op de rechtsleer betreffende cognossementen, en dan in het bijzonder op de verplichtingen van de vervoerder ten opzichte van een houder van het cognossement. Het lijkt mij goed om die rechtsleer hierna eerst kort te bespreken.
Het gaat in deze zaak om de derde van de zojuist aangestipte functies.
Men spreekt in zo'n geval, zoals voor de hand ligt, van een order-cognossement. (Een andere vorm van overdraagbaarheid wordt verkregen door het cognossement aan toonder te stellen (dan wordt het dus een toonder-cognossement genoemd); materieel hetzelfde effect wordt intussen wel bewerkstelligd door een order-cognossement te voorzien van een blanco-endossement, dus zonder aanduiding van de geëndosseerde).
Overdraagbaarheid kan ook dienstig zijn bij goederen in transito die intussen worden verhandeld (zoals bij zgn. "commodities" op grote schaal schijnt voor te komen). De koper en de verkoper kunnen dan zaken doen op basis van de voor de goederen afgegeven cognossementen - veelal in de vorm van "gelijk oversteken", d.w.z. in die vorm dat de verkoper de koper (door middel van het cognossement) zekerheid verschaft dat die over de beoogde goederen zal kunnen beschikken, terwijl de koper tegelijk betaalt of zekerheid verschaft voor de betaling.
Mede daarin moet worden gezocht - want blijkens HR 8 november 1991, NJ 1993, 609 m.nt. JCS, rov. 3.4 ligt aan de regel (ook) ten grondslag "het belang van de vervoerder om zekerheid te hebben omtrent de identiteit van zijn wederpartij bij de vervoerovereenkomst, zodat hij zich niet hoeft te begeven in de voor hem veelal niet of moeilijk te beantwoorden vraag wie als rechthebbende heeft te gelden."
Dat de toepassing van cognossementen mede op het belang van ladingbelanghebbenden en financiers gericht is kan trouwens ook worden afgeleid uit het feit dat een cognossement op verzoek van de verlader moet worden afgegeven (o.a. art. 8: 399 lid 1 BW). Die regel zou veel van zijn zin verliezen als het cognossement er in overwegende mate toe strekte, de vervoerder een bepaalde zekerheid te bieden, en niet (tevens) om de verlader of diens zakelijke betrekkingen bepaalde voordelen te bieden.
Ook degeen die onder een dergelijke titel houder van een cognossement is, geldt intussen ten opzichte van de vervoerder als de (enige) rechthebbende, zodat de vervoerder bezwaar mag maken als niet deze houder van het cognossement, maar de opdrachtgever (hoezeer die ook vaak de "werkelijke" ladingbelanghebbende zal zijn) hem aanspreekt. (Ook) in dit verband wordt een formele benadering gevolgd als het gaat om de legitimerende functie van het overdraagbare cognossement(11).
Hier - dus als het gaat om de rol van tussenpersonen en andere "fiduciaire" houders van het cognossement, wier betrekking tot de lading aan de vervoerder niet onmiddellijk duidelijk hoeft te zijn - krijgt het andere aspect van de regel waarover hierboven werd gesproken, namelijk het belang van de vervoerder bij eenduidigheid, een extra accent.
Het op naam van de geadresseerde gestelde cognossement 19. Het hiervóór besprokene geldt intussen (vooral) als het gaat om een in overdraagbare vorm opgemaakt cognossement. Cognossementen die niet in die vorm worden opgemaakt zijn geen onbekend verschijnsel(12). Het moet dan overigens gaan om stukken die inderdaad op naam van de uiteindelijke rechthebbende zijn gesteld, zonder dat in de mogelijkheid van overdracht "aan order" of dergelijke is voorzien. (Alleen) bij in deze vorm opgemaakte cognossementen wordt het effect - en het voordeel - van gemakkelijke overdraagbaarheid niet verkregen: voor overdracht van de betreffende rechten moet (als Nederlands recht van toepassing is) de "gewone" vorm van cessie worden gevolgd(13), (14).
Het "Eendracht"-arrest 24. De partijen in dit cassatiegeding verschillen in de eerste plaats over de vraag of het feit dat de met name genoemde geadresseerde tot de vervoerovereenkomst is toegetreden, meebrengt dat de vervoerder zich van zijn verplichtingen kan kwijten door de lading aan de geadresseerde af te geven zonder vertoon van het cognossement te verlangen. Zij verwijzen in dit verband (met onderling verschillende argumenten) naar HR 22 september 2000, NJ 2001, 44 m.nt. Haak.
Bij kennisneming van dit arrest valt op dat het daarin beoordeelde cognossement een cognossement op naam was, in de beperktere betekenis van die aanduiding: dus een niet-overdraagbaar cognossement(19). De Hoge Raad spreekt echter in rov. 3.3. van het arrest van "een in een cognossement vermelde geadresseerde" (zonder de restrictie dat het hier niet om een aan order gesteld cognossement ging); en geeft dan aan dat een dergelijke geadresseerde ook zonder het cognossement (reeds) te hebben ontvangen, tot de vervoerovereenkomst kan toetreden. Daaruit maak ik op dat dit zowel bij "naamcognossementen" in de enge zin als in de ruime zin het geval is (20).
Als men van dat uitgangspunt vertrekt, en tevens - zoals in de vorige alinea werd gedaan - aanneemt dat de daar bedoelde overweging van de Hoge Raad óók opgeld doet voor overdraagbare cognossementen (waarin een geadresseerde vermeld is - er moet uiteraard wel een geadresseerde zijn aangewezen, wil er iemand zijn die tot de overeenkomst kan toetreden), ligt het vervolgens in de rede dat de geadresseerde in dat geval weliswaar tot de overeenkomst kan toetreden, maar dat daardoor géén verandering komt in de (in-beginsel) regel dat alleen de regelmatige houder van het cognossement de vervoerder kan aanspreken en dat de vervoerder alleen aan de regelmatige houder van het cognossement bevrijdend kan afgeven.
Het recht van de geadresseerde onder een "naamcognossement"
De in voetnoot 18 genoemde Nederlandse bronnen suggereren dat ook in dat geval (meestal) moet worden aangenomen dat afgifte van de lading alleen door de cognossementshouder kan worden gevorderd, maar geven geen steun aan de gedachte dat dat een eis van de (in dit opzicht trouwens regelendrechtelijke) wet, of anderszins een "vaste" regel zou zijn. Dat wordt bijvoorbeeld daardoor geïllustreerd, dat wanneer het betreffende document "eigenlijk" niet als cognossement maar als vrachtbrief ("waybill") moet worden opgevat, de recente Nederlandse publicaties ervan uit gaan dat de geadresseerde gewoonlijk afgifte van de lading mag verlangen zonder over het document te (hoeven) beschikken - terwijl tussen het "naamcognossement" en de vrachtbrief/waybill overigens geen kenmerkende verschillen bestaan(21).
De uitkomst van die uitlegpuzzel - en niet enige algemene (of "in-beginsel") (rechts)regel - bepaalt dan of de vervoerder zich heeft verplicht tot afgifte tegen vertoon of overhandiging van het vervoerdocument, of (juist) niet.
Het is immers (lang) niet altijd zo dat de rechtsverhouding tussen de afzender en de ontvanger daartoe strekt. Het zal, integendeel, vaak voorkomen dat die rechtsverhouding meebrengt dat de geadresseerde nog aan bepaalde voorwaarden moet voldoen - zoals: betaling van de prijs - voor hij in zijn verhouding tot de afzender aanspraak op afgifte van de lading kan maken.
In het verlengde daarvan ligt dan, dat een vervoerder er niet "blind" van uit mag gaan dat de geadresseerde onder een als naamcognossement opgemaakt document, nadat die tot de overeenkomst is toegetreden, zonder meer aanspraak op afgifte van de lading kan maken.
Het feit dat die mogelijkheid bij vervoerovereenkomsten zo algemeen pleegt te worden aangenomen, pleit bepaald tegen een uitleg van een vervoerovereenkomst waardoor het recht op aflevering van de lading al meteen bij toetreding van de geadresseerde, en ongeclausuleerd, op deze overgaat.
Beoordeling van het cassatiemiddel 36. Onderdeel 1 van het middel verdedigt, zo begrijp ik het, primair dat het hof zich heeft georiënteerd op de rechtsopvatting dat toetreding van de geadresseerde tot de in een "naamcognossement"(24) tot uitdrukking komende vervoerovereenkomst - althans als daarbij tevens nadere afspraken over de verdere afwikkeling van het vervoer worden gemaakt - meebrengt dat het cognossement zijn functie als legitimatie voor degene die jegens de vervoerder aflevering kan vorderen verliest - zie het slot van rov. 4 van het bestreden arrest.
Als het hof inderdaad op de hier omschreven rechtsopvatting is afgegaan, acht ik het middel gegrond: er bestaat geen rechtsregel van deze strekking. In het bijzonder het arrest in de "Eendracht"-zaak geeft geen voedsel aan de gedachte dat zo'n regel zou bestaan. Daarentegen moet, zoals in alinea's 31 - 35 hiervóór werd verdedigd, aan de hand van de "gewone" regels voor uitleg van overeenkomsten worden beoordeeld welke rechten de geadresseerde aan toetreding tot de vervoerovereenkomst en aan in dat verband (eventueel) overeengekomen wijzigingen van de overeenkomst kan ontlenen. Daarbij ligt een uitleg zoals die met de hier aan het hof toegeschreven opvatting zou stroken, ofschoon die niet geheel ondenkbaar is, om de hiervóór besproken redenen bepaald niet voor de hand.
Onderdelen 2 - 4 van het middel - en sommige argumenten uit onderdeel 1, i.h.b. uit de klacht sub d. van dat onderdeel - strekken ertoe dat deze uitleg van de tot stand gekomen rechtsverhouding onbegrijpelijk is in het licht van de door het hof in aanmerking genomen of door het hof in aanmerking te nemen gegevens.
Daarbij vertrek ik van het hoger verdedigde uitgangspunt: een uitleg van de rechtsverhouding zoals in de vorige alinea omschreven is denkbaar, maar is nu niet rechtstreeks voor de hand liggend.
Het gegeven dat ik zo-even bedoelde bestaat in het feit dat namens (de rechtsvoorgangster van) [eiseres] op dezelfde dag waarop aan North-Western mededelingen zijn gedaan omtrent de gewijzigde afspraken met betrekking tot het (weg)vervoer, uitdrukkelijk instructie is gegeven om de lading niet vrij te geven(26), zie alinea 6 hiervóór.
Er zijn natuurlijk wel redenen denkbaar waarom men zou kunnen besluiten om de rechtsverhouding ondanks dit gegeven zo uit te leggen(27); maar het arrest houdt niets over dergelijke redenen in (en, voeg ik toe, de gedingstukken bieden daarvoor ook maar een minimum aan houvast). Het (impliciete) oordeel dat het onderhavige gegeven niet in de weg staat aan de uitleg die het hof (althans in mijn lezing van het bestreden arrest) heeft gekozen, behoefde bepaald nadere onderbouwing. Die ontbreekt. Daarmee ontvalt de grondslag aan de overwegingen die de beslissing over de hele breedte dragen. Ik meen dan ook dat de strijdvraag geheel opnieuw zal moeten worden beoordeeld.
Dit betoog beoordeel ik als ongegrond. In Grief 4 wordt wel degelijk - mede - betoogd dat het beroep van [eiseres] op haar rechten als cognossementshoudster afstuitte op het feit dat de geadresseerde door aanvaarding van een derdenbeding tot de vervoerovereenkomst was toegetreden (Memorie van Grieven p. 9, onderaan). Elders in de Memorie van Grieven wordt dat betoog herhaald en nader uitgewerkt, zie bijvoorbeeld p. 15, p. 16 (onderaan) en p. 18 (bovenaan). Het hof mocht - en moest - dit argument dus in zijn oordeel betrekken. Dat het hof dit argument in het betoog van North-Western in appel heeft "ingelezen" berust voor het overige op aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de gedingstukken(28). Uit het zojuist gezegde zal zijn gebleken dat ik deze uitleg niet onbegrijpelijk vind.
Conclusie Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Dit gegeven is niet vermeld in de zo-even genoemde rechtsoverwegingen, maar kan - desnoods bijwege van hypothese - worden gebaseerd op rov. 5 van het bestreden arrest.
2 Nader onderzoek van de dossierstukken levert op dat een dergelijke bepaling ook de grondslag vormt voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van deze overigens zo on-Nederlandse zaak kennis te nemen; zie bijvoorbeeld de inleidende dagvaarding, alinea 8.
3 Zie voor dit gegeven bijvoorbeeld rov. 5.11 van het vonnis in de eerste aanleg van 24 oktober 1996. Het gegeven als zodanig is in appel niet betwist (wel de relevantie ervan).
4 De cassatiedagvaarding is tijdig uitgebracht. Het herstel van de in de oorspronkelijke dagvaarding gemaakte fout (bij rectificatie-exploot van 21 maart 2001) is blijkens HR 29 april 1994, NJ 1995, 269 m.nt. HJS toelaatbaar. Er is niets aangevoerd wat ertoe tendeert dat North-Western door de betreffende fout in haar verweer wordt bemoeilijkt.
5 Cognossementen komen ook in de binnenvaart voor, maar zijn bij andere vormen van vervoer niet gebruikelijk.
6 Het komt voor dat de condities van de "onderliggende" vervoerovereenkomst niet geheel met de op het cognossement vermelde condities corresponderen. In dat geval gelden tussen de oorspronkelijke partijen bij de vervoerovereenkomst de eerstgenoemde condities, maar mogen latere cognossementhouders op de laatstgenoemde condities afgaan.
7 Zie voor deze eigenschappen en functies bijvoorbeeld Haak in Akveld c.s., Hoofdstukken Handelsrecht, 2001, p. 457 - 462; Oostwouder, Hoofdzaken Boek 8, verkeersmiddelen en vervoer, 2001, p. 90 - 92 en p. 100 - 105; Van Empel - Huizink, Goederenvervoer over zee, binnenwater en over de weg, 2000, p. 58 - 64; Claringbould in Vervoersrecht in Boek 8 BW, preadvies Vereeniging "Handelsrecht" 1997, p. 128 - 138 en in "Het schip en zijn cognossementen", oratie 1996; Cleton, Hoofdlijnen van het vervoerrecht, 1994, p. 135 - 139; Boonk, Zeevervoer onder cognossement, 1993, p. 19 - 28; Korthals Altes - Wiarda, Vervoerrecht, 1980, p. 230 - 237.
8 Ik zal verder van de overdraagbaarheid van het cognossement spreken, zonder te herhalen dat het mede en vooral om overdracht van de aan het stuk verbonden rechten gaat.
9 Haak in Akveld c.s., Hoofdstukken Handelsrecht, 2001, p. 460 - 461 (nr. 625); Oostwouder, Hoofdzaken Boek 8 BW, 2001, p. 100 e.v. ; Wilson, Carriage of goods by sea, 2001, p. 141; Giermann, Die Haftung des Verfrachters für Konnossementsangaben, diss. 2000, p. 61 - 62; Rodière, Droit Maritime (1997), p. 427. HR 26 november 1993, NJ 1995, 446 m.nt. WMK geeft nadere steun aan deze gedachte.
10 In die zin dan ook, bijvoorbeeld, Haak in Akveld c.s., Hoofdstukken Handelsrecht, 2001, p. 462; Carver on Bills of Lading, 2001, nr. 1-017; Giermann t.a.p. p. 61 - 62; Von Ziegler c.s., Le Droit International des Transports Maritimes (rapport van de Académie de Droit International de La Haye, 1999), p. 134 - 135; Hesse c.s., Droits Maritimes dl. I, 1995, p. 316 - 317. De Parlementaire Geschiedenis bij art. 8: 441 BW (zie bijvoorbeeld de Parlementaire Geschiedenis van Boek 8, p. 471) lijkt mij in dit opzicht voor misverstand vatbaar, waar wordt gezegd dat de onderhavige regel niet van dwingend recht is en het de vervoerder "derhalve" vrij staat tot afgifte van de lading over te gaan zonder afgifte van het cognossement te vorderen. Dit moge juist zijn in die gevallen waarin inderdaad van de (regelendrechtelijke) bepaling van art. 8: 441 BW is afgeweken (maar de literatuur wekt sterk de indruk dat dat in de praktijk niet, of slechts bij hoge uitzondering gebeurt). Waar niet van deze regel is afgeweken, doet het feit dat het geen regel van dwingend recht betreft er niet aan af dat de vervoerder die die regel veronachtzaamt, wanprestatie pleegt.
11 Laatstelijk bijvoorbeeld HR 21 januari 2000, NJ 2000, 533 m.nt. Haak, rov. 3.2 en 3.3. Annotator Haak wijst erop dat hier spanning bestaat tussen (de eisen van) rechtszekerheid en wat hij aanduidt als "de maatschappelijke realiteit". Het arrest geeft onmiskenbaar voorrang aan de eisen van rechtszekerheid. Zie ook Haak in Akveld c.s. Hoofdstukken Handelsrecht, 2001, p. 462 en Van der Ziel, TVR 2001, p. 17 (slotalinea). Van een flexibeler opstelling naar Frans recht wordt melding gemaakt door Delbecque in "Le Droit International des Transports Maritimes" (rapport van de Académie de Droit International de La Haye, 1999), p. 52 - 54.
12 Dorhout Mees, Schets van het Handelsrecht (1990), § 757 schrijft nog dat vermelding van een met name genoemde rechthebbende (geadresseerde) nooit voorkomt. Van Empel - Huizink, a.w. p. 58, schrijven dat een cognossement in de praktijk steeds een orderclausule (al-dan-niet met vermelding van geadresseerde) bevat. Blijkens Claringbould, oratie p. 9, was het cognossement op naam vroeger zeldzaam, maar komt het de laatste jaren - dit wordt geschreven in 1996 - steeds vaker voor.
13 Zie hierover bijvoorbeeld Haak in Akveld c.s., Hoofdstukken Handelsrecht, 2001, p. 457 (zie ook p. 459 sub c en sub d); Claringbould in Vervoerrecht in Boek 8 BW, preadvies Vereeniging "Handelsrecht" 1997, p. 131 (nr. 2.4), maar zie ook p. 133 (nr. 2.7); Claringbould, oratie p. 9 - 10 en p. 19 - 20 (de in dit verband door Claringbould in nr. 5.1.1. besproken beslissing van de Hoge Raad, het zojuist al genoemde arrest van 27 januari 1995, betrof echter een ordercognossement waarin de geadresseerde ("or order") was vermeld); Cleton, Hoofdlijnen van het Vervoerrecht, 1994, p. 138; Korthals Altes - Wiarda, Vervoerrecht (1980), p. 231; Cleveringa, Zeerecht, 1961, p. 615 e.v; zie voor buitenlands recht bijvoorbeeld Carver, t.a.p. (nr. 1-017); Giermann, a.w. p. 99 - 100.
14 De in dit verband gebruikte terminologie is inzoverre enigszins onvast, dat ook een op naam gesteld ordercognossement soms wordt aangeduid als een "cognossement op naam", zie reeds Cleveringa, Zeerecht, 1961, p. 618 - 619 (tweede voetnoot), en het in de vorige voetnoot genoemde geval uit de oratie van Claringbould, nr. 5.1.1. Bij een dergelijk cognossement gelden de eisen van het rechtsverkeer waarop ik in alinea's 14 t/m 16 hiervóór zinspeelde, in dezelfde, of in slechts weinig verminderde mate: het betreffende cognossement is "gewoon" overdraagbaar; en het ligt niet in de rede dat het handelsverkeer er rekening mee houdt dat bij cognossementen in deze vorm, de zekerheid die het overgedragen cognossement beoogt te verschaffen van een geheel ander (en minder) gehalte zou kunnen zijn dan wanneer het gaat om een ordercognossement waarin géén geadresseerde is vermeld.
15 Dit veronderstelt overigens een gedegen kennis van het geldende recht bij de betrokken deelnemers aan het verkeer, een veronderstelling die misschien niet helemaal aan de realiteit van alle dag beantwoordt.
16 Zie ook Carver, a.w. nrs. I-008 en I-009.
17 Tot goed begrip vermeld ik dat naar de huidige Engelse wet alleen voor overdracht vatbare documenten als "bill of lading" worden aangeduid. Op naam gestelde (en niet tevens aan order luidende) cognossementen moeten daarom vermoedelijk naar Engels recht "(sea) waybills" worden genoemd, terwijl die aanduiding in de Nederlandse praktijk gangbaar is voor documenten die de functie van vrachtbrief vervullen - zie bijvoorbeeld Wilson, a.w. p. 164 - 169 en Carver, a.w. nrs. I-007 en I-008 tegenover Van der Ziel, oratie p. 9 - 11 en Claringbould, preadvies Vereeniging "Handelsrecht" 1997, p. 131 - 132. De laatstgenoemde documenten hebben (dus) niet de legitimatie-functie die voor cognossementen wel tot uitgangspunt wordt genomen.
18 Aldus uitdrukkelijk de Memorie van Toelichting bij art. 8:441, Parlementaire Geschiedenis van Boek 8, p. 470 - 471; zie ook Van der Ziel, oratie p. 8 - 9 en Cleton, a.w. p. 138. Beide lijken ervan uit te gaan dat (ook) bij een "naamcognossement" alleen afgifte door de houder van het document kan worden gevorderd; wat volgens mij impliceert dat de vervoerder ook alleen aan de houder van het cognossement bevrijdend kan presteren; zie ook Cleveringa, a.w. p. 617 - 618.
19 Dat blijkt uit de in rov. 3.2 door de Hoge Raad aangehaalde overwegingen van rechtbank en hof.
20 Van der Ziel, TVR 2001, p. 14 meent echter dat toetreden tot de overeenkomst alleen bij een "naamcognossement" in enge zin mogelijk is, en bij een ordercognossement niet. Het is mij niet helemaal duidelijk waarom Van der Ziel vindt dat toetreding bij een ordercognossement dat een geadresseerde vermeldt, niet mogelijk zou zijn (bij een ordercognossement dat geen geadresseerde vermeldt is dat wel duidelijk). Weliswaar krijgt de geadresseerde die tot de overeenkomst toetreedt daardoor, zolang het (order)cognossement hem niet is overgedragen, niet meer dan een voorwaardelijke aanspraak; maar dat is op zichzelf geen beletsel voor de toetreding.
21 Illustratief: Boonk, Zeevervoer onder cognossement, 1993, p. 20. Claringbould, oratie p. 34 - 35 en preadvies Vereeniging "Handelsrecht", 1997, p. 131, stelt voor dat de op het document gestelde benaming als maatstaf wordt gebruikt om het cognossement van de vrachtbrief/waybill te onderscheiden.
22 Omdat [eiseres] de rechten uitoefent die aan de afzender [A] toekwamen, brengt de regel van art. 8:410 BW mee dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de oorspronkelijke (maar mogelijkerwijs naderhand gewijzigde) vervoerovereenkomst, en niet (alleen) door de vervoerovereenkomst zoals blijkend uit het cognossement. Dat neemt niet weg dat de overeenkomst zoals blijkend uit het cognossement bij de uitleg van de (oorspronkelijke, al-dan-niet gewijzigde) vervoerovereenkomst een grote rol kan spelen.
23 Zie daarover bijvoorbeeld Claringbould, oratie p. 12; Cleton, a.w. p. 139 (bij de beperkte formulering van art. 8:440 B.W. lijkt met dit gegeven niet in alle opzichten rekening te zijn gehouden); Carver, a.w. nrs. I-012 t/m I-019; Von Ziegler c.s., a.w. p. 137 - 140. In dezelfde zin Zwitser in Akveld c.s., Hoofdstukken Handelsrecht, 2001, p. 372. Voor andere vormen van vervoer dan zeetransport gelden vergelijkbare (en soms wèl dwingendrechtelijke) regels, zie bijvoorbeeld art. 12 CMR, art. 4 AVC en art. 12 van het Verdrag van Warschau, en de art. 8:937 en 8:1125 B.W.
24 De rechtbank is er in de eerste aanleg van uit gegaan dat er in deze zaak sprake was van een cognossement op naam (zie o.a. rov. 2.8 van het eindvonnis). Dat gegeven is in appel niet ter discussie gesteld. Het ligt in de rede dat rechtbank en hof daarbij hebben gedacht aan het "naamcognossement" in de eerder beschreven enge betekenis, dus: een niet-verhandelbaar document. De kopie van het cognossement die als prod. 1 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg is overgelegd, vermeldt nergens een orderclausule; en art. 4 van de vervoercondities op (naar ik aanneem) de achterzijde van het cognossement bepaalt dat het stuk in dat geval als "non-negotiable" geldt. In cassatie mag in elk geval - desnoods veronderstellenderwijs - worden aangenomen dat er van een naamcognossement in enge zin sprake is.
25 Ik noem als recente bevestigingen van de vaste rechtspraak op dit punt HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE3385, rov. 3.4; HR 14 juni 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE1536, rov. 3.4; HR 8 februari 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AD7318, rov. 4.2.
26 Uit de stukken blijkt dat daarbij als reden werd opgegeven dat de geadresseerde nog niet betaald had - zie ook de tekst van de betreffende telex (van 21 februari 1994), o.a. aangehaald in Bijlage 1 bij de schriftelijke toelichting namens [eiseres].
27 Bijvoorbeeld: omdat de rechtsvoorgangster van [eiseres] al vóór de betreffende instructie ondubbelzinnig zou hebben ingestemd met vrijgave van de lading aan de geadresseerde, en niet meer de vrijheid had om daarop terug te komen; of omdat men de vervoerovereenkomst ook vóór de toetreding al zo duidt, dat die niet verplichtte tot afgifte-tegen-cognossement of tot het opvolgen van nadere instructies van de afzender (zie het in alinea 33 besprokene). Ik gaf overigens al als mijn mening te kennen dat uitleg van de overeenkomst in deze zin bepaald niet voor de hand ligt.
28 Vaste rechtspraak, bijvoorbeeld recent bevestigd bij HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE0647, rov. 3.4; HR 12 juli 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE1532, rov. 3.9.3; en de al genoemde beslissing HR 8 februari 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AD7318, rov. 4.5.