Nr. 01707/01 Mr Wortel Zitting: 17 september 2002 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte] 1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1. "Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd", 2. "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 (oud), eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd", alsmede "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55 (oud), derde lid van de Wet wapens en munitie " en "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 (oud), derde lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren. Diverse voorwerpen, kort gezegd: wapens, onderdelen daarvan, munitie en verpakkingsmiddelen zijn aan het verkeer onttrokken verklaard. 2. Namens verzoeker heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak betreffende een medeverdachte van verzoeker, [medeverdachte], bij de Hoge Raad bekend onder griffienummer 01706/01, in welke zaak ik eveneens heden concludeer. 3. Ambtshalve wijs is, alvorens de middelen te bespreken, op het volgende. Tot het arrest, zoals het aan de Hoge Raad is toegezonden, behoren bladzijden, met de hand genummerd 11 tot en met 16, bevattende een samenvatting van bewijsmiddelen, gerangschikt onder kopjes als "Feit 1 inzake [medeverdachte] en [verdachte]". Kennelijk is dit overzicht door de griffier van het Hof opgesteld ter voorbereiding van de behandeling ter terechtzitting. Dat blijkt er uit dat commentaar is geleverd op de inhoud van verklaringen en aanwijzingen zijn opgenomen met het oog op de (gewijzigde) tenlastelegging in de zaak tegen [medeverdachte]. Naar mijn oordeel kan het er voor worden gehouden dat deze bladzijden per abuis bij de aanvulling op het arrest met de bewijsmiddelen zijn gevoegd, en dat het Hof niet heeft beoogd deze bladzijden aan het bewijs te doen bijdragen. Dat volgt niet alleen uit de tekst van deze bladzijden (die door het samenvattend en becommentariërend karakter ongeschikt is om aan het bewijs mee te werken). Het volgt ook uit de omstandigheid dat op een volgende bladzijde (met de hand genummerd 16) een overweging is weergegeven die het Hof kennelijk aan de bewijsmiddelen vooraf heeft willen doen gaan, waarna de bewijsmiddelen per bewezen verklaard feit zijn weergegeven. Daarom meen ik dat het arrest verbeterd gelezen kan worden als ware het overzicht niet ingevoegd. 4. Het eerste middel houdt in dat een schending van art. 314a Sv is opgetreden bij de verwerping van een (preliminair) verweer. 5. Bij inleidende dagvaarding heeft de officier van justitie verzoeker zes feiten tenlastegelegd. Voorafgaand aan de tenlastelegging is medegedeeld dat ter terechtzitting aanstonds schorsing van het onderzoek zou worden gevorderd. Na de tenlastelegging volgt de mededeling dat voor de opgave van de feiten is volstaan met de omschrijving daarvan in het bevel gevangenhouding. Die feiten betroffen vijfmaal het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, en voorts het voorhanden hebben van een handgranaat, vuistvuurwapens en een grote hoeveelheid patronen. Ter terechtzitting van 15 november 1999 heeft de officier van justitie gevorderd dat de tenlastelegging overeenkomstig het bepaalde in art. 314a Sv zou worden aangepast. Die vordering heeft de Rechtbank toegewezen behoudens ten aanzien van hetgeen in de vordering als feit 1 was omschreven. Ten gevolge van de toegelaten wijziging is de tenlastelegging aldus gaan luiden dat verzoeker als feit 4 is verweten de deelneming aan een criminele organisatie die opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van ontploffingen tot oogmerk had. Gelet op de in de wijzigingsvordering genoemde data waarop, en de plaatsen alwaar, die organisatie brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht zijn in dit feit de in de inleidende dagvaarding onder 1, 2 en 3 omschreven feiten opgegaan. Het in de inleidende dagvaarding onder 6 genoemde voorhanden hebben van een handgranaat, vuurwapens en munitie is na de wijziging feit 3 geworden. Feit 2 in de gewijzigde tenlastelegging betreft een feit dat in deze vorm in de inleidende dagvaarding niet (afzonderlijk) werd genoemd: poging tot afpersing. 6. De verdediging heeft tegen vordering tot nadere opgave van de feiten bezwaar gemaakt. De beslissing de vordering desalniettemin toe te wijzen (behoudens ten aanzien van hetgeen in die vordering als feit 1 was omschreven) heeft de Rechtbank - voor zover van belang in verband met het nu voorgestelde middel - als volgt gemotiveerd: "De wet geeft in een geval als het onderhavige aan de officier van justitie zowel de mogelijkheid om verdachte ter zake van nieuwe feiten te dagvaarden mits voldoende verband bestaat tussen deze feiten en het feitencomplex zoals dat aan de originele dagvaarding ten grondslag ligt als door middel van wijziging van de tenlastelegging volgens art. 261 lid 3 Sv juncto artikel 314a Sv nieuwe feiten tenlaste te leggen. De officier van justitie kan om hem moverende redenen hieruit kiezen. De keuze die de officier van justitie thans heeft gemaakt is gebaseerd op zijn wettelijke bevoegdheid en kan derhalve niet als detournement de pouvoir worden afgedaan. Van de keuze die de officier van justitie heeft gemaakt valt evenmin te zeggen dat deze onzorgvuldig zou zijn, te meer niet daar de officier van justitie reeds ter zitting van 18 augustus 1999 heeft aangekondigd een dagvaarding na binnenkomst van het eindproces-verbaal zal worden opgesteld en dat hij een compleet onderzoek nodig heeft om de feiten tenlaste te leggen en ten tweede reeds half oktober 1999, derhalve één maand vóór deze zitting, zijn concept vordering wijziging tenlastelegging heeft toegezonden aan de verdediging en rechtbank. De rechtbank concludeert dat de officier van justitie ontvankelijk is in diens vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging neemt de rechtbank als uitgangspunt dat er voldoende verband moet bestaan of een relatie moet zijn tussen de eventueel nieuw opgevoerde feiten en het feitencomplex dat aan de oorspronkelijke dagvaarding ten grondslag ligt. De rechtbank baseert zich hierbij op artikel 314a lid 2 Sv die uitsluit de laatste volzin van art. 313 lid 2 Sv. In de laatste bepaling van artikel 313 lid 2 Sv wordt aangegeven dat wijziging van de tenlastelegging niet ertoe mag leiden dat de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 68 Sr zou inhouden. Het gaat om de vraag of de nieuwe feiten te relateren zijn aan het feitencomplex dat aan de oorspronkelijke dagvaarding ten grondslag lag. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1998, NJ 99,52 en het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 1998, NJ 98,535. Aan de hand van dit criterium beoordeelt de rechtbank vervolgens de voorgestelde wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van feit 2. In de wijziging van de tenlastelegging van dit feit wordt vermeld het afpersingsaspect van het feitencomplex waarvan ook deeluitmaken de ontploffingen die op de oorspronkelijke dagvaarding zijn vermeld. Nu dit het geval is blijkens het voorliggende dossier van de politie en blijkens de verhoren bij de rechter-commissaris hebben deze beide aspecten, te weten afpersing en ontploffingen, aandacht gekregen. Was afpersing aanvankelijk de achterliggende omstandigheid van de tenlastegelegde ontploffingen, thans is in de wijziging in feit 2 de poging afpersing tenlastegelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat er ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde voldoende verband is tussen de wijziging en de oorspronkelijke tenlastelegging en dat de wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van deze feiten toelaatbaar is." 7. Bij de behandeling in hoger beroep heeft de verdediging, nog voordat de advocaat-generaal de zaak had voorgedragen, opnieuw bezwaar gemaakt tegen de in eerste aanleg op de voet van art. 314a Sv gedane vordering. Na beraad heeft de voorzitter als beslissing van het Hof meegedeeld: "Onder verwijzing naar de arresten HR 24 maart 1998, NJ 1998, 535 en HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 52 is het hof van oordeel dat de arrondissementsrechtbank d.d. 15 november 1999 een juiste beslissing heeft genomen en dit juist heeft beargumenteerd: er is voldoende verband aanwezig tussen de voorlopige tenlastelegging en de gewijzigde tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De ontploffingen worden door het hof beschouwd als middel tot realiseren van de afpersing." 8. In de toelichting op het middel wordt hiertegen aangevoerd dat het in hoger beroep gevoerde verweer twee bezwaren omvatte, namelijk het ontbreken van verband tussen de in de inleidende dagvaarding omschreven feiten en de poging tot afpersing die ten gevolge van de vordering tot nadere omschrijving aan de tenlastelegging is toegevoegd, naast het bezwaar dat het doen van de vordering in strijd zou zijn met beginselen van een goede procesorde, het beginsel van fair trial en het recht op berechting in twee instanties. 's Hofs beslissing bevat, zo wordt gesteld, geen beslissing op het laatstbedoelde bezwaar. 9. Bij beoordeling van deze klacht moet vooropgesteld worden dat het Hof, door te oordelen dat de Rechtbank een beslissing heeft genomen die juist is en op goede gronden berust, die beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne heeft gemaakt. Voor zover het gevoerde verweer inhield dat de officier van justitie zijn processuele bevoegdheden met oneigenlijk oogmerk heeft toegepast of daarvan een gebruik heeft gemaakt dat onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het beginsel van 'fair trial', ligt in 's Hofs overweging derhalve de verwerping van dat verweer besloten. In zoverre faalt de klacht bij gebreke aan feitelijke grondslag. 10. Die overweging is daarentegen niet toegesneden op de in het verweer betrokken stelling dat de verdediging ten gevolge van de vordering tot nadere omschrijving van de feiten een feitelijke instantie is onthouden. Daarbij had de verdediging kennelijk het oog op het horen van getuigen wier verklaringen door de gewijzigde omschrijving van de feiten van belang konden worden, vgl het gestelde onder 12 op bladzijde 6 van de pleitaantekeningen betreffende de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte], die aan het proces-verbaal van de terechtzitting zijn gehecht en blijkens dat proces-verbaal zijn aangemerkt als mede in de zaak tegen verzoeker voorgedragen. 11. Het achterwege blijven van een beslissing op dat onderdeel van het verweer zal evenwel niet tot cassatie kunnen voeren. Indien de officier van justitie gebruik maakt van zijn wettelijke bevoegdheid ter terechtzitting wijziging of nadere omschrijving van de tenlastelegging te vorderen, en die vordering wordt toegewezen, kan bij de verdediging het verlangen rijzen nader onderzoek te doen verrichten, zoals het horen van getuigen, waarop eerder niet is aangedrongen omdat de aanvankelijke omschrijving van de feiten de verdediging daartoe geen aanleiding gaf. Zo dat verlangen opkomt staat het de verdediging vrij om ter terechtzitting de nadere onderzoeksverrichtingen te vragen die in haar visie door de wijziging of aanvulling van de tenlastelegging noodzakelijk zijn geworden. Daarom kan niet gezegd worden dat de verdachte een volledige behandeling in eerste aanleg wordt onthouden doordat de officier van justitie, binnen de door Rechtbank en Hof gereleveerde grenzen gebruik makend van zijn wettelijke bevoegdheden, de tenlastelegging zodanig wijzigt of aanvult dat daarin feiten worden opgenomen die in de aanvankelijk uitgebrachte dagvaarding niet afzonderlijk waren genoemd, dan wel overeenkomstig een andere wettelijke strafbaarstelling waren omschreven. 12. Voor zover het verweer inhield dat verzoeker ten gevolge van de vordering tot nadere omschrijving van de feiten een feitelijke instantie is onthouden had het derhalve slechts verworpen kunnen worden. In dit verband verdient overigens opmerking dat in de - door het Hof overgenomen - overwegingen van de Rechtbank wèl tot uitdrukking is gebracht dat de officier van justitie tevoren heeft aangekondigd dat de (definitieve) tenlastelegging na ontvangst van het volledige proces-verbaal zou worden opgesteld, en het concept van de vordering tot aanpassing van de tenlastelegging een maand voor de behandeling ter terechtzitting aan Rechtbank en verdediging heeft toegezonden. Daarin ligt de vaststelling besloten dat de verdediging naar behoren in de gelegenheid is gesteld zich te beraden op de nadere onderzoekshandelingen waartoe de aangepaste tenlastelegging naar haar inzicht zou nopen. 13. In de toelichting op het middel wordt als tweede bezwaar aangevoerd dat het in hoger beroep gevoerde verweer tegen de op de voet van art. 314a Sv gedane vordering "welbeschouwd" alleen is verworpen op grond van de overweging dat het Hof de ontploffingen beschouwt als middel tot de afpersing. Dat zou onbegrijpelijk zijn, daar in de tenlastelegging (en dus de bewezenverklaring) van de poging tot afpersing geen gewag is gemaakt van het teweegbrengen van ontploffingen. 14. Eerder heeft de Hoge Raad uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.