ECLI:NL:PHR:2002:AE8474
Nr. R02/024HR Mr Huydecoper Zitting van 6 september 2002 Conclusie nzake [Verzoeker] tegen Mr A.J.C. Linssen q.q.
Feiten en procesverloop 1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het recht op vergoeding van immateriële schade (smartengeld), als de rechthebbende failliet is verklaard, behoort tot de onder het faillissement begrepen activa.
De rechtbank te Maastricht heeft de feitelijke context waarin deze vraag is opgekomen, in de in cassatie bestreden beschikking onder rov. 2.1 - 2.4 weergegeven. Die feitelijke context komt op het volgende neer:
De verzoeker in cassatie ([verzoeker]) is op 22 oktober 1993 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. Het staat vast dat de andere bij het ongeval betrokken weggebruiker voor de gehele schade aansprakelijk is. [Verzoeker] en de verzekeraar van de aansprakelijke hebben (nader) getwist over de hoogte van de schade. Hangende dit geschil is [verzoeker] - op 14 augustus 1998 - failliet verklaard. De verweerder in cassatie, Mr Linssen, is curator in het faillissement.
Vervolgens is - op 9 november 2000 - tussen [verzoeker] en de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze is door de curator getekend. Daarin wordt de schade waarover geschil bestond, vastgesteld op ƒ 525.000,- , waarvan ƒ 110.000,- voor immateriële schade. [Verzoeker] heeft overeenkomstig art. 69 Faillissementswet (Fw) de rechter-commissaris verzocht te bepalen, kort gezegd, dat ƒ 110.000,- aan immateriële schadevergoeding geheel (of gedeeltelijk) buiten de faillissementsboedel dient te blijven. De curator heeft dat verzoek tegengesproken.
De rechter-commissaris heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen. De rechtbank te Maastricht heeft de beschikking van de rechter-commissaris (waartegen [verzoeker] op de voet van art. 67 Fw beroep had ingesteld) bekrachtigd.
Voorafgaande aan de bespreking van het middel 3. Het middel stelt, zoals zojuist al aangestipt, één centrale vraag aan de orde: de vraag in hoeverre immateriële schadevergoeding onder het door art. 20 Fw betroffen vermogen valt.
Soortgelijke overwegingen gelden voor het auteursrecht (zolang dat niet door de oorspronkelijke rechthebbende is overgedragen en deze nog in leven is; na overlijden beperkt de uitzondering zich tot nog niet openbaar gemaakt werk)(7). Het recht van gebruik en bewoning is een voorbeeld van een geval waarin uitwinning, vanwege de aan dit recht inherente beperkingen, gewoon onmogelijk is. Een ander voorbeeld dat in dit verband wel wordt aangewezen is het recht om zich op art. 1:88 BW te beroepen(8).
De vrijstelling van (faillissements)beslag geldt, zo blijkt, slechts tot er een bepaald "omslagpunt" bereikt is. Klaarblijkelijk wordt dat in het algemeen als voldoende aangemerkt om het met de vrijstelling beoogde doel te dienen.
Ik stel voorop dat de tekst van de wet - nl. art. 6:106 lid 2 BW - op zichzelf duidelijk genoeg lijkt: beslag op de vordering wegens immateriële schade is uitgesloten, maar dat houdt op te gelden zodra de betreffende vordering in rechte geldend is gemaakt of in een overeenkomst is vastgelegd.
De wetsgeschiedenis bevestigt, dat dat ook inderdaad de bedoeling is: de bijzondere positie van de aanspraak op smartengeld is alléén ingegeven door de (evenzeer bijzondere) mate van verknochtheid die met de rechthebbende bestaat. Alleen aan deze, zo heeft de wetgever geoordeeld, mag het te beslissen zijn of de aanspraak op smartengeld geldend wordt gemaakt; bij leven van de betrokkene is het ook aan hem om te bepalen in welke vorm dat gebeurt. De aanspraak op smartengeld houdt te nauw verband met het aan de rechthebbende aangedane onrecht en met de manier waarop deze dat onrecht en/of het daardoor veroorzaakte leed heeft ervaren, om die beslissing(en) aan een ander te kunnen of mogen overlaten(12).
Ook in de doctrine wordt dan ook niet aangenomen dat dit motief de wetgever (mede) voor ogen zou hebben gestaan(13); met een uitzondering voor wat betreft de recente dissertatie van Verheij(14).
De aanspraak op smartengeld strekt ook niet tot het verzekeren van een bestaansminimum(15) of van behoeften die onder alle omstandigheden voorrang verdienen - hoezeer te respecteren valt dat de rechthebbende een zwaarwegende behoefte heeft aan leniging van het ondergane onrecht en/of het door hem ervaren leed, en aan "genoegdoening"(16) daarvoor(17).
Ik meen, als gezegd, dat de aldus omschreven bedoeling duidelijk uit zowel de wetstekst als de Parlementaire Geschiedenis naar voren komt. Die bedoeling spoort ook met de hiervóór beschreven achtergronden, die verklaringen aangeven voor de verschillende uitzonderingen die het recht aanvaardt als het gaat om vatbaarheid van vermogensbestanddelen voor beslag/executie en faillissementsverhaal(18).
In de literatuur wordt de strekking van de regel die de wetgever in art. 6:106 lid 2 BW heeft geformuleerd, door de meeste schrijvers zo geïnterpreteerd als ik die zoëven beschreef - en veelal met instemming, of zonder dat van kritiek blijkt(19).
In HR 3 januari 1986, NJ 1987, 73 m.nt EAAL werd van een reeds bij vonnis vastgestelde aanspraak op smartengeld aangenomen, dat die wèl in de huwelijksgoederengemeenschap viel(21).
In HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 693 m.nt. WMK beoordeelde de Hoge Raad een beslissing van het hof in de tegengestelde zin, in een geval waarin de aanspraak op smartengeld ten tijde van de ontbinding van het huwelijk wel tot een vordering maar nog niet tot een beslissing of een overeenkomst had geleid, als niet blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting.
Toch is er, meen ik, onvoldoende aanleiding om ten aanzien van de afweging die de wetgever hier, in het betrekkelijk recente verleden en met enige stelligheid, heeft gemaakt, nu een heroverweging te bepleiten.
De consequenties van diens afweging zijn in een geval als het onderhavige inderdaad hard - maar dat is met de consequenties van een faillissement voor de gefailleerde helaas in veel opzichten het geval; en dat kan in die situatie ook maar in beperkte mate worden vermeden. Men kan, als men dat in ogenschouw neemt, niet zeggen dat de uitkomst waartoe de wetgever is gekomen onaanvaardbaar is.
Bespreking van het cassatiemiddel 14. In de hiervóór neergeschreven beschouwingen zijn de argumenten uit het cassatiemiddel voor een groot deel al behandeld. Die argumenten strekken er alle toe dat het aan [verzoeker] toekomende smartengeld, ook nadat de aanspraak daarop in een (vaststellings)overeenkomst was vastgelegd, wegens het hoogstpersoonlijke karakter van die aanspraak en/of op grond van de redelijkheid en billijkheid, buiten de boedel in het inmiddels uitgesproken faillissement behoort te blijven; of - althans - dat dat het geval is voor een gedeelte van het smartengeld dat evenredig is aan de te verwachten levensduur van [verzoeker] na het einde van het faillissement(23).
Uit het hoger besprokene volgt dat ik van mening ben dat deze argumenten in ieder van de daarvoor voorgedragen varianten mislukken. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de aanspraak op smartengeld in het stadium waarin die aanspraak in een overeenkomst is geconcretiseerd, een vermogensrecht oplevert, en dat daarvoor geen uitzondering in verband met beslag/executie of faillissement geldt.
Uit HR 7 juni 2002, RvdW 2002, 95 maak ik bovendien op dat de Hoge Raad terughoudend staat ten opzichte van extensieve of analogische uitbreiding van de uit het arrest Ontvanger/Hamm blijkende regel.
Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de andere omstandigheden waarop het middel een beroep doet. Wanneer er bij de beoordeling van de vraag die het middel aan de orde stelt rekening mee zou moeten worden gehouden of de gefailleerde door méér dan wel minder laakbaar gedrag in financiële problemen is geraakt - een van de omstandigheden die het middel in dit verband voordraagt - zou ik dat even onwenselijk als onwerkbaar noemen.
Dat beantwoordt tevens de in de Aanvulling en Toelichting bij het middel aan de orde gestelde vraag of [verzoeker] ermee gebaat zou zijn geweest wanneer de vaststelling van zijn aanspraak op smartengeld tot na het einde van het faillissement zou zijn uitgesteld: dat had in ieder geval niet betekend dat het alsdan vastgestelde bedrag aan verhaal voor (faillissements)crediteuren onttrokken was geweest. (Het is natuurlijk denkbaar dat er bij die gang van zaken geen gebruik zou zijn gemaakt van de mogelijkheid om nader verhaal te zoeken. Dat mag echter voor de beoordeling van wat rechtens is, geen verschil maken).
Conclusie Ik meen dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Ingevolge art. 426 lid 2 Rv is de cassatietermijn het dubbele van de termijn voor hoger beroep, in dit geval dus 10 dagen; zie ook Faillissementswet (losbl.), Van Galen en De Liagre Böhl, art. 67, aant.5. Het cassatieverzoek dateert van 27 maart 2002.
2 Zie bijvoorbeeld T&C Faillissementswet, Christiaans/VanWechem, art. 20, aant. 1. Vatbaarheid voor (beslag en) executie betekent overigens niet zonder meer dat het betreffende goed ook in de faillissementsboedel valt, of omgekeerd; zie daarvoor bijvoorbeeld T&C Faillissementswet, Christiaans/Van Wechem, art. 20, aant. 2; Polak - Wessels, Insolventierecht deel II (2000), nr. 2118 en nr. 2121. De redenen die de wetgever ertoe hebben gebracht om goederen niet voor beslag/executie vatbaar te verklaren zijn echter dezelfde die ook opgeld doen voor de regels over het buiten een faillissement laten van goederen.
3 Voor verschillende van de te bespreken uitzonderingen geldt dat daarbij méér dan een van de in de rechtsleer gesignaleerde "rationes" een rol spelen.
4 HR 28 maart 1997, NJ 1997, 453, rov. 3.3 - zie ook HR 14 juni 1991, NJ 1991, 631, rov. 3.3; Polak - Wessels, a.w. nr. 2122; Van der Feltz, Geschiedenis van de Wet op het Faillissement (etc.) deel I (1896), p. 347 - 348.
5 Zie bijvoorbeeld Molengraaff - Star Busmann, De Faillissementswet (1951), p. 175 -176.
6 HR 30 mei 1997, NJ 1997, 573. In dit arrest wordt overigens vooral een beroep gedaan op het belang van de pensioengerechtigde bij het behouden van zijn pensioenvoorziening.
7 Art. 2 lid 3 Auteurswet, zie ook Spoor - Verkade, Auteursrecht (1993), p. 309 - 310.
8 Mon. Nieuw BW B 37, Bouman en Tilanus-Van Wassenaer, p. 91 met verwijzing naar Rb. Den Bosch 13 oktober 1978, NJ 1979, 266. Volgens Polak - Polak, Faillissementsrecht, 1999, p. 49 wordt deze uitzondering gerechtvaardigd omdat het hier om aanspraken op grond van het familierecht zou gaan; zie ook Polak - Wessels, a.w. nr. 2162.
9 Polak - Wessels, a.w. nr. 2131;
10 Voor andere aanspraken, zoals aanspraken uit hoofde van (sociale) verzekeringen, gelden de voor dergelijke aanspraken bestaande bijzondere regels.
11 HR 21 mei 1999, NJ 2001, 630 m.nt. Kortmann, rov. 3.3; zie ook de conclusie van A-G Hartkamp voor dit arrest onder nr. 5.
12 Zie daarvoor de Parlementaire Geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek Boek 6, p. 378/379, 381, 383 en 388/389 (anders dan in onderdeel ii van het middel wordt gesteld, is de vermogensrechtelijke positie van smartengeld uitvoerig onder ogen gezien - zie ook Schoordijk, Het Algemeen Gedeelte van het Verbintenissenrecht (1979), p. 270 - 271).
13 Schadevergoeding (losbl.), Lindenbergh, art. 106, aant. 63 - 67 (en de daar in aant. 63 aangehaalde literatuur); T&C Burgerlijk Wetboek (2001), Oosterveen, art. 6:106, aant. 9; Mon. Nieuw BW B 34, Bloembergen - Lindenbergh (2001), nr. 52; Asser-Hartkamp 4 I (2000), nr. 468; Polak - Wessels, a.w. nr. 2055; Spier c.s., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (2000), nr. 250; Handboek Personenschade (losbl), suppl.. 2000, Van der Nat - Klink, p. 3100-13; Brahn - Reehuis, Zwaartepunten van het vermogensrecht (1999), p. 458; Lindenbergh, Smartengeld, diss. 1998, p. 329 - 330; Mon. Nieuw BW B 37, Bouman - Tilanus-Van Wassenaer (1998), p. 90 - 91; Schoordijk, t.a.p. Niet geheel duidelijk: Polak - Polak, Faillissementsrecht (1999), p. 54.
14 Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting van de persoon (2002), p. 539 e.v.
15 Zo ook Lindenbergh, diss., p. 330.
16 Zie voor dat begrip de zojuist aangehaalde passages uit de Parlementaire Geschiedenis, i.h.b. de p. 381, 388 en 389.
17 Er zijn dan ook gemakkelijk voorbeelden te bedenken van aanspraken waarbij de behoefte van de rechthebbende van dezelfde orde is - maar waarbij het recht toch aan die behoefte geen voorrangspositie verbindt. Ik noem als zo'n voorbeeld het in alinea 5, laatste "gedachtenstreepje", al aangehaalde geval van (een aanspraak op) schadevergoeding wegens verlies van toekomstige arbeidscapaciteit. Andere voorbeelden zijn (de aanspraak op) schadevergoeding wegens onrechtmatige beschadiging van de woning van de gefailleerde, of de schadeloosstelling waarmee middelen ter verlichting van de invaliditeit van de gefailleerde of van een van zijn gezinsleden - een (betere) rolstoel of een geëigende prothese - zouden worden bekostigd. In al dergelijke gevallen heeft de betrokkene een evident belang bij aanwending van de betreffende gelden voor het doel waarvoor die bestemd waren; maar geldt desondanks niet dat de betreffende aanspraken en uitkeringen buiten de boedel vallen (al zal een prudente curator misschien aanleiding vinden om de betrokkene tegemoet te komen, zie Polak - Wessels, a.w. nr. 2122 en Lindenbergh, diss., p. 330 - 331).
18 Ik teken daarbij aan dat Lindenbergh, diss., p. 318 - 319, de door de wetgever (bij art 6:106 lid 2 BW) gekozen methode als weinig consequent kwalificeert. Verheij, op de in voetnoot 14 aangehaalde plaats, verdedigt dan ook - als ik het goed zie: à la barbe van wetstekst en wetsgeschiedenis - een geheel andere uitleg van de bepaling.
19 Zie de in voetnoot 13 aangehaalde vindplaatsen; kritische kanttekeningen bij de zojuist in voetnoot 18 aangehaalde auteurs. Voorzover de wettelijke regeling kritisch is bejegend, strekt de kritiek er overigens ook toe dat er minder ruimte voor een uitzonderingspositie ten aanzien van smartengeld zou moeten zijn, en niet méér; zie bijvoorbeeld Lindenbergh, diss., p. 330 en Overeem, Smartegeld (1979), p. 41 - 42 en p. 52 -53.
20 Zie Rechtbank Dordrecht 16 mei 1984, NJ 1985, 505 en Rechtbank Den Bosch, aangehaald in VR 1976 p. 124.
21 Het ging in dit geval om een zaak naar Antilliaans recht, maar in het arrest wordt in rov. 3.4 aansluiting gezocht bij de (gelijkluidende) regel van art. 1:94 van het Nederlandse BW.
22 Onder meer in dit opzicht, dat de echtgenoot die aanspraak heeft op smartengeld als regel ook de lasten met het oog waarop smartengeld verschuldigd is geworden, alleen moet dragen, en ook na scheiding moet blijven dragen. De echtgenoten delen in dit opzicht de met het smartengeld verbonden lasten dus niet (of maar zeer ten dele). Dat geeft de verknochtheid met de echtgenoot om wiens schade het gaat, in deze context een accent dat in de verhouding tot faillissementscrediteuren niet in een vergelijkbare mate aanwezig is; zie ook de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor het arrest van 24 oktober 1997, nrs. 7 en 8 (i.h.b. nr. 8 onder c. en d., en de daar aangehaalde publicaties van Luijten en Duijvendijk-Brandt).
In de noot onder dit arrest zinspeelt Kleijn erop dat het antwoord op de vraag van verknochtheid in de rechtsverhouding tussen de (ex-)echtgenoten anders kan zijn dan in de rechtsverhouding t.o.v. derden, waaronder (gemeenschaps)crediteuren. Ik meen - ook hier: met de in cassatie bestreden beslissing van de rechtbank - dat dat inderdaad het geval is. Ook daarom lijkt mij niet aannemelijk dat de Hoge Raad aan de "verknochtheid" van de vordering wegens smartengeld, als het gaat om de rechtsverhouding ten opzichte van crediteuren, de consequenties wil verbinden die in de verhouding ten opzichte van de huwelijkspartner wèl gerechtvaardigd kunnen zijn. Lindenbergh, diss., p. 317 - 318, laat echter blijken dat hij in het jongste van de twee hier besproken arresten aanleiding vindt om daarover te twijfelen.
23 De cassatiemiddelen voeren ook een aantal motiveringsklachten aan; maar omdat het in cassatie bestreden oordeel een rechtsoordeel is, kunnen die klachten niet tot cassatie leiden (zie bijv. HR 28 juni 2002, RvdW 2002, 118, rov. 4.2). Ik zal, dat zo zijnde, deze klachten niet stuk voor stuk bespreken.
24 Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het smartengeld besteed zou (kunnen) worden aan voorzieningen die het leed van de getroffene kunnen verzachten (of juist niet). In sommige gevallen is het leed van het slachtoffer van dien aard dat er veel ruimte voor dergelijke voorzieningen bestaat, in andere gevallen - ik noem als voor de hand liggend voorbeeld, dat het slachtoffer is overleden vóór het smartengeld tot uitkering komt - is daar weinig of geen ruimte voor. Ook dat zou echter voor de vatbaarheid voor verhaal e.a. geen verschil mogen maken.